Stichtelijke overdenking.
Want Hij versteekt mij in Zijne hut ten dage des kwaads. Ps. 27:5a.
Ten dage des kwaads.
De dag des kwaads komt.
Dat lijdt geen twqfel. Zoo zeker als de bezoldiging der zonde de dood is, en alle menschen gezondigd hebben, zoo gewis zal ook in elk menschen-leven de dag des kwaads aanbreken.
En al ware heel uw leven één ongebroken reeks van zonnedagen (des neen, nt elk huis heeft zijn kruis), maar dan zou in 't eind toch de dag komen, waarvan gij zeggen zoudt: ik heb geen lust in denzelve.
Maar als dat waar is, dan klemt ook voor een iegelijk onzer de eisch, hierop bedacht te zqn, dat wij een schuilplaats zullen bezitten als het leed ons genaakt. Velen erkennen dan ook, dat de zorg voor den komenden dag niet misplaatst is. Legio zijn de maatregelen, waardoor de mensch zich zoekt te beveiligen tegen het kwaad, dat hem of de zgnen in de toekomst zou kunnen treffen; maar bedroevend is dit, dat de mensch van nature zgne - voorzorgen niet zoover uitstrekt, dat hij ook gedekt'zal zqn tegen het kwaad, waarmee het scheiden uit een leven zonider-God-inde wereld hem bedreigt.
Ën dat kwaad komt gewis.
Het is allerminst zeker, dat de vlammen s menschen goed zullen vernielen; of dat hq den dag der grqsheid zal beleven, die hem tot arbeid ongeschikt ziet j^" of dat de hand des misdadigers zich zal vergrijpen aan zijn goed, en toch zijn er velen, die zich vooraf reeds zoeken te dekken tegen de gevolgen van dit mogelijke maar volstrekt niet zekere kwaad; doch wat zonder eenigentwqfel, met absolute ge wisheid komt, namelijk dat hij voor den rechterstoel Gods zal geopenbaard worden, dat laat den mensch van nature koud.
En grooter kwaad is niet denkbaar, dan dat de zondaar in het gerichte Gods moeten verschqnen zonder Borg, die voor hem intreedt bij den Vader.
Voor alle dingen is noodig tegen dat gevaar met eeuwige jammer-gevolgen schuiling te zoeken. En dat zal geen hopeloos, geen vruchteloos zoeken zgn. Want daar is een veilige burcht voor alle bedreigde en toevlucht-zoekende zielen. De blijmare der bevrijding weer klinkt, dat de Heere Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten des volks een schuil plaats daarin hebben zouden.
Voor de bedrukten des volks is deze veilige schuilplaats.
Voor hen heeft ze ook alleen maar waarde!
Wie geen banden kent en geen gevaren ducht, kan zonder toevlucht.
Wq behoeven het ontdekkend licht van Gods Geest, opdat ons oog zal geopend worden voor den geestelijken üoodstand des levens.
Want de mensch, die vol zorgen is voor den komenden dag, vergeet zijn «euwige toekomst, omdat hq niet verstaat de dingen die des Geestes Gods zoo en uit de aarde aardsch is. Hq slaapt van nature den doodslaap der zonde; en al moge de klopping der consiëntie deze valsche rust voor'n wqle bedreigen, de machtige werking des Geegtes is noodig, opdat de zondaar ontwake en ontware, tot ontsteltenis zqner ziele, het dreigend gevaar.
Zoo ging 't~ den dichter van den 27sten Psalm.
Voor dat de geloof apsalm door zqn ziele ruischte, was hq vervaard en beangst geweest bq den aanblik zijner levensverwoesting door de zonde.
Den nood, die hem neerdrukte, leerde j kennen als zonde's bittere vrucht; en dat bracht hem voor God in de schuld en op de knieën, en éér hij nog om bescherming en behoudenis smeekte, leerde hij zijn schuld voor God beweenen en zqn Rechter om genade bidden.
En o, welk een blqde ziele-verbazing vervulde hem toen die hooge en heilige God, van Wien hij alles te vreezen had, omdat hq 't heilig recht geschonden had, tot hem zeide; Vrees niet, wees niet verbaasd, Ik help u.
En dat dit volle, hoewel ondoorgrondelijke waarheid was, heeft hij ervaren van dag tot dag, als de Heere hem in geen* enkelen nood begaf, alle vqanden en aanvechters aan banden lei, en hem redde uit alle gevaren.
En zoo zal 't blijven; want Hij, de Heere, wordt niet veranderd; Hij is geen man, - dat Hq liegen zou; bij Hem is geen verandering, noch schaduw van ommekeer; 't is trouw, al wat Hij ooit beval; het staat op recht en waarheid pal, als op onwrikbre steunpilaren.
Het klinkt als een machtige geloofspsalm, als het lied des vertrouwens:
Hij versteekt mq in Zijne hut ten dage des kwaads.
Ge moet, om den vollen en rijken zin dezer woorden te verstaan, in 't oog' vatten, hoe in 't Oosten de rechten der gastvrijheid en herbergzaamheid wierden hoog gehouden en als heilig en onaantastbaar geëerd.
