De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De waardeering van den arbeid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De waardeering van den arbeid.

8 minuten leestijd

VII.

Wg hebben enkele uitspraken van eenige christelijke schrijvers der eerste (euwen weergegeven, om te doen zien, dat de christelgke religie een eigen beschouwing en waardeering van den arbeid in zich sluit.

De arbeid wordt geëerd, hoog aangeslagen; aanbevolen als een plicht en een roeping.

In deze waardeering speelt het solidariteits-besef, krachtens den drang der liefde, een machtige rol.

Zoo wordt er op arbeidzaamheid aangedrongen, opdat niet een christen, den arbeid verwaarloozende, ten laste der gemeente kome. En anderzijds treffen wg herhaaldelijk als een motief tot gezetten arbeid gewezen op de roeping der christenen, arme en ellendige broeders in hun' nood te helpen. De middelen daartoe moest men zich verwerven juist door arbeid.

Zoo vinden wg den arbeid om zijns zelfs wille aangeprezen en geëerd, en als een middel, dat gesteld kan worden in den dienst der liefde tot de broederen.

Nu zou men nog kunnen zeggen, dat dit alles koude en dorre theorie geweest is; dat opmerkingen, gelijk wij aanhaalden uit oud-christelgke geschriften, maar zeer weinig bewijskracht hebben.

Doch deze bedenking moeten wij aanstonds afwgzen. Niet alleen door te onderstreepen, dat dan toch in dergelijke woorden een andere toon klinkt dan wg bij heidensche schrijvers beluisteren; niet alleen, voorts, door eraan te herinneren, dat de gang van het leven toch mede door geestelijke factoren wordt gestuurd en beheerscht; dat hetgeen als beginsel leeft en aan het woord is bij hen, die de leiding der geesten hebben, in den regel doordringt en doordruppelt tot hen, die geleid worden, en door hen in practijk wordt gebracht. Maar daarbg komt nog dit: de uitingen, die wg weergaven, zijn niet genomen uit opzettelijke, theoretische beschouwingen over den arbeid en zijne waarde, doch worden aangetroffen in een verband, waaruit big kt, dat het den schrg ver volstrekt niet om afgetrokken bespiegelingen en dorre theorie te doen is; als vanzelf, terloops, maakt hg zgn opmerkingen, waardoor wg als het ware het leven betrappen, dat in hem klopt.

Bovendien zijn wg in het gelukkige geval, dat wg ook op and«re wgze dan uit geeohrifteu een blik kunnen slaan in het leven der oude christenen. De begraafplaatsen der oude christenen ; te Rome, de christelijke katakomben,  leveren belangrijk materiaal voor de kennis van de oud-christelijke beschaving.

Wat uit die onderaardsche kamers en groeven aan het licht is en wordt gebracht, legt een onwraakbaar getuigenis af van, gelgk men het heeft uitgedrukt, „het specifiek-ethisch karakter der oudchristelijke kuituur, " een kuituur, die „niet is geformeerd in het onderaardsche Rome, maar in het volle, drukke leven der wereldsteden, en wel in de allereerste plaats te midden van het bonte gemeenschapsleven van het „eeuwige Rome."

Wij laten hier een geleerde aan het woord, die terdege bekend is met wat in de Romeinsche katakomben, door hem „musea van Oud-Christelijke kuituur" genoemd, is te vinden.

De oude christenen hebben, zoo zegt hg, de produkten hunner kuituur in al haar vertakkingen en geledingen nauwlettend en naijverig bijeengebracht en geborgen onder de hoede der heiligheid van het graf. Hun doel was hierbij zonder twijfel uitsluitend, de dooden te eeren, maar onbewust hebben zij aldus de Oud Christelijke doodengroeven tevens tot kultuurgroeven gemaakt".

Wij stippen slechts aan, dat de ééne, grootsche, leidende gedachte hierbij uitkomt: de reddingsgedachte, de vastgeankerde hoop op een leven aan gene zijde van het graf.

