Uit het kerkelijk leven.
Onze Kweekschool.
Op onze laatste Bondsvergadering werd i de wenschelqkheid uitgesproken te komen tot oprichting van een Hervormde Kweekschool op Gereformeerden grondslag. Ieder, die meeleeft met het Ohristelgk Onderwijs weet, dat er groote behoefte bestaat aan een opleidingsschool voor onderwijzers, op den grondslag van de belijdenls onzer Kerk.
Het HoofdbeBtuur benoemde eene h commissie, die deze aangelegenheid ter hand zou nemen. .
Deze commissie bestaat uit de H.H. o Ds, M. van Grieken, Voorzitter. d Ds. J. de Bruin, Seeretaris-penningrni L. F. Duymaer v. Twist, lid van de 2de Kamer der Staten Generaal, H, Turkenburg, van Bodegraven, P. A. V. Schuppen, Hoofd eener Ohr, M. U. L. O. School te Delft.
Reeds vergaderde deze comn^issie om te beproeven deze plannen te verwezen-Igken, Weldra zal nog eens vergaderd worden om zoo spoedig mogelijk te komen tot een Kweekschool met Internaat, in het midden des lands.
Dit grootsche plan zal natuurlijk veel, veel geld vereischen.
Gaarne stelt ondergeteekende zich beschikbaar om gelden voor dit doel te aanvaarden. Op den Bondsdag werd reeds f 25.- geschonken. Wie volgt?
De commissie doet een beroep op de bekende milddadigheid van het Hervormde Gereformeerde volk. De Redactie van de Waarheidsvriend geeft gelegenheid om de giften te verantwoorden.
Ondergeteekende hoopt evenals de Heer Fliehe, de wakkere Bondspenningmeester, verblijd te worden met verrassende gaven. Stelt ons niet te leur! Afwachtend,
J, DE BRUIN, (Secretaris Penningmeester
ZEIST, 26 Mei 1919.
Maar wat is hier dan aan te doen, nu menschen van zóó onderscheiden en zoo tegenovergesteld gevoelen samenwonen in het midden van onze Herv. (Geref) Kerk?
Alles vraagt om een oplossyüag.»
Hoe moeilijk ook, maar de richtingskwestie moet in het midden komen staan.
Het gaat ten slotte toch om beginselen, av om de confessie, om de belgdenis, zoowel rechts als links
Laat ons hierbij mogen wijzen op de moderne en op de orthodoxe Christusbeschouwing, Natuurlijk niet in den breede noch volledig, maar met een enkel woord een en ander aanstippend, waarbij we gebruik maken van het antwoord van de vrijzinnig^Hervormden te Utrecht aan den orthodoxen Kerkeraad aldaar, nadat deze geweigerd had in te gaan op hun verzoek als 14den predikant een modern domine te beroepen.
De modernen hebben hun eigene beschouwing asmgaaode den Christus. Zij constateeren, dat in de Schriften een verschillende Christus' beschouwing voor den komt, van welke de belijdenisschriften der Herv. (Geref.) Kerk de meest verschrikkelijke, althans een totaal foutieve genomen heeft, terwgl zij (de modernen) een veel hooger staande hebben, zgnde de onvervalechte en ware.
Hier ligt al een scheidingslqn. En hier gaat het niet om een bagatel.
De modernen spreken hier immers ongeveer als volgt: wij zien in Christus, den ideaal mensch, ons hoogste voor en en beeld, onzen oppersten Leidsman, dien wij trachten te volgen in liefde tot God en den naaste, ons hart openstellende voor den invloed van Zijn geest, zoodat wq er naar streven ons door dien Geest te laten bezielen, opdat wq eindelqk met Paulus kunnen zeggen: „niet ik leef, maar Christus leeft in mg."
