Stichtelijke overdenking.
Want indien door de misdaad van éenen de dood geheerscht heeft door dien éenen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heerschen door dien éenen, namelijk Jezus Christus.Opdat gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de genade zou heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere. Romeinen 5:17 en 21
De vijf Koningen.
Het vijfde hoofdstuk van den brief aan de Romeinen heeft men wel eens genoemd het vijf-Koningen-hoofdstuk.
Maar ik kan mg voorstellen, dat iemand vraagt: „waar vindt gg die vgf koningen? "
Zij staan in de verzen van onzen tekst. Allereerst toch lees ik van de zonde, dat zij heerscht.
Dan van den dood; de dood heeft geheerscht.
Daarna van genade, want genade heerscht.
Verder Koning Jezus, wanf wq 'heerschen door dien Eénen, namelgk Jezus Christus en tenslotte als schitterend gevolg, zijn er de koninklgke heiligen: zg die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, zullen heerschen.
In dit hoofdstuk, het vijf-koningenhoofdstuk hebt gij ook den strgd tusachen koningen, een veel bloediger strgd dan die beschreven wordt in het boek Genesis, wanneer de vijf koningen slaags raken met de vier koningen en als gevolg van dien strgd Lot gevangen genomen wordt.
In het vgfde hoofdstuk van den Romeiner brief hebt gij twee tegenover twee gesteld.
Verschrikkelijk is de worsteling, maar de twee heilige koningen winnen het en het gevolg van den strgd is, dat niet éen Lot maar een ontelbare schare krggsgevangenen verlost is en meer dan overvrinnaars.
De strgd gaat aan den eenen kant tusschen zonde en dood en aan de andere zgde genade en Jezus Christus.
Wq weten wie het wint, omdat „waar de zonde meerder is geworden, daar is de genade veel meer overvloedig geweest."
Eerst gaan wij de zonde beschouwen. Gij vindt haar beschreven in het 21ste vers: „opdat gelgk de zonde geheerscht heeft tot den dood."
Dan gaan wg zien wie koning dood g is. Hem vindt gij tweemaal genoemd, éénmaal in het 14de en eenmaal in het h 17de vers: „-want indien door de misdaad van éenen de dood geheerscht heeft door dien éenen, " en in het 14de vers wordt zijn heerschappg vermeld: „maar de dood heeft geheerscht van Adam tot Mozes toe."
Als tegenstanders van deze koningen worden genoemd genade en Jezus. Genade in het 21ste vers: „evenzoo zal de genade heerschen. In het 17de vers wordt gesproken van de heerschappg van Jezus, Ofschoon daar niet gezegd wordt, dat Hg regeert, is het toch duidelgk, omdat er gesproken wordt van de geloovigen, die heerschen door Hem. Zij zouden niet kunnen regeeren door Hem, als Hgzelf niet Koning was.
En tenslotte gaan wij beschouwen hen, die eens krggsgevangenen waren, maar koningen zgn geworden.
Gg vindt hen in het 17de vers: jdegenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, zullen in het leven heerschen door dien éenen, namelgk Jezus Christus.
Allereerst is daar de zonde, die regeert. Door 'n lage krijgslist heeft deze den mensch gevangen genomen. Zij spiegelde een schitterende toekomst voor. Haar stem, al was het een Satans stem, kon liedgk en zacht klinken, lokkend als de vogelaar met zoet gefluit.
En wat beloofde zg? Ik kan het niet beter uitdrukken dan in de taal eens dichters, als hij Belial, den vorst der duisternis, de verleidelgke woorden doet spreken tot ons aller stammoeder :
De ngdigheid wil niet gedoogen Dees lekkre vrucht uw mond te biên, Opdat ge niet uit andere oogen, Met oogen des verstands zoudt zien, Haar z|lve in wetenschap gelijken, Veranderen in een godin, En Gode in geen wgsheid wgken. De rgke schatten schuilen in Deze appels, die ter kennis leiden, Om goed en kwaad vaneen te scheiden; Dit 's d' oorzaak van het streng verbieden.
Deze appelschel beschaduwt God. Tast toe, eer 't iemand koom bespieden Ik schud den boom, om zulk een lot. Een Godheid in uw mond te storten."
Dat beloofde de zonde, maar wat deed zg ?
Zij wierp uit het hart, hetwelk aan Jehova was gewijd, iedere heilige gedachte en veranderde het in een woest en onherbergzaam hol, waarin de wilde dieren gingen huizen.-Dat kleine hart was groot genoeg om de machtige gebiedster met al haar gevolg te herbergen.
