De waardeering van den arbeid.
VIII.
BASILIUS, de organisator van het monnikenwezen in de Grieksche Kerk, kent het monniken-ideaal als een hooger trap van geestelgk leven dan voor den gemeenen man bereikbaar is. Daarmede hangt samen, dat hg den arbeid, waaraan hg hooge beteekenis toekent, niettemin op een eigenaardige wgze waardeert. De arbeid heeft voor den kloosterling een andere beteekenis dan voor den gewonen man. Voor den kloosterling is het zuiver geestelgke leven; hem mag de vraag naar de aardeche dingen niet storend bezighouden; voor zgn voedsel arbeiden is niet iets, dat hem past.
Zooals Basilius zelf in één zgner brieven het omschrgft: „wat is zaliger dan op aarde de reien der engelen na te volgen ; zoodra de dag begint, opstaande tot het gebed, met lofzangen en liederen den Schepper te eeren, vervolgens, als de zon hoog aan den hemel staat, zich tot zgn werk te begeven, terwgl overal gebed het verzelt, en met liederen ook zijn' arbeid als met zout te kruiden? Immers de troost van het lied brengt een blij en vroolgk evenwicht der ziel. De rust • is het begin van de zuivering der ziel." Zoover moet het kómen, dat „de ziel, die niet tot de uiterlijke dingen wordt afgetrokken, en niet door de zinnen wordt verstrooid naar de wereld, tot zichzelve inkeert, door zichzelve tot de overdenking Gods opklimt, en met deze schoonheid verlicht, de natuur zelve vergeet, en ook niet meer tot de zorg voor voedsel wordt afgetrokken, doch, bevrijd van aardsche zorgen, al haar ijver overbrengt op het verkrggen van de eeuwige goederen."
Hier vinden wg de wereld-ontvluchting in haar edelste gedaante; niet als wereld-verachting, niet uit afkeer van of tegenzin tegen het leven. Maar in het streven, de geestelgke dingen te zoeken, het hemelsche leven te verwerven, en zich geheel aan den dienst Gods te wyden. Daaraan moet alles worden ondergeschikt en dienstbaar daarop moet aile aandacht worden samengetrokken, moeten alle krachten worden-gericht. Zoo is het te begrijpen, dat Basilius voor den kloosterling den arbeid van den gewonen man niet dienstig acht om het streven, dat hierbij voorzit: Wat in de wereld wordt gezocht en nagejaagd, is voor den kloosterling contrabande; hg toch moet een geestelijk leven leiden, al het aardsche verzaken, en zoover maar immer mogelgk aan al het „natuurlijke" afsterven.
Daarom begrijpen wg wat hg in een anderen brief schrijf: aan ieder bedrijf, dat van den landbouwer, zeevaarder, koopman, is een eigen moeite verbonden; deze echter is niet om haar zelfs wil verkieselijk, maar tol het genieten van hot verwachte goed."
Dit aardsche goed mag echter voor den man van het klooster niet begeerlijk zgn; hij mag er niet naar jagen. En toch, hg moet arbeiden; de arbeid heeft ook in zijn leven beteekenis en waarde,
Basilius zegt het zelf: „hij, die werken kan, moet niet werkeloos zijn brood eten; maar ook hij, die bezig is met iets dat tot eere van Christus strekt, moet zich gverig inspannen, om zgn werk naar vermogen te doen. Men moet niet van den êênen naar den anderen arbeid overgaan zonder toestemming van de oversten".
Men ziet, gverig en gestadig arbeiden wordt aanbevolen; wispelturigheid wordt bestreden; regel bg den arbeid, en zich schikken naar de regels van het klooster wijst hg als noodzakelgk aan. Welke waarde en beteekenis nu heeft al die arbeid?
Niet dezelfde als voor den gemeenen man. Deze staat anders in het leven, niet op eenzelfden trap als degene, die in het klooster zich aan de geestelgke dingen wijdt.
Hem wordt de arbeid aangeprezen uit anderen hoofde.
