Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 31)
31) Roosje staarde nu nog hooger, en nog blijer helderde haar wezen. Ze zag het duidelijk en zóo zei ze 't:
„Wel, Ombra, Hg kan immers niet meer sterven! — En 'k zou Hem vasthouden, heel vast. •— En Hg zou mg vasthouden. — Dan is 't immer niets. Dan is alles niets, als de Heere Jezus mg maar vasthoudt, Ombra. — Zie, als een, die je lief heeft, je vast houdt, dan hoef je toch nergens bang voor te zgn. Dat is toch zoo, Ombra! Ik ben maar een kind; en Hg is sterk, want Hg is dood geweest, kijk, Ombra, voor mg is Hg gestorven, omdat ik zgn kind ben; nu begrgp je toch wel, dat Hg wel altgd bg mg zal blgven. En je hoeft niet te denken, dat ik zoo bang en benauwd zal schreeuwen als Femma. Maar zij wou niets weten van Jezus, niets, nooit."
Ombra was geheel verslagen. Ze voelde nu duidelgk in haar zuster, wat ze in oom en tante zoo klaar waarnam. Wat dat toch was, en hoe ze daaraan was gekomen. O, als zg zelf nu ook zoo was! Als zg nu ook maar zóo kon spreken als Roosje, die dat alles zoo klaar wist! u j
Wist Roosje misschien het groote geheim, dat haar, oudere en veel wgzer zuster, nog onbekend was?
„Roos, lieve, hoe is dat toch met jou zoo geworden? "
De jongere had den blink der tranen van de oudere gezien, en haar natte koon streelend, zei ze: „Ombra! — huil je? —Waarom? — Huil je ook, omdat de Heere Jezus je zoo lief heeft? Ja, nietwaar Ombra? — Jg hebt Hem ook lief, nietwaar? "
Dat was al te geweldig voor Ombra. Haar ziel smolt en de aandoening stroomde in tranen de oogen uit. En dan wierp ze 't hoofd achterover, alsof zg nu ook plots iets zag, daar omhoog, wezenlgk en waarachtig en groot, en vol alles overweldigende liefde, en ze strekte haar handen daarnaar uit als om het te omhelzen, vast te grijpen en vast te honden, en en schokkend kwam het uit haar keel:
„O, ja Heere Jezus! 'k heb U lief. Ja, Heere Jezus. Gg hebt ook mij lief. — Eeuwig. — ja. — ja!..."
Dan vielen haar handen, in elkander gevingerd op haar knieën, 't hoofd zonk voorover en stil snikte ze uit. In haar ziel golfde 't wonder machtig weten, dat Jezus haar lief had, en zg zag dat, en ze had nooit iets zoo heerlgk gezien, t Deinde en zwalpte en schuimde als en plotse, geweldige beroering van wat altgd dood was geweest, machteloos en onder beweging: en nu was't al kracht en daad, 't leven, ingeplonsd van omhoog. Ze zag het, ze voelde't, ze genoot het als wat niet was van de aarde, maar stroomend uit en in het eeuwige als ervaring Gods. En al dat overweldigend machtige werd tot eern lieflqke kabbeling van vrede, van rust, van vertrouwen.
Ze zat nu heel stil, gelgk 't in baar ziel stil werd, als wanneer de golven zich effenen; ze zat roerloos als uitgehijgd van een bovenmachtige spanning al harer nerven en spieren. Ze wist zelf niet, hoe lang ze hier toefde, en ze was 't zich nauw half bewust, dat nog iemand bg haar was, haar voorover gezonken hoofd rustend in de handen van Roosje, die vlak vóór haar stond.
„Hoe is 't, Ombra ? " De oudste hief het hoofd op als gewekt uit een droom, en de jongste streelde haar over 't gelaat. „Hoe is 't? "
„Goed, Roosje! heel goed!" „'t Wordt zoo donker, Ombra! — Zullen we nu maar gaan? "
„Ja, zóo 1 zei Ombra, pakte haar zusters hand en trok haar weer naast zich. „Even nog."
Naast elkander, de handen ineen, zaten beide zusters over 't duisterzwart der doornen heen in den diepen avond te staren, en dan hoorden ze Stientje zacht roepen:
„Ombra! Roosje! waar ben je? " 't Roepen kwam nader en nader, en dan waren de zusters al opgestaan, en de oudste riep:
„Hier Stientje!"
Ze waren nu spoedig elkander genaderd. „Mevrouw zei, dat ik jullui zoeken moest; zg was bezorgd over Roosje!"
Stil stapten ze naast elkander voort. Stientje meende begrepen te hebben wat beider ziel vervulde, en wilde haar niet storen in haar rouw over Fenna.
Mevrouw stond op 't balkon uit te zien naar de komenden, en nu ze haar hoorde, ging ze haar tegemoet, en de zusters ter zgde nemende, en voelend, hoorend aan 't ademen haar bedrukt' stemming, vermaande zij, op teeren toon, eerst Roosje en dan Ombra, zich niet te veel aan de smart over te geven.
En Ombra kon het niet zeggen, dat het geen smart was, die haar had over mand. maar vreugde, heilige vreugde. En Roosje meende, dat haar zuster voor haar 't woord zou doen. Ze wist niet recht, wat er in haar was omgegaan. Ja toch! — ze had het zelf van Ombra gehoord, dat die zoo echt en waar den Heere Jezus liefhad. Ze had het wel reeds lang geloofd, maar nu was ze er zeker van.
{Wordt vervolgd)-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's