En baar heerschappg, zoo onmetelqk groot, want heel de wereld haar gebied, daarom zoo geducht, omdat er geen mensch leeft, die zeggen kan: „er zgn nog enkele vestingen in mg, die de zonde niet heeft bezet."
Over iedere zenuw, over elke vezel van ons lichaam, over verstand en hartj zwaait zg den schepter.
En zg regeert naar vaste wetten. Deze wetten zgn de lusten van 's menschen eigen hart, "Wilt gij die wetten eens hooren? Sla dan op den brief van den apostel Paulüs aan de Efeziërs. Daarin wordt gezegd: „onder welken ook wg allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlgkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten, "
Hoort gij het wel? "Wg doen den wü van ons eigen vleeseh, van onze gedachten?
Als nu die wetten zoo zgn, wat is het leven, hetwelk naar die wetten leeft?
Maar helaas, dat ziet de zondaar juist niet in.
De drank, die hem wordt voorgezet, verduisterd zgn verstand, maakt hem dronken.
Hg ziet niet, hoe de heerschappg der zonde een wreede, onmenschelgke is, want zonde heeft geheerscht tot den dood, of zooals er eigenlijk staat in den dood.
Eerst steekt zij u de oogen uit, opdat gij niet zien zult onder wie gij staat en dan slacht zg u als een dier.
Dat is het ellendigste wat er van 4e zonde gezegd wordt, dat is het eindprogram.
II.
Met twee uitzonderingen is het gebied van den dood evengroot als dat van de zonde.
Uitschakelende Henoch, die den dood niet zag en Eiia, die in een vurigen wagen ten hemel voer, kan de dood van lederen mensch. zeggen, die geboren wordt: „ik neem hem als mgn prooi."
Sedert hg zgn intrede in dese wereld deed, zijn alle kinderen der menschen door hem bedreigd, aangevallen en . , overwonnen. Het eerst velde hg den vromen Abel en het zal een ontzettende aanblik geweest zün, toen zgn vader en moeder de voltrekking van het goddelijk vonnis in hun geliefd kind aanschouwden.
Maar toen scheen het, dat de dood van zgn eigen werk was verschrikt geworden en het staken wilde. Eet duurde lang, : eer hg weer verscheen; een hooge ieeftgd i werd den mensch vergund, eeuw na eeuw. Maar wie er ook werkstaking houdt, de dood niet.
Toen de maat hunner dagen vervuld was, riep hij ze allen op. Hoort het eentonig refrein, dat in de sterflijst van Genesis o achter eiken naam weerklinkt: , en hij stierf, "
En nu voortaan was het, alsof hij de geleden schade wilde inhalen. "Wat een oogst was voor hem de zondvloed: alle levende ziel in zgn hand, een achttal slechts uitgezonderd.
Sedert dien tijd wist hg in alle streken der aarde en door alle eeuwen heen zgn macht uit ie oefenen; geslacht ca geslacht velde hg neer; geen overwinnaar telde ooit zooveel overwonnenen.
En ook kan hg zeggen, wat nog nooit een mensch heeft kunnen zeggen: „Tk heb geen nederlaag ooit nog geleden."
Ik ben het vertrek van den geleerdsten man binnen getreden en al de wgsheid baatte dien mensch niet.
Ofschoon het er al den schign van had, dat de oude Methusalah mg ontsnappen zou, ik heb hem als een kind op 't doodsbed uitgestrekt.
En zoo is de dood een vgand, met wien niet te spotten valt en is het leven onuitsprekelgk ernstig, ook omdat het zoo volkomen onzeker is.
Ik ben gekomen tot den man wiens zenuwen van staal waren. Ik heb Simson aangeraakt en de sterke boog zich onder mgn hand als een geknakt riet.
Ik ben gekomen tot den oudste der menschenkinderen en hg moest mg volgen.
"Waarlgk, geen kind, geen jongeling of jongedochter, geen huisvader te midden van zgn arbeid, geen moeder in het drok gewoel van haar bezigheden mag dit leven houden voor een veilig bezit en den dood nog jaren verstellen.
Als gg in den herfst door een bosch gaat, ziet gij op menige plaats de schors der boomen een weinig ontbloot en op den aldus afgeschilden stam een cgfermerk geschreven. Dat teeken verkondigt, dat die boom voor den bijl bestemd is, en welhaast vallen moet.