Nu kunnen we hoogen eerbied hebben voor een dergelijke belijdenis, maar ze draagt niet het stempel der geopenbaarde waarheid en is in alle opzichten in strijd met het grondbeginsel van de Luthersche, van de Zwingliaansche zoowel als van de Calvinistische Reformatie, van welke twee laatste bizonderlqk de beginselen zqn neergelegd in de belijdenis onzer Herv. (Geref.) Kerk. En we mogen veilig zeggen, dat de moderne grondbeginselen in onze Herv. Kerk, getoetst aan hare aangenomen en nimmer afgeschafte be-Igdenisschriften, als vreemde elementen zijn, van alle Gereformeerde Kerken in en buiten ons Vaderland als ongereformeerd verworpen, Waarbg het dan ook over niet meer of minder gaat, dan over den-weg en het middel ter zaligheid van God in Christus gegeven, zoodat de orthodoxe niet anders kan en mag gtuigen als Christus Gods Zoon niet is gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, dan is onze prediking ijdel en ijdel is het geloof der gemeente, dan zijn ook verloren die in . Christus ontslapen zqn.
Nu weten we wel, dat de modernen hier sussend het markante verschil willen weg doezelen in verband met het kerkelgk probleem, door te zeggen: „neen, wq laten de zaligheid niet af hangen van bepaalde dogma's, waarvan de kerkgeschiedenis heeft bewezen, dat nu eens het éene dogma, dan eens een énder dogma op den voorgrond werd gebracht terwql in het aanhangen van dat bepaalde dogma dan telkens het kenmerk van den Christus heeft bestaan, " Maar zóó laten de meest fundamenteele waarheden zich niet w^egdoezelen door een eigenaardig soort redeneeren. Heel de kerkgeschiedenis toont het onware van dit betoog, in het licht stellend, dat er van de eerste dagen van het christendom af aan tot op heden onwankelbare en alles dragende fundamentstukken der waarheid zgn, welke wel altgd zijn aangevochten, maar welke de Kerk nooit heeft kunnen en mogen prgs geven, daar het hier gaat om het zijn of niet-zgn.
Bij het huidige geschil op onzen Vaderlandschen bodem te midden van de Herv. (Geref, ) Kerk moest men daü ook de diepgaande r. verschillen niet verdonkeremanen, door een redeneering als deze: Christus zelf heeft beweerd - en wg, vrijzinnigen beamen dit ten volle - dat 4^ st^glieid a£txemgi Tail dear t< > §gifei^ van ons hart, van de" richting van ons hart op God, getuige wat er staat Matth. 5 : 3-11, „zalig zijn de armen van geest enz." Want hoe mooi het ook Igkt, als men verder zegt: de ware eerbied voor Christus bestaat niet in het geven van mooie titels, maar hierin, dat men handelt in Zijn geest en Zijne geboden vervult, " onder ons is het toch uitgeinaakt, dat langs die „mooie titels" niet mag worden heengegleden, maar dat in het midden van de Herv. Kerk, met de Schrift en met de belgdenis vóór ons, in deze kwestie, kleur moet worden bekend, waarbij het o. i. vast staat, dat modernen en orthodoxen zóó verschillend staan tegenover den Christus, dat we steeds weer moeten zeggen: pbouwen en afbreken tegelijk gaat niet; wat geestelijk gescheiden is mag de mensch niet kerkelijk samen voegen, zal heel het kerkelgk leven niet onderstboven tuimelen!
Hier zouden we dus een diepgaand, onoverbrugbaar verschil willen constateeren, waarmee voor het kerkelgk leven zooveel, ja é, lles samenhangt en waarvan de behandeling en de oplossing dus allernoodzakelgkst is; zóó dringend, dat 't liefst geen jaar meer worde uitgesteld.
Ligt er misschien heil in het stelsel van evenredige vertegenwoordiging ? moet er misschien gezocht naar een weg waariu aan deze onderscheidene richtingen recht kan worden gedaan en de rechten van meerderheid en minderheid zoo goed mogelgk geregeld kunnen worden ?
