De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De waardeering van den arbeid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De waardeering van den arbeid.

10 minuten leestijd

IX,

Wij hebben met enkele aanhalingen trachten aan te tooneu, dat in de oude Kerk de waardeering van den arbeid zeerbeslist de invloed der religie heeft ondergaan.

Daarbg kon tevens blijken, hoe inde wordende Katholieke Kerk een tweevoudige waardeering van het zedelgk leven opkwam, een splitsing in het zedelgk ideaal; dat voor den gemeenen man regelde zich naar zedelijke geboden of voorschriften, georiënteerd aan het evangelie; en een hoogere geestelgke staat werd bereikt door hem, die zich wijdde aan hst monnikenleven, waarbg hij evangelische raadgevingen had op te volgen; deze, niet bindend voor ieder christen, waren evenwel verplicht voor hem, die eenmaal de gelofte van het monnikenleven had gedaan.

In dit ideaal van een hooger geeste-Igken staat dan voor den gewonen christen bereikbaar en noodzakelijk was, speelt, gelijk bekend is, de askeze een belangrijke rol. Hoezeer echter hierin Helleensche invloeden aan het woord zijn, toch werkt ook de specifiekchristeïgke gedachte hier door; ook bg dit ideaal, van wereld-ontvluchting en afsterven aan de wereld is de arbeid een facf or van beteekenis; hg komt hier in aanmerking als een hulpmiddel in de worsteling om te grijpen naar hetgeen als het geestelijk hoogste wordt gezocht; de arbeid wordt aangeprezen als een middel om de lusten van het vleesch te onderdrukken, de inblazingen van den Booze te wederstaan, en verkeerde gedachten te verdrijven.

Hierin liggen de lijnen aangeduid, die zonder afwijking, in het algemeen gesproken, verder zijn doorgetrokken.

De Katholieke, met name de Roomsch-Katholieke Kerk, heeft mede daardoor haar stempel gedrukt op de ontwikkeling van het leven in de middel-eeuwen.

Wg kunnen voor het oogenblik dit alles laten rusten, daar reeds in de eerste eeuwen, in de jeugd der groeiende Katholieke Kerk, de beginselen zijn aan te wijzen, die zich in den loop der volgende eeuwen regelrecht zouden pntplooien. "W^^-

Met voorbijgaan dus van een breed tgdperkleggenjwe thans het oor te luisteren om eenige stemmen op te vangen, die bij den aanvang van den nieuwen tgd tot ons doorklinken.

Vragen wij allereerst, wat in de zaak, die ons bezighoudt, het standpunt van den hervormer Luther is geweest, dan treft ons het volgende: Luthers gedachten over den arbeid, waarover hij zich betrekkelijk zelden opzettelijk uitlaat, vormen een onderdeel vaxr en hangen ten nauwte samen met zijne opvattingen over de waarde en beteekenis van des menschen aardsch beroep in het algemeen. En deze staan onder den invloed eensdeels van zijn verleden, anderdeels van wat voor hem de groote centrale waarheid was, waarin hij na lange worsteling en hangen zielestrgd den vrede vond: dat de zondaar gerechtvaardigd wordt uit loutere genade, zonder eenige verdienste zgnerzijds, in het geloof in Christus.

Luthers opvattingen over het aardsch beroep des menschen, dus pok, als een onderdeel hiervan, over den arbeid, worden aanvankelijk geheel beheerscht door zijn verleden. En wel in een dubbelen zin. Vooreest hierin, dat hij zich aansluit bg de gewone middeleeuwsche zienswijze, volgens welke de arbeid in het aardsch beroep behoort tot het creatuurlgke; hij is de, weliswaar door God gewilde, maar dan toch niet meer dan de natuurlijke basis voor het geesteliijke leven; en voor het geestelijke leven niet van onmiddellijke beteekenis.

Zoo zegt bijv. Thomas van Aquino, dat de verscheidenheid in ambt en werkkring toe te schrijven is aan de Goddelgke voorzienigheid, die alzoo den stand der menschen heeft verdeeld en voorts aan natuurlijke oorzaken, door welke het gevalt dat in verschillende menschen^ verschillende neigingen zijn voor onderscheidene betrekkingen.

Zoo schrijft Luther in 1516, dat „de heiligen en geloovigen met de wolken te vergelijken zijn; zij verheffen zich van de aarde, dat is van allen lust en liefde tot het aardsche, en hangen door het geloof alleen aan het evangelie."