Gelgk die boomen, zoo ook wg. "Wg dragen allen het noodlottig cgfermerk aan het hoofd, dat de orde aanwgst, waarin wij eerlang staan te vallen.
Alt een ander naast ons neerstort, is ons eerste gevoel een gewaarwording van vreugde, dat wg het gevaar nog ditmaal ontsnapt zgn . . . om het even! als wij de taal konden verstaan, die in het dof geluid van den vallenden stam ons tegenklinkt, wg zouden de waarschuwing vernemen: heden ik, morgen gg!
Het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna . . . het oordeel.
III.
Doch zonde en dood hebben niet het laatste woord. Ook de genade heerscht! Versierd met al de reinheid van God, schitterende als een seraf, heüig als de Heere zelf, komt zg en bindt den strgd aan met hare twee doodsvijanden.
Het is een ontzettende worsteling, maar twgfelachtig ia het niet, wie den zegen der overwinning zal wegdragen.
Zetten zonde en dood alle troepen in beweging, beschikken zg over de beste, nieuwste wapenen, als een jubel boven het krijgsgewoel uitklinkt: waar de zonde meerder is geworden, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.
Al komt heel de hel opdagen, al groeien de krachten der zonde tot een ongelooflgke hoogte, genade groeit ook, genade roept ook hulp van den hemel.
Regeeren zonde en dood, genade regeert ook. Regeert zonde tot in de diepste schuilhoeken van het menschelgk hart, genade ook. Ik zie de genade regeeren in de eeuwige verkiezing.
Ik zie genade regeeren in de offerande van Christus aan het kruis.
Ik zie genade regeeren in de zondaren, door dat kruis getrokken.
Ik zie genade regeeren heel het leven van den geloovige.
Genade houdt hem staande, laat hem niet los. En als hij moet klagen over het nog in hem wonend verderf, fluistert genade: «gg zgt niet meer onder de wet, maar onder mij."
Verheven worsteling! Dat zg er is, is tevens het bewgs, dat tot den mensch gekomen is de onweerstaanbare genade, die het versteende hart heeft verbrgzeld.
En dan wordt het lied van een dichter verstaan:
'k Ging met de dwazen In gdlen waan Der goddeloozen Verkeerde baan;
'k Verloor mijn zinnen In zingestreel; Mgn hart steeds koeler Bevroor geheeheel.
Tot mij Gods hamer ïóo krachtig sloeg. Dat ik de smarte Niet langer droeg.
Toen heeft daarbinnen De schors gekraakt, Als 't gs der stroomen, "Wen 't voorjaar naakt.
Wat lang zich schuil hield Voor hart en oog, Stggt uit de diepte Met kracht omhoog.
IV.
Sprekende van de geloovigen, dat zijn zg, die door genade gegrepen zgn, zegt Paulus, dat zg in het leven zullen heerschen door dien Eénen, namelgk Jezus Christus.
Jezus Christus heerscht dus als Koning, want de geloovigen zouden niet door Hem kunnen regeeren, ais Hgzelf niet Koning was.
En deze Koning heeft de citadel van zonde en dood bestormd.
Is het eindresultaat van zonde de dood, wat is de genade anders dan het einde-Igke doei der verlossing door Christus!
Verschijnt genade, dan komt ook Jezus. Genade rukt den zondaar den blinddoek van de oogen en dan ziet hij staan in al Zgn heerlijkheid Koning Jezus, de armen naar hem uitgestrekt.
Maar die Koning der heerlgkheid is ook de Man van Smarten. Geen ander purper heeft deze Koning dan het voor zondaren vergoten bloed, Zijn eigen bloed, liartebloed, dat alleen heeft geklopt voor die zondige menschheid.
Daarmee is niet gezegd, dat het Koningschap van Christus eerst bij Zijn Iijden begint, evenmin als dat het eerst bg Zgn hemelvaart zou aanvangen.
De wgzen uit het Oosten toch, als zij te Jeruzalem komen, vragen naar den geboren Koning.
En de Heere zelf, als Hem door Piiatus gevraagd wordt, of Hg een Koning is, antwoordt niet: „Ik zal Koning worden, maar dat ben Ik, " ja meer nog: „daartoe ben Ik gekomen, "
En in een twistgesprek met de Phariseën wgst Jezus er op. dat David den Messias reeds heeft geëerd als zgn Heere, die boven Hem stond, waaruit blijkt dat Christus reeds ia Davids dagen Koning was.