Dat zou dus bedoelen de diepgaande verschillen in één kader te houden en het partijwezen te reglementeeren, trachtend het zoo dragelgk mogelgk te maken; wat natuurlgk alleen kan geschieden ten koste van het karakter der Kerk, dat toch ten slotte volgens alle orthodoxen onbestaanbaar is met de principiëele en doorgevoerde gelgkstelling van alle meeningen betreffende het evangelie.
Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging is dan ook de zegepraal van de moderne-kerkidee en levert de Kerk over aan het individualisme, waarbg de orthodox, van welke schakeering ook, ten slotte geen vrede kan en mag hebben, juist omdat het in beginsel altgd weer gaat om den Ohristua Gods, om Gods , Woord en onze belgdenis.
Waar het dan ook aanvankelijk in toepassing werd gebracht, hadden de orthodoxen er spoedig genoeg van.
Maar als het stelsel van evenredige vertegenwoordiging onaannemelgk is voor ieder die orthodox is, daar het een afschuiven zou wezen der Kerk van haar fundament, een verlammen van haar belgdenis en een vernederen van haar positie — wat moeten we dan hebben?
Ook niet het bij elkaar blijven van de meest verschillende richtingen in één kerkverband met een wettelgk geregelde modus vivendi tusschen de verschillende richtingen, zooals door de Utrechtsche hoogleeraren kort geleden nog is voorgesteld. Nadrukkelgk toch is ook toen gezegd, dat men zóo in één, zij het dan administratief verband, bij elkaar wilde houden, wat niet bij elkaar hoort, orthodox en modern onder controle van de kerkelgke besturen, opdat zoo onze kinderen nog een plaats zouden vinden in de Herv. Kerk en de kostbare schotel, waaruit het volk dient gevoed, niet gebroken zou worden.
Hoewel we in dit voorstel, waarbg elke richting zich vrg kon inrichten naar eigen inzicht (hoewel onder controle van de kerkelijke besturen, waarbg vooral de modernen niet zonder moeilqkheden zouden kunnen leven) veel aantrekkelgks zagen en dit bij onze beschouwing ook aanstonds hebben naar voren gebracht, konden we ook hiermee toch ons niet homogeen verklaren, daar het de Herv. Kerk zou maken tot een wettelgk geregelde huishouding van leden, die niet van dezelfde familie zijn, daar ze geen gemeenschappelgke belgdenis hebbenen diensvolgens ook niet samen kunnen wonen. Waarbg we vreesden, dat het kerkelgk vraagstuk dan zou worden opgelost door een uittreding in 't groot aan de rechterzgde, omdat men daar onmogelijk, vooral in de kleine gemeenten, maar ook in de grootere plaatsen, zou kunnen en ook niet zou willen leven bij een wettelgk en kerkelgk erkennen van de modernen. Vóórdat we zoo aan de oplossing van het kerkelijk vraagstuk toe waren, zou het reeds opgelost zgn; en wel op de slechtste manier, door uittreding van de meest reehtsche groepen en de overwinning van de modernen, hoewel de voorstellers dat natuurlgk. volstrekt niet bedoelden. Wie de mentaliteit onzer menschen kent, weet en voelt dat aanstonds.
Maar, als we niet het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en niet een wettelgk geregelde modus-vivendi willen, wat dan?
Want bezwaren te hebben tegen die voorgestelde wegen en middelen is menschelgk en op orthodox standpunt staand zéér begrijpelijk. En die bezwaren te zeggen mag men iemand niet ten kwade duiden. Wat hebben we aan doldriftig voorthollen om straks met het hoofd tegen den muur terecht te komen?
Maar, bij afkeuren alleen kunnen we niet leven.
En daarom, als we het een noch het ander, dat in de laatste jaren aanbevolen is, niet willen, wat dan?