Laat ons bijv. hooren, hoe een jongere tgdgenoot van Basilius de gemeente van Antiochië toespreekt, wij bedoelen den om zijn "welsprekendheid beroemden Johannes Ghrysostomus, van 386, pres byter te Antiochië, van .398 patriarch van Constantinopel,
Chrysostomus nu, predikend naar aanleiding van 1 Tim. 6 vs. 17 over den rgkdom, prijst den arbeid aan. Hij noemt het een werk van Gods liefde tot de raenschen, dat het genot van een rust, die zoet is, niet te koop is voor goud of zilver, maar door arbeid en moeite. Na den arbeid is de slaap zoet, zegt hij. Maar de rijke ligt dikwijls den ganschen nacht op zgn legerstede zonder slaap, en hoeveel moeite zij ook doen, ziij genieten die weldaad niet. De arme echter, ophoudende met zgn dagelijkschen arbeid, heeft vermoeide leden; en reeds voor hij zich neerlegt heeft hg den waren slaap te pakken, ook hierin een niet gering loon op zgn' rechtmatigen arbeid ontvangende.
Deze prediker wgst er zijn gehoor op, hoe God van den beginne den mensch den arbeid heeft aangewezen, niet als straf, maar hem opleidend en om hem wijs te maken.
Eigenaardig is daarbg zijn voorstelling: toen Adam zonder arbeid leefde, viel hg werd uit het paradijs verdreven; doch toen de apostel in arbeid en moeite was, 2 Cor. 11 vs. 27, werd hij in het paradijs opgetrokken, vgl. 2 Cor. 12 VS. 1-4.
Deze beschouwing laten wg overigens voor hetgeen zij is, en willen alleen nog de slotsom vermelden, waartoe hij komt: „laat ons dus den arbeid niet verachten en het werk niet smaden".
Eenzelfde toon klinkt in een andere rede, door Chrysostomus gehouden over Rom. 16 VS. 3, „Laat ons voor den handenarbeid ons jiiet schamen, en niet meenen, dat werken schande is; neen, werkloosheid, en niets te doen te hebben. Want ware werken schande, Paulus zou het niet hebben gedaan. En ware handenarbeid schande, hij zou niet gezegd hebben, dat wie niet werken, ook niet moeten eten. Alloen zonde is schande, en werkeloosheid pleegt zonde te baren. Want wat de toom is voor het paard, is de arbeid voor onze natuur. God heeft den mensch allerlei arbeid bevolen, opdat het bezet zgn hiermede den geest van hem, die arbeidt, van alle boosheid zou afhouden.
Indien iemand zich schaamt, laat hg zich voor de zonde schamen, en zich schamen te doen wat niet behoort, maar roemen in werk en handenarbeid. Zoo zullen wg door den arbeid de verkeerde gedachte uit onzen geest gemakkelgker verdrg ven, de behoeftigen kunnen helpen, en niet aan eens anders deur lastig zijn.
Hierom hebben wg onze handen, om onszelf te helpen.
Wie werkeloos is, terwijl hij gezond is, is ongelukkiger dan een koortslgder; déze verdient medelgden; maar gene doen hun goede gezondheid smaadheid aan, worden terecht van allen veracht als overtreders van Gods wetten, en menschen, die hun ziel verkleinen. Rust maakt alle dingen minder; In deze preek van Chrysostomus inden wij een gedachte naar voren geracht, die ons aan een antwoord kan helpen op de vraag; welke waarde heeft de arbeid voor den mensch, die, aan de wereld afstervend, zich aan de geestelijke dingen wil wijden? Indien het er hem niet om te doen mag zijn, om zgn voedsel te arbeiden ; indien het nog veel minder om de vrucht van zijn' arbeid om de levensvreugde en het levensgenot, daardoor te verwerven, mag begonnen zgn, waartoe dan voor den kloosterling nog arbeid? Arbeid, zoo zegt Basilius hier, is een hulpmiddel; arbeid kan dienen om de verkeerde natuur ten onder te heipon houden en booze gedachten te verdrijven. Wat hij hier terloops in een zgner preeken tot het volk zegt, is in de bechouwingen van vele schrijvers uitgewerkt, die over het kloosterleven schrqven en daarvoor hun raadgevingen doen hooren. Dit willen wg met een paar voorbeelen toelichten; ditmaal door een enkele