Uit het kerkelijk leven.
Ailes vraagt om een oplossing, IIÏ.
We hebben eerlgk onder de oogen te zien den werkelgken toestand van de huidige Ned. Herv. Kerk. Want het gaat niet over de Kerk zooals zij er in de 16de of 17de eeuw uitzag, maar het gaat over toestanden van 1919 ea over de vraag hoe wij iiu in 1919 liet kerkelijk probleem hebben op te lossen.
Nu is er aanstonds groot verschil als 't gaat over de vraag belangende den concreten toestand der huidige Ned. Herv. Kerk, Want dan gaat de een met kracht van woorden beweren, dat de Herv. Kerk een Kerk is met leervrgheid, terwijl de ander komt zeggen, dat de Herv. Kerk een belgdende is en een confessioneel karakter heeft. En hier ligt wel mee het hart der kwestie, welke in 't geding is.
Als de tegenwoordige Herv. Kerk een Kerk met leervrgheid is, dan moet zij het in 1816 of daarna geworden zijn, want vóór dien tgd was zij het zeker niet.
Breed willen we nu hierover niet uitwijden. We hebben dat reeds zoo dikwijls in de kolommen van ons Bondsblad gedaan en onze brochure „Óver de leervrgheid in de Nederl. Herv. (Geref) Kerk, 1ste stuk 1916" ligt daar om te worden nageslagen. Men kent ons standpunt, waar wij beweren, dat onze huidige Herv. Kerk een confessioneel karakter heeft en leervrgheid verbiedt. Maar met een enkel woord willen we toch even op de kwestie hier ingaan. En dan zij hier nog eens herinnerd aan het woord van prof. A. M. Gooszen: „De waarheid is ongetwijfeld deze, dat nog voor, noch in, noch na 1816 officieel de leervrgheid is ingevoerd; dat zeker iu naam en naar de letter de Kerk confessioneel bleef in 1816". (Kerkel. Ct. 19 Juni 1914),
Hierbg voegen we eea^ tweede uitspraak en nu van de Synode zelve. Want in de Acta van de Synode van 1912 blz. 390 lezen we: „Uwe Commissie kan zich vereenigen met de bewering in de toelichting van den Geref. Bond ter verbreiding en verdediging der Waarheid, dat noch in 1816 noch in latere jaren de Synode ooit heeft toegegeven, dat er geen kerkelgke leer op kerkelijke belijdenis zou bestaan en dat de hoofdwaarheden dier leer zouden mogen worden geloochend".
Deze twee uitspraken van een vrijz. kerkelijk hoogleeraar en van een Synodale Oommissie stemmen dus wonderwel met elkaar overeen, en bevestigen onze meening, dat onze tegenwoordige Herv. Kerk een belijdende Kerk is en een confessioneel karakter heeft.
Leggen we hier nu een stuk van ouderen datum naast en wel een „Inlichting" welke de Synode van 1861 (81 Juli) gaf, dan lezen we daar't zelfde, want daar staat: „De leer der Herv. Kerk, in art. XI Algem. Regl. (vroeger art. IX) genoemd, is de leer welke in de aangenomen Formulieren van Eenigheid der Ned. Herv. Kerk begrepen is en nooit is er een andere kerkelgk geijkte leer der Herv. Kerk geweest". Prof. Bell sprak in zgn rapport iu den jaren 1874 (Syn. acta blz. 140 etc.) niet anders; gelijk de bekende Amsterdamsche predikant ds.. Vos in zgn Kerkrecht blz. 26 schreef: „den Kerkbestuurder goW art. 9, thans art. 11 van het Algena. Regl. het welk met ronde woorden van hen vorderde: de handhaviqg van de leer der Herv. Kerk — natuurlgk gelgk ^g uit de aangenomene Formulieren van Eenigheid gekend wordt".
Of het ons aangenaam is of niet, dat de Herv. Kerk er een belijdenis op na houdt, dat zg in héél haar openbaring een confessioneel karakter draagt, daar gaat het nu niet om. Ook niet, hoe sterk of hoe zwak dat confessioneel karakter is. Maar dat de tegenwoordige Herv. Kerk ook in haar reglementairen vorm een belgdende Kerk is staat, boven allen twijfel vast. En de rasch-echte moderne zal dan ook met ds. Horreüs de Haas aandringen op verandering in deze, zeggende: „wil de Herv. Kerk het niet wag^n met die vrgheid, zg zal steeds meer eerlgke harten van zich vervreemden en ten slotte haar eigen graf delven". (De Belgdenisquaestie in de Ned. Herv. Kerk blz. 46).
Hier zetten we dan ook een handwijzer bij de vraag: wat is de oplossing van het kerkelijk probleem. De modernen toch moeten aansturen op een Kerk zonder dogmatischen grondslag en de tegenwoordige grondslag der Herv. Kerk moet verruimd worden; alles wat aan de aloude kerkelgke leer herinnert moet weg en het moet worden, gelijk het sinds 1913 in de Evangelisch-Lutersche Kerk is: de geloofsvrgheid van iedere gemeente en van ieder lidmaat mag door niets of of niemand worden aangetast of belemmerd.