Als de Oosterling den vreemde herberg verleent en hem ontvangt in zqn tent, dan acht hij 't zqn heilige roeping voor welzqn en leven van den gast zorg te dragen, en als 't moet hem te dekken met al de macht die hem ten dienste staat. Wee dengene, die de heilige wetten der gastvrijheid met voeten durfde te treden, hij was aan aller verachting en wraak prijs gegeven.
De gast, die herberg vond in de tent van den machtige, kon gerust zijn, want over zqn heil werd gewaakt.
Hoe grooter dus de macht van den trouwen gastheer, des te veiliger 't lot desgenen, die onder zijn dak of tentdoek schuiling vond.
Maar van hoe groote en alles-overtreffende waardq moet 't dan wel sqn, als de Heere Heere, de Almachtige en eeuwig-getrouwe Verbonds-God, den armen vervolgden, bedreigden, aangevochten zondaar opneemt en schuiling biedt in de tent Zqner heilige Woning I
Hq, Isrels Wachter sluimert niet; Geen kwaad zal u genaken, De Heere zal voor u waken.
Hieriü is bet nooit-doorHpetrrde wonder van neerbuigende goedheid.
Van welke zqde ge deze onuitsprekelqke genade-weldaad ook bespiedt, immer klimt haar waardij voor 't oog uwer ziele.
Wie is hij, die daar opname, herberg en schuiling vindt in de tent van Gods heilige woning? Hq is een doemwaardige, die door de schuld zijner overtredingen verdiend heeft, dat hq voor eeuwig uit des Heiligen nabqheid wordt gestooten.
Hoe kwam hg in dien dag des kwaads; in den nood dier bange gevaren, waaruit de hand des Almachtigen hem ter juister tqd heeft gered ? Doordat hij eigenzinnig en moedwillig van God is afgeweken en en bun de hand heeft gereikt, die hem daar in de wildernis naakt uitgeschud en ten doode verwond hebben achtergelaten. Hoor hem zelf maar jammeren: 'k heb tegen U, ja U alleen misdreven. Als het leven krijgt wie den dood verdiende; als liefderijk wordt opgenomen, wie waardig is weggestooten te worden; als de weelde der schuld vergeving en der levensgemeenschap ontvangt, wie moedwillig en weerspannig afzwierf, «eg vrg, lezer, is 't wonder, dat teedere verbazing zich mengt in den toon van dit verlossingslied?
Zulk betoon van alles-overtreffende genade blijft niet ledig in den beweldadigde, dat kan niet. O zeker, met tranen van zielsdiepe schaamte moet't beleden, hoe nog dikwerf, na zulke onuitsprekelijke weldaden, die begenadigde zondaar weer afzwerft en overnieuw — als God 't niet verhoedt, in de band des zielverdervers valt, ai? ias tngh, in hot verloste hart plant Gods machtige hand de teedere spruit der weder-minne, die hoezeer ook geschud en geteisterd" door de inklevende zonde en ontrouw, toch te bloeien begeert om Gods eeuwigen naam groot te maken en te verheerlijken.
Vers 5 vangt aan met 't woordeke „wani"; daar is dus verband met 't voorgaande vers, waar de dichter dit de alles te boven gaande begeerte zqner ziele noemt, dat Hij alle de dagen zijns levens mocht wonen in 't buis van dien Heere, die bem ten dage des kwaads in zijne tent Wou opnemen en 'n veilige schuilplaats bereiden.
Hierin ligt diepe en beschamende leering.
Wie ten dage des kwaads, als overmachtige vqanden de ziel en 't leven bedreigen, veilige opname en bescherming vindt in de tent des Almachtigen, onder Zijne veilige vleugelen, verlangt in zijn beste en teederste oogenblikken alle de dagen zijns levens te mogen wonen bq dien trouwen en ontfermenden God, Die waardig is gediend en ge prezen te worden tot in alle eeuwigheid.
O, hier is oorzaak voor al Gods kinderen, om beschaamd te staan, tot zinkens toe, maar Hq, die Petrus, zijn gevallen discipel, noopte tot de be-Igdenis: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb, en bem dan in bet hernieuwde apostelambt Zijnetrouw en vergeving deed blijken, Hij kent ook uw hart, en weet, wat bet diepste begeeren daarvan is, ondanks alles wat er tegen pleit. Zqn is de ondoorgrondelqke ontferming en de eeuwige trouw, die van geen wankelen weet. Zalig wie zgn weg op dien Getrouwen Ontfermer mag wentelen. Zalig wie ten dage des kwaads veilige opname mag vinden in de tent des Almachtigen; als straks de doodsscbaduw nadersluipt, zal Hg u omvangen met de armen Zgner eeuwige trouw en u verbergen in Zijne tent, opdat gg alle de dagen, ja tot in alle eeuwigheid zult wonen in Zgn buis; om u eindeloos te verlustigen in de liefiqkbeid des Heeren, uws Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's