aanhaling van een paar mannen uit de westereche Kerk ; dan blijkt ons tevens, dat gelijksoortige grondbeginselen en fundamenteele beschouwingen, wsarook gehuldigd, zich steeds langs Ignen bewegen; die op hetzelfde punt uitkomen. Of wij deze in het Oosten of in het westen aantreffen, eene levens-ideaal en levenswaardeering als in het kloosterwezen aan het woord is, leidt als vanzelf tot een waardeering van den arbeid als een middel in den strijd van het geestelgk leven. Inderdaad is dit eene beschouwing, die wij reeds in de 4e en 5e eeuw aanrefifen bg den geleerden en bereisden Hieronymus (345—420), die een deel van zijn leven in kloosters doorbracht, en den iets jongeren tijdgenoot Augmtinus 354—430), Hieronymus, die een verbazend groot getal brieven schreef, heeft in méér dan éen ook zgn' raad ten beste gegeven over de dagverdeeling en de verrichtingen, die hij prijzenswaardig achtte. Aan een aanzienlijke dame te Rome schreef hij over haar dagindeeling; allereerst acht hg psalmzingen, gebed en bijbellezen noodig. Verder beveelt hij allerlei arbeid haar aan, als spinnen, weven en dergel. „Als gij met zooveel verschillend werk bezig zgt, zullen de dagen u nooit lang vallen. Gg moet ook niet met werken ophouden, omdat gij door Gods goedheid aan niets gebrek hebt, maar gij moet als alle anderen arbeiden, opdat gij door den arbeid in staat sijt aan niets anders te denken dan hetgeen tot den dienst des Heeren behoort. Een ander, een monnik, ontvangt allerlei raad om geestelgke oefeningen te verrichten, en bovendien ook dit advies: „doe ook eenig werk, opdat de duivel u altijd bezig vinde" Allerlei arbeid als manden-vlechten, tuinbouw, enten en stekken, is goed. Hieronymus prijst den regel der Egyptische kloosters, welke niemand opnemen, die niet werken kan, „niet zoozeer wegens het levensonderhoud, als wel wegens het heil der ziel, opdat deze niet afzwerve in ijdele gedachten." Ten slotte wgst hg naar zichzelf als een levend voorbeeld: In zijn jeugd trachtte hg zgn onstuimige natuur te bedwingen door veelvuldig vasten; doch tevergeefs; zgn geest bleef branden van allerlei gedachten. Toen greep hij naar het middel van den arbeid, en begon de Hebreeuwsche taal te leeren. Dat kostte hem veel moeite, wanhopige inspanning soms. Maar hg hield vol. En ik dank God, dat ik van het bittere zaad dier taalstudie zoete vruchten pluk." Ook Augustinus spreekt zich meermalen in denzelfden geest uit.
Een geschrift van hem is bepaald aan „den arbeid der monniken" gewgd. Hierin komt hg op tegen de zucht van sommigen, om zich in een klooster terug te trekken, teneinde allen arbeid te laten varen. Zoo iets komt, meent hg, volstrekt niet te pas. Menschen, die een hoogen post bekleedden, gaan in het klooster, en verrichten handenarbeid. Zouden dan in het klooster arbeiders werkeloos mogen worden?
Hg verwijst daarbg naar het voorbeeld der aartsvaders, die de kudde weidden, der apostelen. Vooral Paulus; en houdt allen arbeid voor goed, die eerlijk en zonder bedrog is.
En zoo zouden wg verder kunnen gaan met aanhalen.
Doch wg willen hiermede volstaan. Uit het weinige, dat wg aanvoerden, zal wel duidelijk zgn, dat ook in de waardeering, die de arbeid voor den „geestelgke" vindt, toch een eigen visie van de christelgke religie valt op te merken.
„Monniken-werk" moge dan niet om zijns zelfs wille worden gewaardeerd, niet zgn doel hebben in zichzelf, als een gehoorzamen aan een scheppings-ordinantie; evenmin vinden wg hier een min-achten van den arbeid.
Integendeel, hg wordt hoog aangeslagen, als een zedelgk hulpmiddel, als een middel in den strijd van hem, die grijpen wil naar het geestelijk ideaal, gelijk dat in de Katholieke Kerk werd verstaan. *
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's