Uit de Pers.
Indien de dingen eens in het rechte licht gesteld werden en men elkander eens wilde begrijpen en ieder eens eerlijk voor den dag kwam, wat kon er dan, ook op kerkelijk terrein, nog veel bereikt worden, dat waarlijk voor de Kerk tot een zegen zou kunnen wezen.
Daar is b.v. de z.g.n. gezangenkwestie. Als daar eens meer licht in kwam, meer eenstemmigheid, meer eerlijkheid ook, wat zou dat heerlgk wezen.
We hebben zelf wel eens onze meening breedvoerig uiteengezet. En we hebben ontdekt, dat er onder de gereformeerden in en buiten onze Kerk velen zgn, die er eigenlgk net precies zoo over denken. Nu vinden we het niet raadzaam om er dikwijls en veel over te schrgven. De wgze moet tiijd en plaats weten te onderscheiden. Maar de kwestie is aan de orde en blgft natuurlgk aan de orde. En o! wat zou het een zegen zijn, als deze zaak eens goed kon en mocht worden opgelost!
't Lijkt ons toe dat het artikel, dat we in „de Ster" van Vrijdag 2 Mei lazen waard is onder veler oogen te komen. Het is van de bekende schrijfster mej. H. S. S. Kuyper en luidt aldus; „Met belangstelling en instemming ik in de voorlaatste „Ster" de samenspraak van den predikant (Poortwachter) met zijn catechisant over de z.g.n. „gezangen" quaestie. Zoogenaamd. Want het is volkomen waar, dat wg, leden det Geri^formeerde Kerk, in onzen eeredienst wél degelijk „gezangen" zingen. Ons „kerkelgk liederboek", om het zoo eens te noemen, bestaat uit twee deelen.Ten eerste een bergming der 150 Psalmen en ten tweede een Gezangenbundeltje van twaalf gezangen, waaronder enkele zeer mooie, o.a. de heerlijke oude „Avondzang". Maar ons Gereformeerd Gezangenbundeltje bevat ook n.b. een Bedezang vóór en een nö, hel eten!De eerste met den al heel leehjken regel;
„Dat w' ons gedragen als 't behoort",
Dat wij zóo iets in onze Kerken wd en het prachtige Te Dernn (Gezang) dien kostbaren schat van de Christelijke Kerk aller eeuwen en aller landen nw „mogen" zingen in onzen eeredienst, dê, t noemde ik in mijn „Vacanlk h] Engeland" „vrg willige armoede van menschen, die schatrijk zijn".
Ik geloof, dat wij. Gereformeerden, met de gezangen-quaestie nooit tot een oplossing zullen komen, als wij dat woord „gezangen" niet laten varen. Het woord „gezangen" heeft nu eenmaal een ethischen bgsmaak. Het heeft voor een gereformeerd oor een ethischen „bijklank". Een domino, die „gezangen laat zingen" — nu, dan weten we het wel, Dat z.g. „gezangen zingen" kan nu eenmaal niet door den gereformeerden beugel.
Er zijn meer woorden, op zichzelf goed en best, die zulk een „bijsmaak" of beter „bijklank" hebben.
B.v. „Christelijke en maatschappelijke deugden". Is dat niet op zichzelf iels moois en goeds? Deugd is best. Een maatschappelgke deugd — iets voortreffelgks. Esn Christelijke deugd — 't mooiste, dat er bestaat.
Maar als we lezen of hooren van „Christelijke en maatschappelijke deugden", dan zien we noch deugden, noch maatschappelijke, noch Christelgke deugden, maar we zien een openbare school en een godsdienstloozen onderwijzer, en kinderen die buiten geloof en Bgbelom tot braafheid moeten worden gebracht, Bij deze „Christelijke en maatschappelijke deugden" ruiken we lont. We staan midden in den schoolstrijd. En we denken meteen met groote dankbaarheid aan onze prachtig geslaagde actie voor onze eigen „Scholen met den Bijbel".