Dat Luther in deze periode nog geen oog heeft voor de taak en roeping, die den mensch door God in de wereld is aangewezen, behoeft geen betoog.

Allengs echter maakte Luther zich los van de middeleeuwsche, Roomsche opvattingen, waarbij hg was opgegroeid en waarin hij was onderwezen.

Toch kwam hg in zooverre niet geheel ervan los, dat hg ook in later jaren, big ft polemiseeren, en zich telkens opnieuw moeite geeft, te betoogen, dat er geen hoogere en lagere trap van geestelijk leven is, dat het schouwende leven der monniken volstrekt niet hooger staat dan het bedrgvige van den gewonen ehristen-mensch.

Zoo blijven vele van Luthers uitlatingen ook over de beteekenis van het aardsch beroep en den wereldlgken werkkring anti-thetisch. De gedachte komt telkens naar voren dat de wereld en haar goederen, als door God geschapen, volstrekt niet slecht zgn, maar uitsluitend de wgze, waarop wg er gebruik van maken.

De onderscheiding tusschen igken" en „wereldschen" staat ^ hij straks niet meer, zoodat hij kan: „slechts voor hem is het een klooster of in den priestetjt, onschadelijk, die weet dat de Fchnni vroomste werken der geestelijVej monniken in Gods oog niet raeej dan de arbeid van een boer a[, huisvrouw. Dikwijls zelfs zal dezek voor God meer waarde hebbeu hij geen aanspraak maakt op bigzoi); verdienstelgkheid." Dat is dus een negatieve waardeei eru de eenvoudige arbeid van een een huisvrouw maakt geen aangi spta op bijzondere verdienste voor God met de werken van monuiken telijken wêl het geval is. Welke waarde echter heeft de Jj Igksche arbeid in beroep en betrckk dan wèl ? De beantwoording van deze vraag ; wo bij Luther beheerscht en wg mogen zeggen OOK bemoeilijkt door zijn uitgai, punt: de rechtvaardiging uit geloof, Van hoe ontzaglijk veel beteeke voor het religieuze leven het moge weest zijn, dat hij het licht van i waarheid opnieuw op den kandelaar lij gezet, het valt moeilijk te ontkeüDi dat Luther de beteekenis en plaats i het geloof voor het aardsche leven omgekeerd de waarde en den zlu, de aardsche roeping voor den gelooTJ niet volkomen duidelijk heeft kuna uiteenzetten.

In zijn geschrift „over devrgheidv een christen" wordt de vervulling ^ de aardsche roeping onder verschille gezichtspunt gesteld: vooreerst sprei Luther ervan dat de mensch kraehti de natuurlijke orde der dingen feite! aan het lichaam gebonden is, even aan de sociale gemeenschap; daaromi de geloovige begeeren, Gods genade, i hem zaligt, door liefde-betoon jegensd naaste te vergelden: „ De mensch h niet slechts in het lichaam, maai« onder andere menschen op aarde. Daan kan hij niet zonder werk zijn, hij BI( immers met hen omgaan en te do hebben, ofschoon geen van die hem noodig is tot vroomheid of zalighei Daarom moet zijn opvatting in a werken vrg zgn en slechts daarop richt, dat hij andere menschen dien nuttig zg, . . daar hij voor zichzelf^m heeft aan zijn geloof, en alle andere w en leven hem dienen, om den nai daarmede uit vrg e liefde dienst te wgzen." Ook treffen wg hier nog asketische waardeering aan van den arbi als middel tot tenonder brengen vanl vleesch .• de ziel, die vrijgemaakt is, vin een weerspannigen wil; Lieruiê k& n ieder de mate zien, om het lichaam kastijden; want hg v& st, waakt, arbeil zooveel hij ziet dat voor het lichaam no( zakelijk is, om z'n moedwil te bedwingei

Ook elders keert deze gedachte ten O. a. in de uitlegging van den 127i Psalm (van het jaar 1524), waar hethi zoo behoort de mensch te arbeiden iets te doen, maar tevens moet hij wel dat het iets anders is, dat hem voi dan zijn arbeid en wel de goddel^l zegen; hoewel het schijnt, als ware II zijn arbeid, die hem voedt, daar Godlia zonder Zijn arbeid niets geeft." En diezelfde uitlegging heet het, dat , arbeid voor den mensch eene oefeni in dit lichaam moet zijn, om het vlei te bedwingen."

