Uit de Pers.
De eenheid der Gereformeerden.
Het moet er op worden aangestuurd, dat weer alle Gereformeerden in één Kerkverband komen samenwonen. En dan is het van belang te weten, hoe zoo ongeveer de stemming ia deze is .bij degenen, die nu gescheiden van elkaar leven.
In een van de vervolgartikelen in „de Heraut", handelend over de vraag: Is de Herv. Kerk een schqnkerk ? laat prof. dr. H. H, Kuyper zich, in verband met de pogingen onzerzijds om te komen tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk zich over deze kwestie ten duidelijkste uit; waarvoor wq hem dankbaar zqn en wat we hier dan ook gaarne overnemen.
Hij schrqft dan:
„Hebben we met dit feit te rekenen en dus te erkennen, dat nog een belangrijk deel der Gereformeerde gezindheid in de Hervormde Kerk wordt gevonden, dan is het zeker van hoog belang na te gaan, hoe de mogelijkheid bestaat, om met dit van ons afgescheiden deel der Gereformeerde gezindheid weder tot eenheid te geraken.
Nu ligt het iu den aard der zaak, dat wanneer een reformatorische actie ontstaat, die tot een breuk met het bestaande kerkverband leidt, de groep, die, om wat reden dan ook, met deze reformatorische actie niet medegaat, aanvankelqk meer geneigd is om haar blijven in het bestaande kerkverband te verdedigen en liefst haar scherpste pijlen afschiet op degenen, die naar hun overtuiging „de Kerk verlaten hebben, " Zelfs dreigt daardoor de actie tegen het kwaad, dat in de Hervormde Kerk zoo nameloos veel ellende heeft teweeg gebracht, een tijd lang te verflauwen. Zoo was het na de Scheiding in 1834 Er was bij degenen, die met de Scheiding niet meegingen, een bitterheid ontstaan, die vaak in zeer scherpe woorden over de „Afgescheidenen" zich uitte. Het heeft dan ook meer dan een halve eeuw geduurd, voordat een nieuwe reformatorische actie in de Hervormde Kerk allengs zoo aan kracht won, dat een nieuw conflict onvermijdelijk werd en daaruit de Doleantie is geboren.
Hetzelfde kan men ook thans waarnemen. Scheen het aanvankelijk, alsof over de broeders, in de Hervormde Kerk achtergebleven, een „geest des diepen slaaps" was uitgegoten en hoorde men nauwelqks van eehig verzet tegen de ongeestelijke macht der Synodale organisatie, fiJilengs is hier verandej-ing in gekomen. De groep der zoogenaamde „Waarheidsvrienden" heeft vooral in den jongsten tijd een veel zuiverder geluid doen hooren. Hier brak men welbewust, met de valsche idee van de volkskerk en kwam tot inzicht, dat herstel van de Kerk alleen mogelijk was, doordat schei ding werd gemaakt tusschen wat nog trouw was aan de Belijdenis en wat van deze Belqdenis was afgeweken. En ook bq de leiders der Oonfessioneelen heeft, vooral in de laatste maanden, evenzeer een besliste omkeer plaats gevonden. De ontzaggelijke ernst van de tijden, waarin we leven, heeft hen doen inzien, dat de leuze: heel het Volk en heel de Kerk, een utopie is, die niet is te verwezenlqken. Of de poging, die men thans wil aanwenden, om een Constituante samen te roepen en daarna tot vreedzame boedelscheiding over te gaan, slagen zal, weten we niet. Maar het is al veel gewonnen, dat de Gereformeerde broeders in de Hervormde Kerk thans niet langer verdeeld tegenover elkander staan wat het principieele standpunt betreft; dat ze saam pleiten voor een uiteengaan van de verschillende richtingen, opdat deze zich elk kerkelijk kunnen constitueeren ; en dat zq in'verband daarmede de finantieele banden met den Staat willen verbreken en dat ook zq willen komen tot vereeniging van alle Gereformeerden in één Kerkverband.