Ik noemde zooeven 't woord „braaf", Dat is ook zoo'n woord met een „bijklank", „Braaf" is al weer op zichzelf iets alleszins aanbevelenswaardig. Maar ' we moeten er niets van hebben, 't Is jargon uit het andere kamp. 't Hoort in de sfeer van „Het Nut van't Algemeen".
Alweer zoo'n uitdrukking. „Nut" op zichzelf is toch iets zeer begeerlijks.
Nuttig zgn, iets voortreffelgks. En dan nog al „het nut van 't algemeen". Het kan niet mooier! Maar als we hooren van „Het nut van 't algemeen" denken we noch aan 't nut noch aan 't algemeen, maar aan een duffe, dommelige, verouderde geestessfeer, zonder historische diepte, zonder élan, zonder al wat frisch is en bezielt, een poel, windstilte — en er bij een onheilspellenden achtergrond van haat tegen „de fijnen".
En precies zulk een woord is nu ook het woord „gezangen". Het heeft in ons kei keiijk leven nu eenmaal een bijzondere be teekenis voor ons_ gekregen. En net zoo min als wij in onzen schoolstrijd de leuze hadden kunnen aanheffen, dat wij scholen met den Bijbel wenschten ten einde onze kinderen te kunnen opvoeden tot alle Christelgke eu maatschappelgke deugden — wat de christelgke school toch wel degelijk doet; net zoo min als de Vrije Universiteit had kunnen opgericht worden „tot nut van 't algemeen" — een „nut" dat zij toch feitelgk wèl beoogt; — net zoo min als wij ooit zullen zeggen, dat Calvgn een «braaf man" was — wat hg toch ontegenzeggelgk geweest is; — net zoo min zullen wij ooit in onze Gereformeerde Kerken „de gezangen" ingevoerd krijgen.
Bovendien — ik hoop waarlgk, dat wg bewaard zullen blijven voor de invoering van de 274 „Evangelische gezangen" 1 't Is zeker een heele voorraad.
Maar welk een voorraad! Hier is geen keurmeester aan 't werk geweest. Het eenig doel was blijkbaar een dikken bundel met veel gezangen te hebben.
En dat doel is bereikt •— 274 is zeker een indrukwekkend getal. Maar het is eeu ongekeurde, ongeschifte massa. Do heerlijkste gezangen staan er tusscbeo de leelijkste. En — de leelgke gezangen zgn verre in de meerderheid.
Ik sprak van een keurmeester. Ik zou wenschen dat kundige keurmeestere " niet alleen theologische maar ooklettetkundige — voor onzen Gereformeerde Eredienst alleen de oude en diepe en mooie kerkliederen zouden garen uit allerlei bundels, óok uit het bundeltje twaalf „gezangen", die wij in onze 'geformeerde Kerken wêl mogen zingen, zou wenschen, dat die keurmeesters de theologische met de letterkundige het goud haalden uit het erts, het koren uit het kaf.
En dat dan als vrucht van hun arbeid , voor onzen Gereformeerden eeredienst mocht beschikbaar worden gesteld geen bundel gezangen", maar een keurbundel aan kerkliederen
H. S. S. KUYPER,
* En in het Stichtsch Zondagsblad, van, April j l redacteur Prof. dr. H.Visscher, met de vaste medewerking van Dr. H. Smit Geref. pred. te 's Gravenland, M. Woudstra Herv. pred. te Utrecht, A. M. Berkhof Ohr. Geref. pred. te Utrecht, Ds. W. Bieshaar Herv. pred. te Utrecht, Ds. J. E, Goudappel Geref. pred. Utrecht enz., lazen we het volgende artikel:
Gezangen zingen.
In de Hervormde Kerk zoowei als in Gereformeerde Kerken bestaat er een gezangenkwestie De Geref. Kerken hebben de gezangenbundels nooit aanvaard en hadden daar goede reden toe. De Hervormde Gereformeerde broeders weigerden eveneens de gezangen te zingen en hadden daar gelijk in, gelijk om des beginsels wille.
