De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De waardeering van den arbeid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De waardeering van den arbeid.

9 minuten leestijd

X.

Aan de Heilige Schrift dankt de wereld de erkenning van den arbeid als eene levenstaak, die gezien moet worden in het licht der ordeningen Gods; de erkentenis van Gods ordinantiën en het licht der eeuwigheid, waarin het aardsche leven des menschen verschijnt, brengen een eigen waardeering mede ook van den arbeid.

De christelijke religie heeft ook in dit opzicht een onmiskenbaren invloed geoefend.

Een invloed, die tot in de taal heeft doorgewerkt. Dat n.l. van de levenstaak die de mensch zich kiest, wordt gesproken als van: zijn beroep of roeping is,  gelijk men terecht heeft opgemerkt, te danken aan de Heilige Schrift. En door de bijbelvertalingen, die de H. Schrift aan het volk teruggaven, is dit in het spraakgebruik van vele Earopeesche ivolken doorfiiedrpneen en overgenomen, mei name van de protestantsche.

Dat dit woord beroep, dat in den zin van het werk, waaraan iemand zich geeft, religieus getint, en aan de ge* dachten-sfeer der H. Schrift ontleend is, mag men met gerustheid beweren. En dit te eerder, daar in de Grieksche en in de Latgnsche oudheid een woord, waaraan een overeenkomstige voorstelling verbonden is, ten eenenmale ontbreekt, terwgl ook bg de Roomsch-Katholieke volken van Latijnschen taaistam, aan het woord dat met ons woord hero^ of rowing correspondeert, niet de beteekenis wordt toegekend van „levenstaak".

Daarentegen komt het in deze beteekenis bg alle protestantsche volken voor.

Naar het schgnt wordt het woord „beroep" in wereldlijken zin het eerst gebruikt door Luther in zgne bijbelvertaling en wel bg de vertaling van het apocriefe boek Jezus Sirach, hfdst, 11 VS, 20 en 21, waar hg de Grieksche woorden , .werk" en „arbeid" weergeeft met „beroep": „blijf in uw beroep". De staten vertalers hebben hier: „word oud, doende uw werk" en: „blgf in uwen arbeid".

Overigens gebruikt Luther het woord „beroep" voor hetgeen in de statenvertaling „roeping" heet, d.w.z. van het roepen Gods tot bekeering en geloof.

Dat hij het in wereldlijken zin beziet, en in eene beteekenis, die verband heeft met het eeuwige heil des zondaars, waartoe God door middel van Zijn Woord „roept", is misschien te verklaren uit 1 Oor. 7 VS. 20, waar Paulus schrqft: „Een iegelijk bJgve in die beroeping, waarin hg geroepen is". Paulus spreekt in hfdst. 7 van dezen brief van vs 17 aan over de roeping Gods, welke de geloovigen vóór hun bekeering vond in zeer verschillende levenspositie: de één was slaaf, een ander vrij, de ééne Jood, een ander heiden, doch dit beteekende niets voor hunne roeping tot het heil; Gods vrij machtige genade wist zoowel den onbesnedene als den Jood, zoowel den vrqe als den slaaf te vinden en te trekken. Daarom is het niet noodig, dat hij, die tot bekeering en geloof werd geroepen, naar verandering van levenspositie stond; dien regel geeft Paulus voor alle gemeenten: „gelgk God aan een iegelgk heeft uitgedeeld, gelgk de Heere een iegelgk geroepen heeft, dat hg alzoo wandele", vs. 17; dat geldt zoowel den Israëliet, als den heiden, vfl. 18, den slaaf zoowel als den vrge, V8. 21, 22.

Hiertussohen nu staat dit woord: „een iegelgk blijve in die beroeping, waariu hg geroepen is", vs. 20.

