De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

7 minuten leestijd

„Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere". ROM. 7 : 24, 25.

Klagend danken.

Het beeld van het tarwegraan gebruikte de Heiland op het eind van sijn leven. Het tarwegraan moet immers in de donkere aarde weggeborgen worden, daar sterven om dan te ontkiemen en vruchten voort te brengen in de volle are, met dertig, zestig of honderd korrels gevuld. Door den dood tot het leven. Door de diepte tot eere. Zoo zou het gaan met den Heere Jesus, die in den dood zou iadalen, om dan het leven, den vrede en de zaligheid te verwerven voor allen die in Hem gelooven.

Dat beeld van het tarwegraan blijft voor Gods gemeente, ook nadat Jezus is gestorven en opgestaan. Ook zij moeten sterven, om daarna te leven. Ook zij moeten door de diepte, om straks verhoogd te worden. En dat geldt niet alleen voor het begin van hun weg, maar dat blijft de wet voor gansch hun leven, O, zeker I zij mogen weten en gelooven, dat het einde zal zalig zijn. Het gebouw van Gods gunstbewqzen zal rigzen tot in eeuwigheid. En zij zullen van kracht tot kracht steeds voortgaan, om allen straks in Siou te verschijnen. Dat blij vooruitzicht kan hun harte streelen en hun mond kan vervuld worden met lachen. Ook in tijden van inzinking en moedeloosheid laat de Geest Zich ten slotte niet onbetuigd en wil de ziele weer opwekken, dat zij zich zelf aldus gaat aanspreken; „o mqn ziel, wat buigt gij u neder, waartoe zijt gq in mq ontrust — voed het oud vertrouwen weder, zoek in 'sHoogsten lof uw lust; want Gods goedheid zal uw druk eens verwislen in geluk". En ja, dat is het heer-Igke voorrecht voor allen die God vreezen, dat ze ten slotte nooit behoeven te wanhopen. Wel moeten ze telkens tranenbrood eten. Wel kunnen banden des doods en angsten der hel hen bij tqden omringen en benauwen, maar de Heere laat niet varen de werken Zijner handen en wil na bang gevaar weer vroolijkheid en licht schenken. De nacht mag donker zijn, en mag lang duren — maar de morgen komt toch telkens weer. En juist als de nacht op z'n donkerst is en de duisternis op 't zwartst, is de morgen 't meest nabq. De zonne, het licht des daags, weet haar lachend aangezicht weer te toonen. Zoo ook de Zonne des heils Jezus Christus, die telkens weer schqnt voor een volk in duisternis gezeten. De schenker mag Jozef vergeten, als hq met zqn voeten in een blok gedrukt in de gevangenis zit, de Heere denkt aan hem!

Met dit al is en blijft de wet Gods 'Oor al Gods kinderen: door de diepte Daar de hoogte, door Iqden tot verblqden. Beluister ook maar wat Paulus ons weet te verhalen in het woord hier boven ^geschreven,

Paulus is niet de eerste de beste. Hg 18 een van de grooteten in het Koninkrqk «ode. Een van de uitnemendsten onder Qods kinderen. Een, die van zgne schouderen opwaarts uitsteekt boven aderen. Een die ons zqn jubelzangen doen hooien, zgn roemtaal ons heeft bewaard en van wien we mogen weten en gelooven, dat hg nu juicht in den hemel der hemelen en daar boven nu schittert als een ster van eerste grootte.

En wanneer big ons dan iets van zgn weg vertelt, ons het intieme zieleleven bloot legt, ons verhaalt van zijn ervaring op het pad des heils, dan getuigt hij van zich zelf: „ik ellendig mensch",

Paulus kent het stuk der ellende. Hg kent zich een zondaar. Hg weet zich gansch zondig en schuldig voor God. En als 't er om gaat, wie en wat hg in en van zich zelf is, dan zegt hg: „ik ellendig mensch".

En dat is de bekeerde Paulus. Want om vers 24 en vers 25 zóó te scheiden, dat vers 24 vóór z'n bekeering valt en vers 25 né, z'n bekeering, is zóó in strijd met heel het verband en zóó verschillend van de praktgk des levens van Gods kinderen, dat we daar niet verder over behoeven te spreken. De bekeerde Paulus ziet zich telkens voor den spiegel der wet en dan komt hg telkens voor God met de klacht: „ik ellendig mensch".

Waarom dat zoo is?

't Blijkt wel uit 't geen hg zegt: „ik ellendig mensch, wie zal mg verlossen uit het lichaam dezes doods".