Daar heeft men evenwel van vrgzimiigé zijde nu honderd jaar op aangestuurd in de Herv. Kerk. En de pogingen daartoe aangewend zgn niet weinige geweest. Het resultaat is ook niet geheel gelgi nul gebleven.
In 1864 gaf de classis Kampen aan de Synode in overweging: „om uit de reglementen de bepalingen te nemen welke spreken van de handhaving harer leer en alle artikelen weg te nemen, die aan de gemeente in de doopebediening harer kinderen, in het belgdenis afleggen harer kweekelingen en in het vieren van het avondmaal eenigen band opleggen, waardoor b? ar gewetensvrijheid belemmerd wordt."
Maar bg deze en vroegere en latere pogingen om het confessioneel karakter der Herv. Kerk uit te bannen, heeft het steeds geklonken: de leer der Kerf is er en blijft er en we zullen niet dulden „dat de hoofdwaarheden dier leer zullen worden geloochend" (acta 1912). Het is steeds gezegd en herhaald: men mist in de Herv. Kerk het recht, om te leeren wat men goed vindt, want in de prediking, op de catechisatie, bij den doop, bg het avondmaal, ja in alles, moet het belijdend karakter der Herv. Kerk uitkomen en gehandhaafd worden.
Men mag niet preeken wat men «il. Men mag niet doopen zooals laen wü. Men mag niet de nienwe lidmaten bevestigen zooals men wil.
Men mag niet avondmaal houden zooals men wil,
In alles is men in de Herv. Keek gebonden aan den geest der kerkelijke belgdenis, aan de hoofdwaarheden der confessie.
Of men dan niets bereikt heeft van vrgzinnige zgde door AI de pogingen, om de kerkelgke belijdenis op losse schroeven te zetten?
Zeer zeker! 't Welk ook de practijk van ons *kerkelgk leven wel bewgst, waar het moeü^k te ontkennen valt, dat er feitelijk in het midden der Herv. Kerk leervrgheid is,
Feitelgk.
Maar eerlgk de dingen genomen zooals ze zijn, mist men nc^ altiyd het reeht daartoe. Met die vrgheid heeft de Herv. Kerk het tot op heden niet durven wagen"!
En noch onder de predikanten, noch onder de godsdienstonderwgzers, noch onder de gemeenteleden die er iemand, die met recht - kan zeggen: de Kerk geeft mij vrgheid te leeren en te gelooven, te vragen en te antwoorden, te doen en te laten wat ik wil. Ze sullen allen saam, en ieder persoonlgk eerlijk moeten beladen: we hebben ons verbonden aan eeu Kerk met een belqdenis, waarbq we beloofd hebben het wezen en de hoofdzaak van die belqdenis voor te zullen staan en te zullen handhaven in en b^ alles. Zoodat ten slotte waar is en blgft, wat prof. dr. J. J. van Toorenenbergen, Symb. geschriften 2de dr. blz. IX schreef: „De Symbolische Schriften of Formulieren van Eenigheid, gelijk men ze later naar het voorbeeld van de Luthersche Zusterkerk noemde, moeten nog altgd uitwqzen of wg kinderen van het kerkelijk huisgezin zijn."
In zooverre is dan ook de vrijzinnige actie, nu honderd jaar gevoerd, zonder beoogd succes gebleven. Het confessioneel karakter onzer Herv. Kerk bestaat nog.En de rasch-echte moderne moet spgtig verklaren: de Herv. Kerk heeft hetmef met de vrijheid durven wagen."
Nu hooren we dadeliijk vrijzinnigen, die ons hier in de rede vallen.
We denken b.v. aan prof, dr. B. D.Ëerdmans, die in Het recht der Vrijzinnigen in de Ned. Herv. Kerk. Pro. blz. 4 zegt: „als een overblgfsel uit den ouden tijd der leertueht staat daar art. 11 van het Algem, Regl., dat aan allen die bestuursbetrekkingen bekleeden in de Kerk opdraagt: de zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in het algemeen, als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis" enz. Maar alle organieke reglementen die dit artikel toepassen, spreken niet van de leer, maar van „den geest en de beginselen van de belijdenis der Ned, Herv. Kerk", van „de beginselen en het karakter der Ned. Herv. Kerk hier te lande (art. 3 Regl. voor kerkel. opzicht en tucht; art, 27 Regl. op het examen ter toelating tot de Evangeliebediening). En, wat deze geest en die beginselen omvatten is nergens omschreven, "
Dat laatste moeten we hebben, want daar gaat het om. Prof. Ëerdmans meent hierbg natuurlgk, dat de vrijzinnige hier 't hoofd omhoog kan hefPen, rustig ieder kan aanzien en zeggen: ziet ge wel, dat de Herv. Kerk een vrg zinnige Kerk ist
Maar dan meenen we, dat men zich vergist. En dat een echte vrgzinnige hier zuchtend moet zeggen: overal worden we herinnerd aan de leer der Kerk en overal zijn we verplicht met die kerkelijke belgdenis ééns geestes te zijn en in beginsel er mee overeen te stemmen in geloof en leven, in handel en wandel.