Liever willen wg er, in dit verband, op wijzen, dat ook de katakomben getuigen van een zeer ontwikkeld vakvereeaigingswezen bg de oude christenen. Ook bij de niet-ehristenen te Rome treft men dit in sterke mate aan. Doch het is opmerkelijk, dat ook de christenen hun eigen vereenigingsleven hadden.

En wat hen daarbij kenmerkt en onderscheidt, is dit: „de Oude Kerk heeft de vakvereenigingen steeds vrij weten te houdea van politieke doeleinden, " waaraan zij in het niet-christelijk Rome zoo dikwijls werden dienstbaar gemaakt; „heeft ze gekerstend, zij heeft geheele „groepen aan haar dienst verbonden, „terwijl toch de gebruiken en gewoonten „der korporaties in eere bleven, zooals „blijkt uit het doodenmaal der Oud-„Christelgke gilden.Wellicht ishetmiuder „bekend, dat het middeleeuwsche gilde-„ wezen wortelt iu het Oud-Christelijk „gemeenschaps-en vereenigingsleven.

„Als teeken van waardeering heeft de „Kerk aan deze vakvereenigingen af-„zonderlijke regiones of afdeeliagen in-„geruimd iu haar begraafplaatsen: aldus „mèt de vereeniging den vrijen arbeid „eerende. Dit feit komt in de fresco's „tot uiting.

„Zoo ontwaren wij ergens eene „voorstelling van een achttal personen „die een groot vat dragen; twee andere „vaten, liggen op den grond. Wij zgn „hier in een gedeelte, waar de vakver-„eeniging der kuipers haar begraafplaats „had.

„Elders had het mgnbouwersgilde, het „schippersgilde, weer elders het bakkers-„ gilde zgn graf steden. Ook de ambtenaren „van de graan verzorging, de wegers en „meters, vonden hier eehe rustplaats, „reden waarom men in dit gedeelte „herhaaldelijk een korenmaat op de „graven ziet voorgesteld....

„De oude Kerk hield niet alleen „theoretisch, maar ook praktisch den „arbeid hoog, en in haar gemeenteleven., „waar geregelde werkverdeeling heerschte, „was voor lediggangers geen plaats".

Dit weinige moge genoeg zijn, en spreekt voor zichzelf.

Thans willen wij nog op iets anders wijzen.

De wordende Katholieke Kerk ontmoette op haar weg een heidenwereld, die zij geestelijk had te veroveren. Machtige triomfen heeft de christelgke religie behaald. Zg heeft op het geestesleven van Europa haar stempel gedrukt, dat óók zg, die zich bewust tegen de christelijke religie keeren, er niet aan kunnen ontnemen.

Doch de Kerk heeft, wat zeer wel te begrgpen is, ten deele öök den invloed ondergaan van de wereld, die zij met haar zout doordrong.

Zoo heeft, vooral onder den invloed der Kerk van het Oosten, het Helleensche levens-ideaal krachtig ingewerkt. Geheel het monniken-en klooster wezen kan hiervan getuigen.

De Kerk ging onderscheiden en scheiding maken tusschen een heiligheid van hoogeren en lageren graad. Zij achtte een schouwend leven, geheel aan de overdenking der Goddelijke dingen gewijd, het hoogste. In de afzondering van de kluizenaars-eenzaamheid, of in de samenleving der klooster-gemeenschappen kon naar dezen hoogen graad worden gestreefd. Hier wordt, ten deele, een scheiding gemaakt tusschen het geesteliike en het natuurlijke, waaraan het Helleenisch levens-ideaal niet vreemd is.

Doch, en hierop willen wij de aandacht vestigen, ook in dezen draagt de christelijke religie haar eigen stempel aan het voorhoofd, en spreekt eene waardeering van de beteekenia van den arbeid, die aan de Grieksche wereld ten eenenmale vreemd was.