De Staten-vertalers hebben hier het woord „beroeping", dat ook in Ef. 4 vs.4 nog voorkomt. Waarom zg het in Ef, 4 gebruiken, zouden wg niet ktmnen zeg. gen; wat 1 Oor, 7 vs. 20 betreft, is het vermoeden gewettigd, dat zij „beroepvnf kozen om onderscheid te maken tusscheu de roeping ten eeuwigen leven en de beroeping, waaronder hier de staat, de positie, wordt aangeduid, waarin de verkorenen zich bevonden, toen de roeping Gods door hen werd vernomen en op. gevolgd.

Zooveel mag wel als zeker worden aangenomen, dat het woord beroep, verstaan van iemands taak en werk op aarde, na Luthers dagen in het spriiakgebruik van alle protestantsche volken is overgegaan, terwijl het in dezen sdn vóór dien tqd nergens werd gebruikt. Indien wg den oorsprong hiervan mogen zoeken in de eigenaardige, overigens geheel op zichzelf staande uitdrukking in 1 Cor. 7 vs. 20, is het ontegenzeg. gelgk, dat het woord religieus getint is, Deze kle/ihr heeft het zeer zeker allengs verloren, zoodat wanneer wg van iemands b& roep spreken, geenszins aan dit wowk de gedachte meer verbonden is aan een goddelgke ordening.

Doch er ligt toch een gedachte in, die, ook afgezien van den oorsprong en de geschiedenis van het woord, zich volkomen aansluit aan de H. Schrift, aan een waardeering van den arbeid, zooals die onder den invloed der christelijke religie is geworden, gelijk zij ten deele het Luthersch en ten volle in het gereformeerd protestantisme wordt aangetroffen.

Want de uitdrukkingswijze van Paulus moge in 1 Cor. 7 vs. 20 geheel eenig zijn, en nergens elders in de H. Schrift haar parallel hebben, de gedachte, die er in ligt opgesloten, is geheel in overeenstemming met het geheel der Schrift. Wg vinden haar zoo eigenaardig terug in het huwelijks-formulier, dat van lederen eerlgken arbeid gewaagt als van een „goddelijk beroep".

Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat wij bij den vader van het Gereformeerd protestantisme, bg Calvijn een beschouwing en waardeering aantreffen van den arbeid, die aich aansluit bg en past in het geheel zgner opvattingen.

Gelijk zijn uitgaan van Gods souvereiniteit als Schepper en Wetgever van beslissende en alles beheerschende beteekenis is in ieder onderdeel zgner beschouwingen, zoo ook hier.

Enkele voorbeelden mogen dit toelichten, 

Want het Grieksche Woord, waarvan „roeping" de vertaling is, in 1 Cor. 7:20 aangaat, hierbg merkt Calvqn het volgende op: Vocatio", d.i. roeping, is in de Heilige Schrift een wettige levenswijze; het heeft n.l. betrekking op God, die roept, opdat niet iemand deze woorden misbruike om een manier van leven te bestendigen die ongetwqfeld goddeloos en verkeerd is.

Elders, in zgn hoofdwerk, de Institutie of onderwqzing in de christelgke religie, vinden wij deze gedachte breed uitgewerkt. Niet alleen dat hier, gelgk ook elders, het woord roeping voor de dagelijksche plichten telkens terugkeert. Zoo bgv. waar hg, sprekende over het recht gebruik van het tegenwoordig leven en de hulpmiddelen daarvan, matigheid en zelfbeheersching aanbeveelt, met veroordeeling van alle gaan buiten de perken; „waar zal uwe dankzegging zgn, wanneer gij u met spgzen of wqn zóó volstopt, dat gij ongeschikt wordt tot de ambten en werken uwer godsvrucht en uwer roeping? " (III, 10, 3.)

Maar ook doet hij breedvoerig den menschelgken arbeid, zijn dagelgkscbe plichten en levenstaak, verschgnen ondei het aspect van een goddelgke ordening en roeping.