Men moet het Evangelie van Jezus Christus prediken ééns geestes zijnde met de belgdenis der Kerk.
Men moet den Doop bedienen en het Avondmaal, ééns geestes met de belgdenis der Kerk.
Men moet vragen stellen bij de openbare belgdenis der jonge leden der gemeente, ééns geestes met de belijdenis der Kerk.
Men kan dat goed vinden, of slecht vinden, daar gaat het op 't oogenblik niet om, mftar èn de grondwet der Kerk èn de organieke reglementen herinneren steeds, tot bij de persoonlgke Kerk visitatie toe, dat men in de Herv. Kerk zich bevindt, welke Kerk er een belijdenis op na houdt en welke Kerk wil, dat die belgdenis zal worden nageleefd en gehandhaafd.
Van een wagen met de vrijheid, zonder meer, zgn we dus nog vér vandaan! „indien de Synode iets veroordeelt, dan is het de vermenging van allerlei leerbegrip en de gelijkstelling van ieder stelsel, als waardoor de weg gebaand wordt tot ongeloof en geheele verzaking van het Evangelie" verklaarde de Synode van 1841.
En om het oordeel van den modernen Prof. Dr. J. H. Scholten, 't welk hg had over die bekende woorden „geest en hoofdzaak" hier nog weer eens even te memoreeren: „Het was, " zoo zegt hij in zgn boek „de Leer der Herv, Kerk" T, 99: „het was de bedoeling der Synode niet, om met de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaak, de deur voor subjectieve willekeur te openen, zoodat het aan ieder zou vrgstaan, voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem. goed dacht, maar wel degelgk om hetgeen naar den gqest en de beginselen der opstellers als het wezen en de hoofdzaak der formulieren behoort aangemerkt te worden-"
Dus Guido de Bres, Calvijn, Ursinus, de Dordtsche Vaderen enz., die moeten hier zoowat zeggen, wat den geest, wat het beginsel, wat het wezen, wat het karakter, wat de hoofdzaak van de Herv. belgdenis en de Kerkelgke leer is, en in overeenstemming daarmee hebben wg ons in het midden van de Herv, Kerk te gedragen!
Zoo hebben dus de woorden „geest en hoofdzaak, " ook de gewenschte vrglieid niet gebracht, gelgk dan ook voor ieder die de geschiedenis van die woorden, in onze reglementen voorkomend, kent, ook wel duidelgk is. Want de vrgzinnigen hebben die woorden niet gevraagd en niet begeerd. De vrgzinnigen begeerden en vraagden héél, héél wat énders. Maar dat hebben ze nooit gekregen Dat kon er nooit doorgehaald worden = Dat gonk altijd weer voor de schakel weg. En meende men soms het bgna te hebben, wat men gevraagd had, dan verdween het ten slotte toch weer. De vrijzinnige Kerkidee hebben ze nooit kunnen verwezenlijken in het midden van de Herv.Kerk, Het eenige wat men ten slotte gegeven heeft is de omschrijving „geest en hoofdzaak, " maar onder een dubbele last bezwaard:1ste zou art. XI blijven en 2e moest men bij de woorden „geest en hoofdzaak" steeds bedenken, dat niet ieder voor geest en hoofdzaak zou mogen doen gelden, wat hem goed dacht!
Bij de laatste actie in zake schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" is dat nog weer eens officieel door de Synode verklaard, dat alleen zó6 de woorden zouden blijven staan.
Niet, omdat de Herv. Kerk zonder belgdenis is Geenszins,
En de Kerk met haar belijdend karakter wil haar Confessie ook gehandhaafd zien, niet ad litteram, maar dan toch wat den geest, wat de hoofdzaak van die belijdenis aangaat.
Daarom leeft onder de modernen ten opzichte van de oplossing van het kerkelijk vraagstuk o.a. déze idee: we moeten een Kerk zonder dogmatischen grondslag - — en nu is één van de mogelijkheden om daartoe te komen misschien te trachten don tegenwoordigen grondslag te verruimen, zóo te verruimen, „dat alles wat in de reglementen herinnert aan de leer weggenomen wordt en alles wat aan de gemeente in dedoopsbediening harer kinderen, in het belgdenis afleggen harèr kweekelingen en in het vieren van het avondmaal eenigen band oplegt, waardoor hare gewetensvrijheid belemmerd wordt, wegvalt."
Maar er zal wel niemand zijn onder de vrgzinnigen, - die er nog op hoopt, dat dit nog wel eens spoedig gebeuren zal in onze Kerk,
Gebeurde het echter, dan waren de vrgzinnigen klaar.
De orthodoxen zouden dan de Herv. Kerk moeten verlaten.
Zóo zou men dan de oplossing van het kerkelgk vraagstuk bereikt hebben: de vrijzinnigen blijven, de reehtzinnigen gaan.
Daar er wel niet veel kans is op een dergelgke beslechting van het geschil en oplossing van de moeilijkheden, willen we ook nog een dodere wiijze van oplossing bg dit kerkelgk probleem onder de oogen zien.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's