Hier moet het beginsel beslissen. En is bij evenredige vertegenwoordigers en bg een wettelijk geregelde modus-vivendi het bedoelen in de Herv. Kerk bij elkaar te doen leven wat in het diepst en hoogst beginsel niet bij elkaar hoort („het huwelgk mag niet ontbonden worden"), daar moeten wij zoeken naar den besten weg, om uit elkaar te doen gaan wat geestelgk gescheiden is en bij elkaar te brengen wat geestelgk één is,
Hoe we dat zouden willen bewerkstelligen ? Daarover in een volgend artikel,
{Wordt vervolgd).
De toestand der Kerk,
Op Vrijdag 16 Mei 1919 heeft een vergadering plaats gehad, die ongetwgfeld van veel belang is voor de geschiedenis van de Hervormde Kerk hier te Lande. Deze vergadering, waar vertegen-
woordigers uit de verschillende schakeeringen en richtingen in de Herv. Kerk' bqeen waren, werd gepresideerd door ds. Wagenaar van Rotterdam. Zij was uitgeschreven door eeue pas opgerichte commissie inzake het kerkel^k vraagstuk. Het moderamen dezer commissie bestaat uit ds. Wagenaar, voorzitter en dr. Rienens van Leiden, secr.-penningmeester. Voorts hadden daarin zitting
een negental vertegenwoordigers der verschillende rechtsche groepen n.l. prof, Obbink, prof. Slotemaker de Bruine, ds. van Grieken van Delft, ds. van Paassen van Haarlem, ds. Molenaar en ds. Schokking van den Haag, mr. Schokking en ds. Locher van Leiden en de heer Duymaer van Twist van den Haag,
Deze commissie noodigde verschillende predikanten van de vrijzinnige en evangelische richting uit, om met haar te beraadslagen over den toestand der Kerk.
Bij een breedvoerige gedachtenwisseling bleek eenstemmig het gevoelen te bestaan, dat de tegenwoordige kerkelijke toestand dringend herziening eischt, in het belang der oprechtheid en waarachtigheid en ook met het oog op de huidige tqdsomstandigheden. Betoogd werd de noodzakelijkheid van het tot stand komen der door de Kerk gekozen vergadering, op last der Synode benoemd, waarbq ook met name de Belgdeniskwestie aan de orde zal moeten gesteld worden, de flnancieele verhouding van Kerk en Staat afgewikkeld, en een andere Kerkinrichting bevorderd. Ook zal er voor gewaakt moeten worden, dat, moest het onmogelijk blijken allen in éen Kerkverband vereenigd te houden, den eventueel kerkelijk bezwaarde geenerlei financieel nadeel berokkend worde.
Tenslotte werd met algemeen goedvinden besloten, een Oommissie te benoemen, die een en ander nader overwegen en definieeren-zal en de wegen zal trachten te banen, om het voorgestelde doel te bereiken. Wanneer deze Oommissie met haar arbeid gereed is, zal nogmaals dezelfde Conferentie bgeenkomen en het voorgestelde in overweging nemen.
De benoemde Oommissie bestaat uit de heeren: ds. Q. H. Wagenaar, Voorzitter; dr. 0. J. Niemeqer (.Bolsward); ds. Q. Horreus de Haas (Sneek); prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruine (Utrecht); ds. M. van Grieken (Delft) en ds. B, Klein Wassink (Leeuwarden).
Mocht zij niet tijdig genoeg met haar , arbeid gereed zgn, om reeds nu bg deOlassicale Vergaderingen van Juni met voorstellen te komen, dan zal aan de Synode om een buitengewone Classicale Vergadering gevraagd worden, teneinde zoo spoedig mogelijk deze hoogst belangrijke vragen kerkelgk ter sprake te brengen.
In de vergadering heerschte een welwillende toon en werd wederzijds gevoeld de wenschelijkheid van gemeenschappelqk overleg, ook bg groote principieele verschillen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's