Het moge nl. onweersprekelijk zijtj dat in het monniken-wezen, met zgij teruggetrokkenheid uit de wereld, eej levens-ideaal aan het woord is, dat niet meer dat der kerken van de reformatie kan zijn, even zeker is, dat ook in dat Helleensch-getint ideaal van „geestel^^ leven" de arbeid zijn plaats en beteekenjs heeft.

En dit is te opmerkelijker, wanneet men bedenkt, dat naast den religieuzen factor zeer zeker ook een sociaal moment heeft mede-gewerkt tot de opkomst en snelle verbreiding van het kluizenaars, leven en het monniken-wezen.

De ten ondergang neigende antieke cultuur toch kenmerkte zich door een schrikkelijke oeconomische onderdrukking van de onderste lagen der maatschappij. En naarmate deze druk op de lagere klassen zwaarder weid, leefde ook het verlangen naar de rust en den vrede van het hemelsche leven op, die men reeds bij voorbaat hier op aarde trachtte te grijpen. 

En wat zien wij nu gebeuren? Het monniken-wezen, met zijn ideaal van wereld-ontvluchting, breidt zich in het tweede kwartaal der vierde eeuw met een ongekende snelheid uit. In weerwil echter van de motieven, die een dergelijke geweldig om zich heen grgpende beweging drgven, en verklaren, wordt de arbeid in geenen deele buiten de kloostermuren gebannen. Integendeel, hij wordt er binnengeleid als een welkomf gast, hij krijgt ook in het kloosterleven en in het bestaan van den kloosterling z'n eigen plaats.

Welke plaats dat is? Wij willen het antwoord hierop geven, door een enkel getuigenis te laten spreken van enkele groote figuren uit de oude Kerk, die ook voor de ontwikkeling van het kloosterleven groote beteekenis hebben gehad.

Wat kunnen wij beter doen, dan allereerst te hooren naar den man, die in de vierde eeuw het meeste gedaan heeft voor de verbreiding en de regeling van bet kloosterwezen in de Grieksche Kerk. Wg bedoelen Basilius den Groote, van Caesarea in Cappadocië.'( 379). Onder zgn geschriften behoort een tweetal, dat zich bepaaldelgk met regels voor het monniken-leven bezighoudt.

Daarin nu treffen wg o.m. uitspraken aan als de volgende: „Dit moet men weten, dat hg, die werkt, dch op den arbeid moet toeleggen, niet om in zijn eigen behoeften te voorzien, door z'n arbeid, maar om het gebod des Heeren te vervullen: ik ben hongerig geweest en gij hebt mg te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mg te drinken gegeven, ik was een vreemdeling, en gij hebt mg geherbergd, Matth. 25 vs. 35,

Ieder moet met den arbeid dit op het oog hebben, behoeftigen te helpen, niet zijn eigen behoeften te bevredigen. Zoo zal hij niet beschuldigd worden van eigenliefde. Wat 2 Thess, 3 vs, 12 staat (den zoodanigen bevelen en vermanen wq door onzen Heere Jezus Christus, datzq met stilheid werkende hun eigen brood eten), is een woord, tot „ongeregelden" gezegd".

Elders geeft hij deze aanwgzing: „Om zgns zelfs wil bezorgd te zgn, is schuld van eigen-liefde; daarentegen om den wille van het gebod te zorgen en te arbeiden, is het prijzenswaardige vaneen gesteldheid, die door liefde tot Christus en de broederen is aangevuurd".

In dergelijke vermaningen is hetzelfde motief tot arbeiden aan het woord, dat wij aantroffen bg do christenen der eerste eeuwen.

En tevens is duidelgk, dat er toch ook een kleine schakeering is opgetreden, een verschuiving plaats heeft: voor den kloosterling dient, volgens Basilius, de arbeid niet om in eigen behoefte te voorzien, maar uitsluitend om in staat te zgn, het gebod der liefde tot den naaste te betrachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De waardeering van den arbeid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's