Diaconale arbeid.
Heeft een arme recht op ondersteuning?
Heeft een arme recht op ondersteuning?
Op de laatst gehouden Conferentie an Diakenen kwam in de gevoerde gedachtenwisseling ook de bovenomschreven vraag een oogeublik ter sprake; en vraag, waarmede onze diakenen gedurig in aanraking komen. In den regel evenwel niet in den vorm van een vraag. het recht op ondersteuning wordt door den arme den diaken eenvoudig in de vorm van een onaanvechtbare en boven allen twijfel verheven stelling voorgelegd. Het is voor ons gegeven, zoo luidt het; wij hebben er recht op; en het is onrechtvaardig, als ge het ons onthoudt, waar wij billijk "aanspraak op kunnen maken."
Nu kan een diaken hier tegenover stellen de even beslist luidende woorden van art, 8 Regl. voor de Diaconieën; „Geen arme heeft het recht onderstand te eischen; de kerkelijke verzorging van armen is vrge en ongedwongen liefdadigheid." Reglementair is de kwestie dan opgelost; de aanspraken van den arme, die op eén toon waren geuit dat ze onaanvechtbaar schenen, zgn met één slag tegen den grond geworpen; de diaken komt met geringe moeite zegevierend uit den strgd te voorschijn.
Evenwel een reglementaire oplossing zegt ten slotte zoo weinig. Hoe komt de arme aan dergelgke gedachten ? Waarop grondt hij zijn aanspraken en vermeende rechten? En anderzijds, waarop grondt onze kerk de stelling, dat een arme geen recht heeft onderstand te eischen? Zulk een uitspraak dient toch zedelijk gerechtvaardigd te zijn!
Wie de kwestie niet enkel uit reglementair oogpunt bezien wil, zoekt op deze en daarmee verband houdende vragen een antwoord.
De goedkoopste oplossing is zeker wel die, waarbg men al deze vragen schuift op rekening van de brutaliteit, die zooveel armen eigen is. Wat door menigeen geschiedt. En de bedoelde kwestie bliijkt feitelijk geen kwestie te zgn, maar slechts een hersenschim, tengevolge van een al te weelderige verbeelding in het benevelde brein van den arme opgestegen.
Geenszins willen wij ontkennen, dat die armen, die zonder eenigen schroom met hun vermeende rechten op ondersteuning tot den diaken komen, met een vrij groote mate brutaliteit begiftigd zgn; maar laat ons toch niet vergeten, dat dezelfde gedachte ook in het hart van den bescheiden arme meermalen woont, aan al waagt hg het niet ze tegenover den diaken uit te spreken. Reeds hierom is de bovengenoemde oplossing geen werkelgke oplossing, terwijl bovendien nog uit het oog verloren wordt, dat het recht van den arme op onderstand eveneens door menigeen, die niet arm is, wordt voorgestaan en verdedigd.
Een der debaters op de Conferentie maakte de opmerking, dat dit vermeende recht van den arme op onderstand voornamelgk voortkomt uit de aanwezigheid van stamkapitaal. Van de tegenwoordige bijdragen gevoelt de arme, dat ze vrijwillig gegeven sgn, maar ten opzichte van het kapitaal, dat reeds sinds een eeuw en meer dan een eeuw „armengoed" is, is dit bewustzijn uitgesleten. Het is aan de armen vermaakt; dus hebben de armen er recht en aanspraak op; de diaken hoeft niet te doen alsof hg daarvan naar eigen keuze kan en mag geven; hg heeft er zelf geen cent aan bggedragen en doet groot onrecht als hg den armen niet uitkeert, wat den armen toekomt.
Dat de aanwezigheid van groote kapitalen niet altijd even zegenrgk is voor een rechte armverzorging, waren wg met den geachten spreker hartelijk eens, maar dat daaraan alleen het vermeende recht van den arme op onderstand moet worden toegeschreven, betwijfelen wij ten zeerste. En onze twijfel is op feiten gebaseerd. Wij kennen een Gemeente, waar zeer weinig kapitaal is, waar nagenoeg al het noodige door vrgwillige bgdragen mild bijeen wordt gebracht. Toch kwam ook daar zoo nu en dan een arme bij den diaken en hield hem voor, dat hg recht op ondersteuning had. Op welke gronden? Omdat de gevers het geld voor de armen gegeven hadden; hg was arm; de gevolgtrekking lag voor de hand; de diaken was verplicht hem een uitkeering te geven.