En nu zouden wij het zeer betreuren, als 't lauwe motto ingang vond: „Och stap nu eens over de formeele bezwaren heen en zing, ja zing toch maar!" Immers, 't gaat bij de gezangenkwestie niet om de knikkers, maar om het spel. een Gereformeerde groep die dit "spel" prijsgeeft, heeft meer verloren dan dat spel, heeft in beginsel haar gansche positie prqs gegeven.
De gezangenbundels zooals zy daar liggen, kunnen nu eenmaal door geen enkel overtuigd aanhanger der Nederl. Geloofsbelijdenis der 37 artikelen, zonder leer worden aanvaard. Die bundels accepteeren wij nooit.
Maar toch, uit reactie zijn wij nu wel wat al te ver gegaan. Menig goedig zieltje in de gemeenten is in het vaste geloof geraakt, dat een Gereformeerd en orthodox mensch nu eenmaal nooit een gezang op de lippen neemt en alleenlijk leeft en sterft bq Davids oud-testamentische liederen. Menig eenvoudige broeder leert, dat alle gezang uit den booze is minstens ethische neigingen verraadt, enig orthodoxe rilt reeds zichtbaar leenlqk op den klank van het woord jezang". En dat is veel te erg. Ja, 't is )0 erg, dat de Gereformeerde kerken 1 andere orthodoxe inrichtingen eigenjk niet zonder levensgevaar over gemgen-zingen kunnen gaan praten, 't Is )0 erg, dat men elke poging in deze chting afwijzen moet, alleenlqk reeds vrees voor scheuring, twist en Teespalt.
Eerlijk gezegd, vroeg men ons: „Wilt i in de Geref. Kerken bqv. pleiten 6ór het invoeren van gezangen? " zoo )ude ons antwoord luiden: „Neen, nog iet. 't Is nog te gevaarlqk. 't Is nog te eel een roode lap gelijk. Laat ons vrede 1 rust in dezen nog maar wat bewaren, tdat de geesten op dit gebied minder beooroordeeld en meer rijp zijn geworden." Maar toch, hinderen doet ons dit zeker, l^ant al die heerlijke feestdagen, daar loeten wg maar uit den treure Ps. 150 ingen of Ps. 118 of 103 en herhalen ize liederen op eiken feestdag, arm, zoo arm. Hoe jammer, dat ook niet ens forsch en blijde kan worden geöngen het lied uit Efese: „Ontwaak gij ie slaapt, en sta op uit de dooden. Want •hristus zal over u lichten." Al die eerlqke feestdagen, o hoe mis ik daar iqn lieflqke gezangen en geestelgke ederen. Altoos maar oud testamentisch ons loflied en bedegezang en nooit ens nieuw-testamentisch! Wat zijn wij [ederlandsche orthodoxen toch arm, oodarm. En dat nog wel vrgwillig! Toch zeggen wij van harte: „Nooit anvaarden wij de ons opgedrongen imdels. Nooit die bundels, pasklaar gelaakt voor de volkskerk met al haar iohtingen. Neen nooit, goed confesaioiel, goed orthodox willen wij blgven." Maar of er dan toch iets gebeuren ioet. Ja, dat wel. Br moet iets gebeuren in gevraagd naar de practische uitvoering an wat er dan wel gebeuren moet, eggen wij uit volle overtuiging: „Het aoet uitgaan van het particulier initiatief Jiders komt het er nooit".
Laten enkele begaafde broeders de zinnen en de pennen eens bij elkaar laten zg particulier een bundel amenstellen, daartoe de bekende liederen imenlezende en laten zg dien bundel an vrij en frank in den handel brengen, )e kerk is er dan vrg van en behoeft iiets te beslissen gelukkig. Gelukkig, als de kerk beslissen moet, dan 'ant wet zg om den lieven vrede toch af-'ijïen. Maar laat dan particulieren vrg alk een bundel zgn levensvatbaarheid *obeeren, voor zichzelf en geestelijke en ittïikale propaganda maken. En als 't er an ingaat bg ona volk — daartoe kan ieder orthodoxe die onze armoede in 't kerkgezang gevoelt meehelpen— als 't er dan ingegaan is bij ons volk, nu dan, achteraf, dan kan de kerk heel wat vrijer en blijder dien bundel kerkelijk behandelen en daarna gewyzigd of ongewijzigd achter de psalmen samenvoegen met de ons thans reeds gegeven enkele gezangen. Dat is onzes inziens de eenige weg.