Lees dat maar in 't verband en 't is u duidelgk, wat dat zeggen wil. Ds woeling der zonde vervult.zijne leden. Den geestelgkén dood, met die vreeselijke geestelijke ontbinding en verwording, vindt hij telkens in zich. En dat doet hem zoo ellendig, zoo ongelukkig, zoo schuldig, zoo verwerpelijk, zoo bedroefd zgn, voor het aangezichte des Heeren.

Dat brengt hem op de knieën. Dat doet hem telkens bukken in 't stof. Dat is de vermaling van de tarwe, de persing der druiven. Maar zoó alleen kan er brood gebakken, zoó alleen wijn geschonken worden. Door de diepte tot de hoogte, door lijden tot verblgden.

En ja, zgn zieleleven wordt in evenwicht gehouden. Daar zorgt de Heere voor bij Zijne kinderen. Daartoe is de Heilige Geest uitgestort. Om in den aanvang en in den voortgang te overtuigen van zonde en oordeel. En dan is 't: „ik ellendig mensch". Dan is 't klagen voor God: ' „zoo Gij in 't recht wilt treden, o Heer, en gadeslaan onz' ongerechtigheden, ach wie kan dan bestaan". Maar de Heilige Geest is gezonden om uit Christus te nemen en armen met goederen te vervullen, om treurenden te troosten, om gebrokenen op te richten, om gevangenen het aangename jaar der vrgheid te prediken.

En dat doet het zieleleven van Gods kinderen, die steeds armer worden in zich zelf, in evenwicht blijven; en zij worden met genade en eere bezocht, om te spreken: „ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere."

Het oog naar binnen geslagen, bij het licht des Geestes — dat doet bekennen; „ik ellendig mensch, wie zal mg verlossen uit het lichaam dezes doods."

Het oog op Christus gericht, bij het aanschouwen van het vriendelgk aangezichte des Heeren, —r dat doet jubelen: „ik danke God door Jezus Christus onzen Heere."

Zóó blgft het leven van Gods kind, door Gods wondere liefdewerking, in evenwicht En een ellendig mensch dankt, een arm mensch jubelt, een zwak mensch is sterk. Ja, overvloediger in arbeid dan anderen, gaat en staat hg overal, om te prediken het Evangelie en te vermelden de deugden des Heeren, die te prijzen is tot in eeuwigheid.

Klagend danken — dat is in 't kort weergegeven het leven van Gods ware kinderen.

Niet danken — zonder kennis van ellende. Dat is het werk van den Farizeër, die schgnbaar God dankt, maar in werkelgkheid zich zelf verheerlijkt en een kroon op 't hoofd zet. Dat is bouwen op een valschen grond. Dat is schgn en geen wezen. Dat is dwaze hoogmoed. En het einde zal zijn eeuwig jammeren, met droeve bekentenis; „bedrogen; bedrogen."

Maar ook niet alleen klagen. Niet de ellende is het hoogste, het een en het al. Die door Gods Geest waarlgk wordt ingeleid tot de rechte kennis van zonde en ellende, wordt ook toegeleid tot de kennis der verlossing en ook ingeleid in' de zalige ervaring van het heil in Christus. Niet in een oogenblik. Op zeer onderscheidene manier. De Heere werkt hierbij naar Zijn raad en welbehagen. Maar de Geest, die uit Christus neemt, weet de ziele te bezoeken met heil en het ha^te krggt heerlijke ervaring van de schaiten, die in Christus Jezus zgn voor een arm zondaarsvolk, zoodat de juichtoon outloki wordt aan de ziele: „ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere." 

„Onzen Heere" staat er. Want zoo spreekt héél het volk. Het is voor& Ue kinderen Gods saam.

Maar er staat: „ik ellendig mensch"; als ook: „wie zal mg verlossen." En dat zegt ons, dat deze zaak persoonlgk moet worden gekend en ervaren. Dèn alleen zal het goed zgn en zóo is de inlijving in dèt volk, dat zal zalig worden.

Kennen wij dat klagend danken ? Klagen, van wege onze verlorenheid, onze zondigheid, onze ellende, onze armoede.

Maar ook dat danken, van wege onzen rijkdom die daar is door Gods genade in de verlossing door Jezus Christus,

Arm zijnde in zich zelf is Gods kind rgk in Christus.

Klagend weet het te danken. En een ellendig mensch is zoo de gelukkigste van allen, in Jezus Christus méér dan overwinnaar zgnde; in arbeid overvloedig en in hope zalig.

Hoe staat dat bg ons; bg U en bg mij ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's