Deze menschen te willen overtuigen door een beroep op art. 8: „de kerkelgke verzorging van armen is vrije en ongedwongen liefdadigheid", is nutteloos. Niet omdat ze nimmer voor overreding vatbaar zgn maar omdat genoemd artikel zoo verklaard kan worden, dat het buiten de zaak in kwestie omgaat. Deze armen beweren toch niet, dat de gevers verplicht zijn te geven; allerminst; ze willen het vrgwillige en ongedwongene der Chr. liefdadigheid nog wel erkennen; maar ze gaan uit van de gedachte, dat die gevers hebben gegeven, gegeven ten behoeve van de armen en dat het thans de plicht van den diaken is om dit geld zonder aanzien des persoons uit te doelen. Het gaat hem niet aan, wie ze zijn; zij zijn lidmaat der Gemeente en arm; als hij zulk een arme n!et geeft, maakt hij zich in hun oog schuldig aan schromelijke onrechtvaardigheid, zowel ten opzichte van den arme als ten opzichte van de gevers, die hem hun gaven ter uitdeeling aan de armen hebben toevertrouwd. Als wij het goed begrepen hebben, is dit de gedachtegang, die den arme heeft.
Eigenaardig, zooals wij reeds opmerkte. is dat ook vele niet armen den arme in deze gedachtegang bijvallen en rechten en aanspraken op het tegoed" verdedigen. Dat kan men gedurig in de Gemeente opmerken. Zelfs hebben wetenschappelijk gevormde mannen getracht deze stelling te verdedigen. Niemand minder dan minister Thorbecke schreef eens: „de diaconiefondsen zgn m. i. geen eigendom der kerkelgke Gemeente, evenmin der diaconie; zg zgn goed der armen ten hunnen behoeve door de Bestuuren volgens de Reglementen te gebruiken, ' Deze Reglementen wilde hij zelfs aan de heerschappij van een Algemeene Wet onderwerpen om een gebruik dier fondsen te verzekeren overeenkomende zoowel met hun bestemming als wel met burgerIgke regels der Armenzorg_;Met andere woorden uitgedrukt: hij wilde den armen hun aanspraken en rechten op een deel van het armengoed bij de wet verzekeren!
Wanneer een man als Thorbecke en heeft hij op dit gebied niet tal van geesteskinderen? — op deze wgze het recht van den arme op onderstand bepleit, is het o, i. duidelgk, dat voor genoemde stelling naar een dieperen, geestelgken ondergrond gezocht moet worden. Het komt ons voor, dat deze gevonden wordt in onschriftuurlijke opvattingen aangaande het ambt in de Gemeente van Christus. De wetenschappelgk gevormde is zich deze afwgking van den Schriftuurlijken regel misschien bewust; de arme waarschgnliijk niet, meent vaak met gedachtegang geheel op den bodem der Schrift te staan !
Wanneer wij spreken van het diakenambt in Christus' Gemeente naast het leeraren-en ouderlingenambt, drukken wij daarmede uit, dat de diaken zich door den Heere der Gemeente een taak ziet opgedragen, tengevolge waarvan hij allereerst Hem verantwoording scbuldig is. Een diaken is een dienaar, een dienstknecht, maar niet van menschen, maar des Heeren. Als hg in het midden der Gemeente is als een, die dient en de armen verzorgt en helpt, dan is niet de Gemeente zijn lastgeefster, maar dient hij in dit werk den Heere Jezus Christus en al wat hg doet, doet hg in Zijn Naam.