Welke broeders pakken het aan? Hun kaartje aan ondergeteekende en ik breng hèn te zamen.
Dr. S.
Over het zingen van Gezangen.
Ds, J. J. Knap geeft in Oude Paden (30 Mei '19) op de vraag „of de gezangen in de kerk behooren te worden gezongen dan wel of men zich uitsluitend tot de psalmen te bepalen heeft" het volgende antwoord:
Wij antwoorden, dat er binnen afzienbaren tijd weinig of geen hoop bestaat om dezen twistappel uit den weg te ruimen. Niet alleen in de Hervormde, maar ook in de Gereformeerde kerk is de quaestie in 't geding: er zgn in beide kerken vóór en tegenstanders, en dan is er nog een groep, die zich onzgdig houdt, en om den vrede in de Gereformeerde kerken te bewaren de zaak liefst voorloopig laat rusten.
Wat onze persoonlijke meening dan is ? Wel, ons dunkt, dat de vraag vóór alles zuiver gesteld dient te worden. Niet zóó: of de Gezangen in de kerk thuis hooren ? Maar zóó: of Gezangen er hooren? Schrijft men het lidwoord er bij, dan denkt men terstond aan den bestaanden bundel, waartegen niet ten onrechte bedenkingen rijzen. Er zgn toch liederen onder, die de zuivere lijn der Heilige Schrift verlaten en door eeu orthodoxen predikant dan ook nooit opgegeven worden. Er zgn anderen onder, die onnavolgbaar verheven zgn. Wg herinneren slechts aan de vertaling van het machtige Te Deum, dat als een lofpsalm des Heeren alle eeuwen door geklonken heeft: „Wij loven u, o. God, wij prijzen uwen Naam ! U, eeuwig Vader, Ü verheft al 't schepsel saêm. Zingt Serafs, engelen zingt, heft machten aan en tronen! Onafgebroken rijz' uw lied op hooge tonen I Gg, driemaal heilig zijt G' o, God der legerscharen. Dat aard' en hemel steeds uw grootheid openbaren!" en wat daar verder volgt. De vraag waarop het aankomt is nu deze, of men den geheelen bundel verwerpt omdat er óók onzuivere liederen in zijn, dan wel of men bij gebrek aan beter er de diepe en zuivere liederen uitkiest? Het antwoord op die vraag hangt goeddeels van iemands persoon-Igkheid af, en niet minder van het kerkelijk standpunt, dat men inneemt. Wie konsequent aangelegd ia, zal allicht zeggen; een bundel, waarin kettorsche smetten zgn, mag niet op kerkelijk terrein toegelaten worden. Anderen zullen dit in beginsel beamen, rhaar zij houden tevens rekening met de behoefte der gemeente en die van hun eigen hart, om Ohrialus' glorie uit te zingen, en daarom stappen zg over de bezwaren heen en doen een keus uit den bundel. l
De quaestie komt anders te staan, indien men het lidwoord weglaat, van den bestaanden bundel afziet, en kortweg vraagt of Gezangen toelaatbaar zijn? W antwoorden daarop, dat dit feitelijk geen quaestie is. Immers ook in de alleenpsalmzingende gemeenten der onderscheiden kerken worden Gezangen gezongen. Wij bedoelen de Gezangen, die achter de psalmen opgenomen zijn, en die voor 't tneerendeel een Nieuw-Testamentisch karakter dragen. Wie die Gezangen meezingt, kan op principieele gronden naar ons oordeel geen bezwaar hebben tegen het zingen van Gezangen in 't algemeen. Of de bundel klein of groot is, doet aan de zaak niet toe noch af. Aan een betrekkelgk bescheiden bundel is alléén dit voordeel verbonden, dat de psalmen er niet zoo licht door teruggedrongen worden. De psalmen zgn ongetwgfeld 't diepst en moeten de eereplaats blgven behouden. Zij zijn bovendien voor liturgisch gebruik door God zelf aan de kerk gegeven. Kinderen en jonge menschen, - die toch ook leden der kerk zijn, - hebben voor hun hart echter in den regel meer aan gezangen. Gezangen zgn altoos het afgeleide. Psalmen het oorspronkelgke. In een gezang ontvangt men een beker van . het levende water. In de Psalmen welt g de bron, De meeste jonge menschen , kunnen zoo diep nog niet bukken om met volle teugen uit de bron te drinken, ... , welnu, geeft hun een beker-vol, als 't slechts zuiver levend water is.
