Feuilleton.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 28)
De moeder — och, nu was alle spanning, al dat buitengewone, dat genoodzaakt zgn om er stroef en bedrukt uit te zien, voorbq; ze kon nu weer zichzelf wezen en haar gewónen gang gaan, haar werk doen van den morgen tot den avond, zonder blijk te moeten geven, dat er ook nog iets anders in haar zinnen was. De breede wijde lach, die toch eigenlgk geen lach was, vroor van lieverlede weer vast in haar gelaat.
Maar Ombra Zij, de teere, de gevoelige, treurde. Want zij vreesde, vreesde zoo, dat dit niet maar een tgdelijk gemis was. Of Pemma behouden was of niet, dat roerde niemand aan, ook Ombra niet. 't Was of allen voelden, dat hier diende gezwegen te worden. Stientje eerde de treurnis van haar dienstgenoot, die ze niet meer voor een heiden hield, maar haar in diepen ernst zich voorbij zag streven. En mevrouw — o, ze begreep haar treurende dienstbode zoo goed, omdat ze, ook op dien leeftijd, een zuster had beweend, heel lang, en sedert nooit weer de vreugde had gekend, waarvan ze met haar zuster zoo weelderig veel had genoten, 't Was zelfs, of 't voor mevrouw een zielsgenoegen was, met Ombra over haar zuster te spreken en onder de bekoring van zoo zeldzamen weemoed te komen. Telkens weer zocht ze de bedroefde of liet haar bij zich komen. En — Femma was nu in den hemel, waar ook haar zuster was, en waar zij haar weer zou vinden, Ombra zou ook haar zuster weerzien! Al wat hier gescheiden werd, zou eens hereenigd worden, en allen zouden dan gelukkig zijn van gelijken hoogen stand! Daarom kon ze niet laag neerzien op degenen, die haar dienden, en eerde ze hen als gelijken, want voor God waren alle menschen als kinderen van één Vader.
O, 't was Ombra zoo goed soms, dat alles te horen. Want er was kracht in de woorden van mevrouw, omdat haar leven niet in strqd was met wat ze zeide. Want zoo bezorgd als de goede mevrouw was over Max, zoo was ze het over haar en alle andere ondergeschikten, alsof 't allen haar kinderen waren. Of ze mooi gekleed waren, daarnaar keek ze niet, maar ze hield streng de wacht over 't ondergoed; dat moest warm en degelijk zijn; wol, echte wol! En als ze 't zelf niet konden aanschaffen, dat deed er niet toe; dan zou zy 't wel geven, maar wol, beste, echte wol moest het zijn: wat geen wol was, was waardelooze rommel.
Ombra had in haar moeder nooit iets van die teere zorg over haar gevoeld, waarmede mevrouw haar zoo rijkelijk, zoo weelderig en werkelijk hartelijk overlaadde. En daarom gleden mevrouw's woorden als iets zeer zoets in haar ziel. En dan kwam Max zoo gaarne zich bij haar beiden voegen. Hg ook wist zich een broer van alle menschen, allen kinderen van den eenen Vader. En de gedachte aan 't weerzien van allen, aan 't allen gelijk zgn, daar, waar die tante was, die hij nooit had gekend, maar van wie moeder zooveel heerlqks had verteld,
ls van 't edelste en verrukkeiykste wezen, dat zich zyn ziel kon beelden. Met hun drieën zweefden ze soms zoo zoet, zoo zacht, zoo de ziel wiegend en sussend, zoo bekoorlijk rustig in die dauwende, wazige droomwereld.
Maar nauwelijks was Ombra alleen, alleen met haar arme, verlaten, leege zelf, of ze hoorde weer in haar ziel die tem der uiterste hopeloosheid van haar zuster. En ze wist dan zoo goed, dat wat anderen hielden voor rouw over Femma, allermeest was bezorgdheid over haar zelf. 't Was in haar gaan vragen, of zij bereid was om de poort der eeuwigheid door te gaan. En ze behoefde niet te wachten op een antwoord, want naar alle zijden lag het klaar en bloot rondom haar: zij had geen vrede met God niet alleen, maar ze voelde zich vreemd van God. Ze wou wel gaarne een kind zijn van God, doch ze was het niet. Oom Johannes, en tante Betje, dat waren kinderen van God, maar zij niet. Zooals mevrouw het zei, voelde ze 't wel een ogenblikje als waarheid, maar 't ging zóó weer over: 't was het echte niet. Hoe ze dan toch zoo kon worden als oom en tante? — Misschien waren die van hun jeugd aan zoo geweest. — En misschien was dat noodig ook, dat men van jongsaf zoo was. — En dan was ''I voor haar voor goed verkeken! En daarom had misschien ook voor Femma niets kunnen baten! En 't rilde in haar dat ook zq op haar sterfbed zou liggen, en 't uit zou jammeren in volslagen wanhoop: „Vader, moeder!I 't is uw schuld! — ik ben verloren!'
Ze wist het nu wel, verstandelijk en innerlijk, dat ze al de geboden Gods had overtreden, en zich 't verderf waardig gemaakt. Maar ze wist het zeker dat bij oom en tante de zaak geen sier anders was, want dat had ze aan 't bidden van oom, en aan't spreken van tante al genoeg kunnen merken, Ze wist het, verstandelijk, nu ook dat Jezus Christus, de Zoon Gods, Zijn volk, de kinderen Gods, de wet volkomen had volbracht en hun eeuwige straf had gedragen, dat 't alles, alles volbracht was. {Wordt vervolgd)-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's