Door de onschriftuurlgke ideeën, op welke wij zooeven zinspeelden, wordt nu deze waarheid uit het oog verloren.De diaken ziet zich hier zijn taak niet opgedragen door den Heere der Gemeente maar door de Gemeente zelf, bepaaldelijk door hen, die hun gaven ten behoeve der armenverzorging geven. Op deze lijn voortgaande — we zullen het maar eens heel plat uitdrukken — wordt de diaken een loopknechtje, dat de gave der gevers aan de armen heeft over te brengen; hoofdvereischten zgn, dat hij vlug kan loopen en goed kan rekenen. Een zelfstandig oordeel behoeft hij niet te bezitten, mag er tenminste geen gebruik van maken. Evenals de rijksambtenaar de ouderdomsrente heeft uit te betalen aan ieder, die aan de vereischten der wet voldoet, zoo heeft hij een uitkeering te geven aan ieder lidmaat der Gemeente, die aan de voorwaarde: „arm zijn" voldoet. De Gemeente des Heeren wordt hier een gewone menschelijke vereeniging; de diaken is de penningmeester, die het armenfonds beheert; gelijk iedere zieke in een vereeniging met een ziekenfonds recht heeft op een uitkeering uit dat fonds, zoo heeft. een arme in de Gemeente recht op een uitkeering uit het armenfonds. Hoe klaar en duidelgk schijnt deze gedachtengang en hoe weinig armen zien daarin het onschriftuurlijke.
Maar wie eenigszins den zin der Schrift kent, weet, dat de zaak gansch anders staat. De Gemeente des Heeren mag' met een gewone menschelgke vereeniging niet op éen Iijn worden gesteld en de diaconie-kas is geen onderling verzekeringsfonds, waaruit ieder lidmaat die arm wordt, trekken kan.
Onder de leiding des Geestes heeft Christus de verzorging der armen en zwakken in zgn Gemeente opgedragen aan de diakenen. In hun werk uit zich Christus' eigen liefde en ontferming over het verdrukte in daadwerkelgk liefdebetoon. Wie nu kan op Christus' liefde en ontferming recht en aanspraak doen gelden? Volkomen ditzelfde is ook van toepassing op de liefdegaven voor dezen arbeid gegeven. Met het rechte doel gegeven, zgn ze ook een vrucht van Christus' liefde en van de openbaring dier liefde.
Hiermede ontkennen wg niet de plicht van den diaken om den arme te verzorgen, evenmin als de plicht ven den Christen om van het zgne mee te deelen. Ja zelfs mogen we hier spreken van een bindende plicht en mag wat de apostel Paulus op zich toepast, ook op deze toegepast worden: de nood is hun opgelegd en wee hunner als ze het niet doen. maar we mogen niet vergeten, hoe dé apostel vooraf laat gaan: „indien ik het vrijwillig doe, zoo heb ik loon; alleen als de Christen en de diaken vrijwillig hun roeping volbrengen, is het goed zulk een vrijwillige volbrenging is hiér geen vrucht der wet maar des evangelies; het is de liefde van Christus, die zowel in de mededeeling van tgdelijke gaven als in de verzorging van den arme door den diaken zich openbaart; daarom kan niemand, die in dit iefdebetoon wenscht te deelen, in dit stuk ooit van rechten spreken; tegenover den Heere heeft niemand rechten: bg Hem is alles vrijwillige liefde en ongebondene goedheid.
Aan deze beschouwing van het ambt dankt de diaken zijn zelfstandige positie in het verleenen van onderstand. Hij geeft waar hij oordeelt, dat het noodig en nuttig is. Een eigen oordeel in deze zaak is hem voorbehouden, evenals ook de keuze der middelen. Niet om de willekeur op den troon te zetten maar om hem in verantwoordelijkheid te binden aan Christus, Zijn Zender en Meester, wien hij eenmaal verantwooring zal moeten afleggen van al zijn dienst, waarmede hg gediend heeft.
Vanuit dit gezichtspunt is art. 8 Regl. de Diaconieën: „Geen arme heeft echt onderstand te eischen" volkomen gerechtvaardigd. Het is goed, dat dit beginsel in de Reglementen wordt uitgesproken. Het tweede deel: „de Kerkelijke verzorging van armen is vrije en ongedwongen-liefdadigheid" moet dan toegepast worden, niet alleen op de mededeeling van het hunne door de leden der Gemeente, maar ook op heel het werk, dat den diakenen is toevertrouwd; om deze reden zouden we het woord „liefdewerk" hebben verkozen boven „liefdadigheid"; de bedoeling der woorden is echter niettemin duidelgk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's