Wij zouden het dan ook een zegen achten, indien de kerk zelve door bevoegde mandatarissen een bundel liet samenstellen. Men kan uitgaan van het bundeltje achter de psalmen. Nam men daaruit is, dan uit de wat voor kerkliederen geschikt zou het niet al te moeilgk zijn bestaande bundels en andere klassieke gedichten een bescheiden verzameling samen te stellen, waarin Christus met name verheerlgkt wordt,
J. J, K.
In het eerste No. van het Orgaan van den Bond van Ned. Predikanten lazen we hét volgend stuk geschreven door ds. W. A, Hoek, predikant te Laren Gelderland). Hoewel wij vooralsnog met zoo'n Bond niet sympathiseeren, meenen we toch dat in dit artikel veel voorkomt dat waardig is door menig gemeentelid ernstig te worden overwogen.
Laten de gemeenten zorgen, dat zoo'n Bond spoedig heelemaal niet meer oodig is!
Het stuk luidt ais volgt:
De Bond van Nederlandsche Preilcanten en de idealistische beschouwing van het prediicantschap.
„Er ligt in dit opschrift een tegentelling, die om oplossing vraagt. Het predikantschap is een ambt van zuivere idealiteit.
Het gaat uit naar God en wortelt in God, Het wil de drager zijn van geestelgke en bovenaardsche waarden.
Doch de predikantenbond ie een vakbond gelijk iedere andere. Een der hoofdpunten van het program van een vakbond, indien al niet hét hoofdpunt, is de verbetering van de fitiancieelepositie zijner leden. Zoo ook van den onzen. Terwijl het predikanfeopambt staat in het teekeu van het geestelgke, staat de predikanteubond in het teeken van het materieele.
Toch is daarmede over het geestelgk of ohgeestelgk karakter vau den bond nog niets gezegd.
Van het hart zijn de uitgangen des levens. Deze waarheid beheerscht koninklgk geheel de werkelijkheid, de geestelgke zoowel als de stoffelijke. Wil men weten, of een bepaalde fiaancieele actie laag materieel of hoog idealistisch is, men moet de harten kennen van hen, in wie zg geboren werd.
Een groep musici b.v. kunnen een vakbond aangaan, om van hetmusieeeren een zoo winstgevend mogelijke betrekking te maken. De muziek is dan middel, het geld doel. Zij kunnen zich echter ook tot een vakbond vereenigen uit zuivere liefde tot de muziek, wetende dat op aarde geen mensch, ook niet de mensch, die opgaat in de geestelijke dingen, leven kan zonder behoorlijke materieele ondergrond van zijn bestaan. In dit geval is het stoffelijke middel, het geestelgke doel.
Het zelfde geldt van hen, wier levens taak het is, in sobere woordklank de wereld het lied van het Evangelie tej doen beluisteren.