Deze actie nu ondersteunen we van ganscher harte, en wanneer als gevolg daarvan de Synodale organisatie mocht komen weg te vallen en de Gereformeerden zich los maakten van het zeer gemengd gezelschap, waarin zq thans verkeeren, om weer een eigen kerkelqk leven te organiseeren, dan zouden onze Gereformeerde Kerken geen oogenblik mogen aarzelen om met deze in reformatie gekomen Kerken in kerkelijke gemeenschap te treden en zich met hen te vereenigen. De eisch zou dan niet mogen wezen, dat deze broeders tot ons zonden moeten overkomen, evenmin als hunnerzijds de eisch zou mogen gesteld worden, dat wq onze kerkeraden zouden afdanken en als particuliere geloovigen ons bq hunne kerken zouden moeten voegen, maar de beide bestaande kerkinstituten zouden saam moeten gevoegd worden om de eenheid der Gereformeerde Kerken in ons vaderland weer te doen uitkomen.
Juist daarom is het van zoo hoog belang, dat men de Hervormde Keik en de plaatselqke gemeenten, die tot haar behooren, niet voor een echijnkerk of geen kerk verklaart. Zijn de Gereformeerde Kerken de eenige ware Kerken, de Kerken, die alleer als Gereformeerde Kerken kunnen optreden, en is al wat daarnaast in de Hervormde Kerk nog gevonden wordt, een schijukerk, dan is een vereeniging zooals we ze hopen en bidden van al de Gereformeerden in de toekomst een onmogelqkheid. Met een schijnkerk kan een wezenlijke Kerk zich niet vereenigen. De Gereformeerden in de Hervormde Kerk, dat zou de eisch wezen, zouden zich dan als particuliere geloovigen van deze „schijnkerk" hebben af te scheiden om zich bq onze Kerken als de , ware Kerk" aan te sluiten. En niet alleen, dat zulk een eisch nooit door deze broeders zou worden opgevolgd, omdat dit Iqn recht in strqd zou wezen met hun standpunt, maar elke actie in de Hervormde Kerk zelf, om tot kerkherstel te komen, dan zou met lamheid worden geslagen.
Zoo zal het duidelijk wezen, waarom we het standpunt, door prof Fabiuaten opzichte van de Hervormde Kerk ingenomen, niet kunnen deelen. Hoeveel er in zijn kritiek op de Hervormde Kerk juist moge wezen, er leeft ook in de Hervormde Kerk nog een te belangrqk deel van de Gereformeerde gezindheid om deze Kerk voor een schqnkerk te verklaren. Indien de teekenen der tijden ons niet bedriegen, dan zal zelfs de tqd niet zoover meer af zqn, dat de vraag in zeer ernstigen practischen vorm voor onze Kerken zal komen te staan om den band der gemeenschap met deze Gereformeerde broederen weer aan te knoopen. Dat kon niet, zoolang het valsche dogma van de Volïsskerk tusschen hen en ons als scheidsmuur stond. Uit de zondige vermenging van wereld en kerk, die in de Hervormde Kerk had plaats gevonden, waren we door Gods genade niet verlost, om weer in deze dwaling terug te vallen. Zelfs het hooge goed vau de eenheid der Gereformeerden kon en niocht niet tot den prqs van beginselverzaking worden gekocht. Maar nu op dit punt een radicale omkeer schijnt gekomen te zqn, opent zich in de toekomst weer de hope op hereeniging van Gods erfvolk in onze landen. En daarin zou ook voor onze eigen Kerken de rijkste zegen schuilen. We missen de uitnemende krachten, die onder deze broeders in de Hervormde Kerk gevonden worden, zoo noode. Er is bij hen in menig opzicht een vastheid van overtuiging en een beslist opkomen voor onze Gereformeerde belqdenis, die we «eer hoog waardeeren. We zullen den dag zegenen, wanneer ook de laatste scheidsmuur, die ons kerkelqk nog verdeelt, wegvalt en we weer één volk onder één Koning zullen zqn. Dan eerst zal van deze Gereformeerde Kerk weer een machtige invloed op heel ons volksleven kunnen uitgaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's