Maar nu spreekt het vanzelf, dat dit niet zoo mag opgevat, alsof Christus vóór Zijn menschwording hetzelfde had als na Zgn hemelvaart.
De H. S. toch leert uitdrukkelijk, dat Hij om Zijn lijden en dood een naam kreeg boven allen naam.
En daarom moet bij het Koningschap van Christus ook gewezen, vooral gewezen op Zgn bitier Igden en sterven.
Boven Zijn hoofd aan den kruispaal is het opschrift gehecht: „Deze is de Koning der Joden, " een opschrift, dat wel den Jood een ergernis is en den Griek een dwaasheid, maar dat hem, die gelooft, is profetie van heerlgkheid.
De gesmade Koning is ook de verheerlgkte Koning.
En die verheerlgkte Koning doet de Zijnen deelen in Zgn triumf.
"Want niet alleen verlost Hg hen uit de gzeren omklemming van het driemanschap zoude, dood en Satan, maar Hg brengt hen ook tot eer en aanzien.
Heeft de zonde den mensch van koning tot slaaf verlaagd, Christus maakt hem weer tot koning.
In den hof van Eden onttroond, wordt den mensch in Jozefs hof weer de kroon opgezet.
Maar nooit vergete hg, dat dit alles slechts bezeten wordt als genadegift. Dat de verheerlgkte Koning het verworven heeft door het verlaten van den troon Zgner heerlgkheid, door bang Igden en sterven.
Voor Hem onze zonde, voor ons Zijn viede.
Voor Hem onze schande, voor ons Zijn glorie.
Voor Hem onze dood, voor ons Zgn leven.
V.
Ons resten heiligen. nu nog de koninklgke
Ge vindt ze beschreven in het I7de vers: degenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, zullen in het leven heerschen door dien Eénen, namelijk Jezus Christus. Hoe weinig verstaat de wereld van de heerlijkheid der geloovigen!
„Daar is niet één wijze, niet één edele onder, " zegt zij. „Het zijn heel gewone, alledaagsche menschen. Koningen? Zou men niet lachen over zulk een dwaasheid 1"
Maar de wereld kan niet zien onze koninklijke gewaden, die vaneenbqzondere stof zijn gemaakt.
De wereld kan niet zien de kronen, die de geloovigen dragen. Die kleederen, die kronen zijn als de fijne keursteen, dien niemand kent, dan die hem ontvangt.
„Maar, " zegt, misschien iemand, „de geloovigen zijn nog geen koningen. Er staat toch dat zij zullen heerschen."
Bedroevend is het, zoo weinig eeuwigheidszin er leeft in de harten van vele Christenen.
Men zet de dingen zoo ver van zich af, omdat men zoo arm is aan geestelijk bezit.
Men blijft het liefst bij het eerste stuk van den Heidelberger: „hoe groot mijne ellende is." En nu moet zeker dit eerste stuk gekend worden. Het is het fundament van het gebouw.
Maar wie in eigen harteslag heeft voelen branden de realiteit der zonde en des doods, die vraagt naar meer.
Naar het opbouwen van het geheele gebouw.
. Een daklooze toch verdient ons medelijden, doch wekt geen blijdschap.
En wie nu verstaat, ziet, beleeft, dat de gevallen mensch de mensch is van het heden, verstaat, ziet, beleeft ook de toekomst als heden.
Ea zoo moeten ook de woorden van onzen tekst als heden worden gekend.
Dan bevatten zij ook een machtige profetie.
Dan: „gij zult nog grootere dingen zien dan deze."
Wat gij hier te hooren, te smaken kreegt, was slechts voorppel, doch als 't voorspel reeds zoo schoon is, wat zal dan het lied zelf zijn!
Die in den Zoon gelooft, krijgt niet alleen het leven, doch heeft het. Wie het hier niet vindt, zal het nooit bezitten.
Wie hier niet reeds komt te heerschen over de zonde, zal eenmaal in de toekomst ook niet heerschen.
Slechts degene, die bezit, zal ontvangen. Hij is ook degene, die hier de wónderspreuk leert kennen: „als onbekenden en nochtans bekend, ais stervende en zie, wq leven, als gemchtigd en niet gedood, als droevig zijnde, doch altijd blijde, als arm doch velen rijk makende, als niets hebbende en nochtans alles bezittende."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's