En eindelijk treffen wg de gedactl aan, dat gezette arbeid in het dagelijkf beroep een vrucht zijn moet van 1 nieuwe leven, door het geloof gewerl

Bij Luther ontbreekt het inzicht i| de beteekenis der Scheppings-ordinantiëi en door het eenzijdig en absoluut neeren van het geloof, van de beteekei van het geestelijk leven, is hij niet machte, den band te leggen tusschen tj uitwendige, dagelgksche leven en innerlgkheid van het geloofsleven.

De arbeid verschijnt bij hem herhi delijk onder het gezichtspunt van ei dienst der liefde, aan den naaste te' wijzen. Doch welke waarde de artó| heeft voor den persoon, die arbeidt, woi niet recht duidelijk. Zelfs dd& r niet, wf hij een enkele maal er van gewaagt»' van een plicht der gehoorzaamheid een goddelijk gebod.

De geestelijke beteekenis van den'arbei ziet Luther daarin, dat de mensch pj' van zijn arbeid, maar van den lijken zegen iets verwacht. Terwijl al» dus alle nadruk valt op het geloof, " het alles inwacht van Gods zegen, tegelijk onduidelijk, waartoe de arböi' dient.

Bij de boven reeds aangehaalde i" legging van Ps. 127 zegt hg o. m. dit: „arbeiden moet men, maar voedsel en de voorraad voor het moet men niet aan den arbeid toesebrijv«'| maar alleen aan de goedheid en zegen Gods.

Bij Ps. 128 VS. 2: „want gij zult etj den arbeid uwer handen, welgelukzs' zult gij zgn, en het zal u welgat"! teekent Luther het volgende aan: dit een genoegzaam groote en allerzoel aanbeveling van den arbeid, of nie' .... Hoor, wat uw arbeid is: een heilige zaak, waarin God behagen

en waardoor Hij u Zijn aegen wil schenken Deze lof van den arbeid moest geschreven fforden op alle werktuigen der handwerkslieden, op het aangezicht dat zweet yaa den arbeid. De wereld toch houdt ^ea arbeid niet voor een zegen, daarom oatvlacbt en haat zij hem. Doch de vromen en die God vreezen, arbeiden laet een vroolijk gemoed, omdat zg het gebod en den wil Gods erkennen. Zoo ziet de godvreezende boer op zijn kar en zijii P'^oeg, de schoenmaker op zqn leder en zqn els, de timmerman op zijn hout en zijn zaag dit vers geschreven: welgelukzalig zult gq zijn en het zal rf welgaan.

E)e gehuwden moeten weten, dat God dit soort van leven verordend heeft, waarin zij zweeten en zich afmatten door den arbeid en den vloek dragen, over. de erfzonde in het parij dij s uitgesproken; verder dat zij daarenboven nog dit weten, dat de' H, Geest hen gelukzalig noemt, die hun taak verrichten en met kracht arbeiden. Dit is zóó groot, dat de vromen gemakkelijk de lasten van den arbeid zullen verdragen."

En zoo zouden wij méér kunnen aanhalen. Maar om der ruimte wil moeten wij ons bekorten.

Zooveel is uit dit weinige wel duidelijk, dat Luther ook ten opzichte van het dagelijksch beroep er niet in geslaagd is, de verbinding te vinden tusschen het geloof, dat tot rechtvaardigheid is en de liefde, die in gehoorzaamheid aan het goddelijk gebod den naaste dient.

Aan de andere zijde echter heeft hij zoo kras mogelijk de opvatting bestreden der Roomsche Kerk, dat er een onderscheid zou ziyn in graad tusschen de werken der monniken en die van den gewonen christen.

„Er zijn, zoo zegt hij, daar alles bepaald wordt door de vreeze Gods, geen in bijzonderen zin goede werken, als het houden van processies, hel branden van kaarsen enz. In dit opzicht verkeeren velen in dwaling. Zij kiezen zich werken, waarvan zij meenen, dat zij God zullen behagen, als gebed, vasten enz. Deze behagen God dan, en zijn dan goed, als zij in de vreeze Gods gedaan worden, ovengoed als het werk van een kleermaker, schoenmaker, burgemeester of vorst of van welken handwerksman of ambt ook."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De waardeering van den arbeid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's