Ik wil den predikantenstand niet beleedigen door te gaan betoogen, hoe bg ons het idealistische moment het beslissende is. Een enkele heenwijzing naar „l'histoire in time" van menig predikantsgezin, is voldoende. Een stand, die den moed bezeten heeft, om steeds openlijk te getuigen van Troost en blgdschap en ondertusschen in stilte, jarenlang gelaten eigen materieele zorgen te dragen, heeft haar sporen verdiend. Men kwetse gewonde strijders niet door van hen het bewgs te eischen, dat zij werkelijk in het heetst van het gevecht gestaan hebben. Er is onder ons geleden, stil en hevig. Even hevig als stil. Maar eindelijk is het losgebarsten. De stille klacht zwol aan tot een gedruisch, al sterker, ij al hoorbaarder en in onze dagen staat de predikantentoestand, gelijk zoo menig andere, midden in de wereld openlijk protesteerend tegen haar nood en luide roepend om verlossing.
Waarom? Omdat wg gevoelen, dat het zóó niet langer gaat. Wij schamen ons niet te zeggen, dat het zoo niet langer gaat met het oog op ons zelf en onze, van God gegeven, vrouw en kinderen. Toch protesteeren wg niet in de eerste plaats als huisvaders, Wg doen het voor alles als ambtsdragers, opkomend voor ons ambt. Het ambt is in gevaar. Ik kan hier wgzen op het numeriek gevaar. Denk aan het stijgend aantal vacaturen eu aan de nieuwe predikantsplaatsen, die moesten gevormd worden, doch niet kunnen gevormd worden door geldgebrek. Verder op al die punten, waar de finan ciëele nood vertroebelend of neerdrukkend inwerkt op de geestelijkheid van het ambt; op de beroeps-l^estiej die zoolang er geen uniforme salarisregeling is, veelal een geld-kwestie zal zijn, op de schade, die ons geestelgk en intellectueele leven Igdt, althans lijden kan, door geldelgke zorgen. Doch dit alles wgkt voor mij terug voor een andere, grootere overweging.
Er is een punt, waarop onze tijd zeer beslist, bgna zou ik zeggen, zeer fanatisch voelt. Het is ten opzichte.van de waarheid, dat de arbeider zgn loon waardig is. Terwijl het vroeger mogelgk was, dat betrekkingen van groote beteekenis en volstrekte noodzakelgkheid (rechters-, burgemeestersambt enz. finantiëel gesproken als eereposten konden worden opgevat, wordt dit tegenwoordig meer ' en meer onmogelgk. Wg gevoelen scherp •, dat wat niet waard is behoorlgk gesala i riëerd te worden, niet waard is te bestaan {Daarom zgn er ten opzichte van het i predikantschap slechts twee mogelgk | heden. De eerste is, dat men den geheelen i predikan tenatand opruimt. Het werk doo jde predikanten venicht, wordt dan veri deeld over de gem«ente| die de versohil» ende ouderdeelen van het ambt als eestelgke liefhebberijen (het woord enomen in neutralen ^in) „pro Deo" an uitoefenen. De tweede mogelijkheid s, dat men het predikautschap in zijn vollen omvang handhaaft. Ik kan hier iet betoogen, waarom het mij gewenscht schijnt, dat er predikanten blijven, d.w.z. mannen die hun volle ziel en hun volle leven aan het geestelijk ambt wgden. Maar zeker is, dat, wanneer de geheele man zich aan het geheele werk moet geven, deze man ook geheel uit zijn werk moet leven. Anders wordt èn de man èn het werk een bespotting.
In onzen vakbond ligt dus een idealistische belijdenis tegenover de buitenwereld. Wij beliijden er mede, dat het predikantschap een onmisbaar geestelijk element in onze samenleving is. Zoodra wg dit geloof zouden verliezen, zouden wg onze salaris-actie laten vallen. Wg belgden tevens met onze salarisactie iets tegenover ons zelf.
Wg zeggen er mede, dat de tijden, waarin het predikantschap geheel of gedeeltelijk als een sinecure kon worden opgevat, onherroepelijk voorbij zgn. De arbeider eu alleen de arbeider is zgn loon waardig.
Wij willen ons een bescheiden maatschappelgke positie veroveren, alleen voor zoover wg dat kunnen in stille arbeiderstrouw.
Zoo ligt in onzen bond een sterke prikkel om getrouw te zgn in het vele, groot of klein, waartoe de Heer ons roept."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's