Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 30)
En 't groote kind had dan haar bange hart opengelegd en uitgestort voor Mien, en Mien had haar naar Jezus geleid en rüet haar gebeden, en Roosje bleef dan bg Jezus. Voor haar was dat de allereenvoudigste zaak der wereld, dat zg nu den Heere Jezus toebehoorde. Zij had vrede, zij had rust, want niets was voor haar zóó waar, als dat Jezus alles voor haar had volbracht, en alles voor haar was in leven en sterven.
Och, nu was dat groote, logge kind inwendig zoo gelukkig, en ze wou liefst altqd bij Mien en Tante Betje zign, om steeds meer te hooren en te verstaan van wat haar zulk een zoete vrede en rust gaf.
Maar wat ze nu begon te kennen, kon ze niet in woorden brengen, voor Mien zelfs niet; en tot anderen sprak ze nog minder, hoewel een druk gebaar hét Boms verried, dat ze inwendig veel te beleven had. En dat sterkte de meening van wie haar niet kenden, dat de geweldige schok het meisje niet alleen lichamelijk had beleedigd, maar ook haar verstand had gekrenkt. En deverdooldheid over haar aangeboren wezen weersprak niets van dat alles.
Maar niemand wist, wat Mien al eenige malen had waargenomen, dat Roosje, als ze meende alleen te zqn, met haar Heiland sprak zoo kinderlqk, zoo vertrouwend, alsof ze Hem als den liefsten, innigsten vriend, lichamelijk vóór zich zag.
De ouders vonden het 'hëél goed, dat men Roosje wat verzet op „De Polen" wilde bereiden. Ze kreeg haar beste kleeren aan en een overschort mee. En hoewel ze zich nu minder eigen met Ombra voelde dan met haar ouders, was ze toch bigde, met haar zustier te kunnen uittrekken.
Op „De Polen" was ze geen vreemde meer, en mevrouw wist al van de eerste kennismaking, dat er niét veel nadenken in 't meisje zat; 't was bq lange Ombra niet, en aantirekkelgkhdid was haar geheel vreemd.
Maar nu — dat ongelukkige snakken en schokken! — nxx wekte ze deernis. Zóó had het sterven harer zuster haar getroffen! Wat sterk moest die band aan de gestorvene zijn! Wat 'n liefde!
Mevrouw zelf overstelpte haar met al de volheid van haar teere zorg, dompelde haar onder in een wolk van troetelend médedoögen. En Max moest van zgn moeder, en wilde wel ^arne telkens en telkens weer met het ongelukkige meisje wandelen door den grooten tuin.
En mgnheer, die zich zelden vertoonde, en hoegenaamd niet met het dienstpersoneel in aanraking kwam, had haar zelfs een hand gegeten en heel vriendelgk met haar gesproken.
Ombra wist de ware oorzaak van Roosjes zenuwziekte, en nu ze haar gedurig om en bg zich had, verwonderde z' er zich over, dat ze zoo kalm was. Want zij wist, dat gelgk nu nog haar lichaam schokte, 't zoo in haar ziel was geweest, en evenals 't in haar eigen binnenste nóg was. Zou dan haar jonge zuster reeds weer in haar oude sleur van onverschilligheid voortleven? Was ze zóó spoedig dien bangen nacht vergeten? Want zij, Ombra, zelf was sedert geen uur van die machtige onrust bevrijd geweest!
Zij wilde er meer van weten, en zocht een geschikt oogenblik om eens met haar alleen te zijn.
Tegen 't donkeren van een dag liepen de beide zusters in den tuin, zooals elk Voor zich in ledige oogenblikken zoo vaak deed, om zich wat te vertreden en in de open lucht te zgn. De jongste had den arm van de oudste gepakt en samen wandelden ze nu dieper den tuin in tot dicht bg 't bosch. Daar stond ondereen paar oude berken een rustbank, en Roosje zelf stelde voor, om er wat te gaan zitten.
Terwgl ze zich neerzetten, pakte Ombra haar zusters hand in de hare en zei, een wéinig aangedaan:
„Denk je nog wel eens aan Femma, Roosje? "
't Meisje knikte met haar hoofd, en zeker, omdat ze door die vrai^ een weinig was overvallen, zei ze heesch:
„Jawel Ombra!" „En denk je dan ook wel aan je zelf? " Roosje keek in ée lucht en nu met een open helder gelaat, knikte ze weer.
Ombra vreesde, dat ze niet begrepen werd, en raakte verlegen, omdat ze niet wist, hoe 't te zeggen, wat ze bedoelde. Over durven-sterven waagde ze 't niet, met haar te spreken, hoewel dat voor haar nu toch eigenlgk de groote zaak was.
„Roosje, bid je wel eens? " 't Meisje vond dat een goede vraag van haar zuster, en zei, weer met haar open, nu big moedig gelaat schuin omhoog gericht: „Zeker Ombra, veel! Bidden is gemakkelijk !" „Hoe bedoel je dat? "
„Wel, bidden is toch spreken met den Heere Jezus. — En denken aan Heffli en naar Hem luisteren —en Hem zien I Hg is toch altgd bg mg —al tg d! —en Hg heeft mg lief — eü ik heb Heja lief — Hg is voor mg gestorven - — maar Hij leeft weer en Hg kan nooit meer sterven."
Ombra was één en al verbazing, en alle zelfbeheersching en voorzichtigheid verliezend, zei ze: „ Maar j^' kunt toch sterven! — En dan? "
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's