Zoo, waar hg schrijft: „Opdat door onze dwaasheid en roekeloosheid niet alles door elkaar zou raken, heeft H^ de manieren van leven onderscheiden, en aan een ieder zijn eigen plichten en ambten verordend. En opdat niemand lichtvaardig zijn perken zou te buiten gaan, heeft hg die manieren van leven „beroep" genoemd. Voor een ieder is dus zgn wgze van leven een gezette staat, door den Heere hem toegewezen, opdat hij niet lichtvaardig zgn ganscbe leven lang zou worden omgedreven. Deze onderscheiding nu is zóó noodzakelgk, dat al onze handelingen daarnaar door Hem worden gewaardeerd."

Wij moeten weten, zoo heet hét verder „dat de roeping des Heeren begin en fondament is om in alle zaken recht te handelen, . . , Het leven zal dan zeer goed geschikt zjgn, wanneer het naar dat doel wordt gericht. Want dan zal iemand niet, door zgn eigen lichtvaardigheid aangedreven worden om meer te beproeven dan zgn roeping verdraagt... • Hieruit zal ook een voortreffelijke vertroosting ontstaan, dat er geen werk zóó verachtelgk en gering zal zgn, dat mits gg maar aan uwe roeping gehoorzaamt, niet voor God heerlgk blinkt en vooi van zeer veel waarde wordt gehouden." (IIX, 10, 6.)

In deze laatste aanhaling treffen wq een gedachte aan van zeer veel belang, Waarop wq nog nader hopen terug te komen. 

Eerst echter nog een citaat uit een ander geschrift; , waaruit weer dezelfde .opvatting van den arbeid als een goddelijke „roeping" spreekt: „Het woord roeping duidt alle manier of staat van leven aan, door God gevestigd en gegrond in Zijn Woord. Want de Schrift wil dat wij bq dit alles er op uit zijn ons leven in te richten niet door zulk een wijze van doen te kiezen, die ons goed dunkt, maar door te volgen hetgeen God goedkeurt, en ons te houden binnen de perken van Zijn Woord. Voor Calvijn is dus de arbeid, evenals trouwens het gansche bestaan des menschen, getrokken in religieus licht, gebonden aan en te regelen naar het Woord des Heeren. De arbeid is den mensch krachtens scheppings-ordening noodzakelijk, noodzakelijk voor zijn levensgeluk. De aarde, " zoo toekent hij aan bij Gen, 1 VS. 15, is hem gegeven, opdat hij zich zou bezig houden met haar te berbeiden. Waaruit volgt, dat de menschen geschapen zijn om iets uit te voeren, niet om werkeloos en lui neer te liggen. Dit was een aangename en vreugdevolle arbeid, zonder eenigen last en kwelling, en toch, toen God wilde dat ie mensch zich oefenen zoude in het bebouwen van de aarde, heeft hij in zijn persoon trage rust veroordeeld. Daarom is niets tegenstrijdiger aan de orde der natuur, dan zqn leven door te brengen met eten en drinken en slapen, zonder ons ooit bezig te houden met de vraag, wat wij zullen uitvoeren."

Arbeiden, en vreugde te vinden in den irbeid komt dus overeen met Gods scheppings ordening. Naar aanleiding van het woord: „wanneer zij den arbeid uwer handen zult eten, dan zult gij zalig zijn, en het zal u welgaan, " merkt Calvgn het volgende op: De dichter zegt, dat het geluk anders mioet geacht worden, dan de wereld pleegt te doen, die een gelukkig leven ziet in rust, genot, eer en overvloedigen rijkdom. hier echter roept hij de dienstknechten Gods tot soberheid, die door bijna allen wordt veracht. Hoe velen toch, als hun de keus werd gegeven, zouden begeeren te leven van hunnen arbeid, ja, wie zou dit voor een bgzonder goed houden? Zoodra er van „geluk" sprake is, is de menschelijke begeerlijkheid als een onverzadiglijke kolk en breekt ieder terstond uit in onmatigheid."

Zoo wordt de beteekenis en waarde van den arbeid voor den mensch afgeleid uit de ordening Gods.

En uit deze ordening volgt, dat hg niet slechte beteekenis heeft voor den individu, maar ook voor het geheel, waarin hij is ingevoegd.

Doch hierover in een volgend artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De waardeering van den arbeid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's