Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 32) —
HOOFDSTUK XII
Ombra.
't Was êen donkere, zwarte aarde geweest, geploegd wel, maar als dood; gebroken, gescheurd, gefijnd wel door de egge, maar kil en koud. En er was wel een zaadje ingestrooid, o zoo klein, maar 't had zich tusschen de aardbrokkeltjes verborgen als niet bestaande, en geen mensch nam waar, wat 't daar deed. De grond leek koud en dood, en niemand zag, dat daar iets verborgens leefde, stil, maar krachtig; langzaam, maar allen tegenstand trotseer end. 't Wortelde naar de diepte en kiemde opwaarts naar 't licht en naar de zon. Maar niemand zag het.
Dan, plots — groeide daar een plantje, en 't wist zelf niet hoe 't gegroeid en hoe 't daar gekomen was, maar 't was een plantje vol levend leven, welig groen, en ging opwaarts hooger en hooger. Zóó was 't met nieuwe leven. Ombra, met haar nieuwe leven.
Nu doolde er geen zwaarmoedigheid meer over haar wezen; wie met haar omgingen, zagen er alle treurnis vervaagd. Haar oog glansde van «ieleweelde; stille blqdschap en levende rust effenden haar gelaat. Gelqk als had ze lang, heel lang, rusteloos en met al haar verstand gezocht naar een verloren groote schat, tot ze moedeloos en zonder hoop turensmoede het zoeken wilde staken, en plots dat kostelgk kleinood vóór zich zag liggen, er naar greep, en 't nu in haar hand hield, zeker van haar Jbezit, bewust van de groote waarde.
't Zoeken was voorbg; 't bezit had enkel rust gebracht, en blgdschap. Nu was de schat te gebruiken en te bewaren.
Ombra was voor haar eigen bewustzgn een nieuw mensch geworden. Inwendig was ze vernieuwd: 't kille was warm, 't doode leyend geworden, en 't groeide ten allen kant uit, het leven, tot in haar woorden en daden, dat ook de menschen 't nieuwe innerligke leven zagen.
Ombra had dat leven diep gedoken willen houden als een stille, geheime, hooge liefde, waarvan zij alleen slechts kon genieten, en die te teer was voor 't medeweten van anderen; verstoken als een edelgesteente, waarvan zij zelf slechts de lichtweelde kende en de noaatlooze waarde.
Maar liefde is licht, en wat licht is, spreidt stralen om eich, en 't edelgesteente kan zijn vonken niet inhouden.
De onnadenkende Roosje had 'tjonge plantje 't eerst gezien, maar wist niet, dat het pas plots zijn teere blaadjes uit de aarde had ten hemel geheven; voor haar was 't een plantje, dat daar — schoon klein — al stond van voor lang, hoewel zij 't niet had gezien. Ze was blij en had Ombra nu nog liever dan voorheen, en ze vertrouwde zich nu aan haar toe als aan Mien.
Mevrouw zag ook nieuw leven, maar wist niet waar 't wortelde; ze zag 't als een soort verheerlijking, wolkend uit rouw over een geliefde, die weckte naar 't zalig oord van wederzien: Ombra was nu, zooals zij was, zwevend in-nevels van menschenmin, hoog boven de alledaagsche aardbewoners de handen legen spreidend en troost sprengend over hen opgeheven. Ombra, toen ze hier kwam, een heidin, als kweekelinge dra de vertroetelde van mevrouw en nu — haars gelqke, de verhevene boven anderen.
Wel haar ondergeschikte — 't aardsche leven eischte deze verhouding — maar als erfgename van de heerlijke toekomst haars gel^'ke, en daarom nu reeds één van hare intiemen.
Maar — mevrouws gelgke, die zich zoo lang reeds — als ondergeschikte — had laten toewolken, begon in zich verzet te voelen daartegen, want ei was geen houvast aan de wolken, en zg kende 't massieve, dat haar handen hadden gegrepen. En zij stelde tegenover die wolken van ongrqpbaren damp de werkelijke, tastelgke dingen, die de Heilige Geest haar bij 't licht der Schrift had doen zien: de heiligheid Gods, de kracht der zonde, het wezen des doods, de verloren mensch, de reddende Christus, de geestelqke geboorte uit den Heiligen Geest.
En mevrouw zag naar wat haar getoond werd met schijnbaar welgevallen, en dat verblqdde Ombra zeer, en 't verwonderde haar, dat deze zaken mevrouw niet vreemd waren, omdat ze er nooii over gesproken had.
Maar — mevrouw raakte nu ook met haar blanke vingers aan die gewichtige zaken en verlegde ze en keerde ze om en — eer Ombra wist, hoe en wanneer 't zoo gekomen was, stond al dat massieve dat tastbare, dat lijvelijke te wolken, verwerd geheel tot damp.
Dan doolde 't Ombra van binnen van buiten, en ze meende dat ze haar handen en haar hart met enkel wasem had gevuld. Dan voelde ze zich arm en leeg en ze wist van rust noch vrede. Dat somberde de triestigheid uit haar blik en — ze vreesde den omgang met mevrouw, omdat ze in haar nabqheid haar schat verloor, En altqd verlangde ze dan naar haar oom Johannes, om hem te hooren bidden en als door hem gedragen te worden voor den troon, dien ze alleen niet meende te kunnen bereiken. En was ze daar maar eenmaal, dan kon ze zelf in zuchten haar hart uitstorten voor den Koning, dien ze kende als haar Heiland en Zaligmaker, de altijd Nabije om te hooren en te helpen."'
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's