De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

5 minuten leestijd

OMBRA.

VAN STERVEN EN LEVEN. Een waar verhaal door JAN VELTMAN,

Vader betoonde nog altgd dezelfde zorg voor Roosje, en liet haar naar kerk en katechisatie en naar de vereeniging gaan zooveel ze wilde; hij gaf haar in alles vrij. En omdat de man zoo deed, deed het ook de vrouw, zoodat Roosje niet had te klagen. Want zg mocht zich thuis ook vrq uitspreken. Telkens weer aan vermaande ze haar ouders, om ook eens mee naar de kerk te gaan; doch daaraan werd nooit eenig gehoor gegeven, 't Meisje bad vóór en dankte na de maaltijden, en de ouders deden ste? ds voor den vorm mee, en als ze in den Bqbel las, overluid, schenen ze te luisteren.

Tegenover broer Johannes en de zqnen gedroegen ze zich als tegenover Roosje; hq liet ze zeggen en vermanen wat ze wilden, en spotte slechts zelden meer. Maar hij en zgn vrouw schenen ook van al hun zeggen niets aan te trekken. Nu, men was al big, dat het ging gelgk het ging.

Over Femma sprak nooit iemand ook maar een enkel woord; 't was, of ze nooit had bestaan. Maar toch werd meer aan haar, en vooral aan haar uiteinde, gedacht door alle nabestaanden, dan iemand kon vermoeden. En 't was zeker de nimmer sluimerende herinnering aan haar ontzettend verwgt, dat den vader zgn spotzucht en vijandschap deed intoomen,

Ombra kwam nu nog slechts bg hooge uitzondering in de woning van haar oom en tante; maar als ze er kwam, scheen ze altijd een uur uitgekozen te hebben, waarin ze er op rekenen kon, oom Johannes te zullen hooren bidden. Want dé, t was haar 't allergrootste zielsvermaak. Nog immer was 't haar, of onder dat bidden God vlak bg haar was, en de hemel haar nader kwam. Ze kon zich niet anders voorstellen, of ze zou in haar ooms nab: gheid immer den Heere bg haar weten, en alle zielsbekommernis zou haar vreemd zgn. Want hoewel ze nu, wanneer bezwarende wolken haar ziel verdonkerden, toch wel wist, dat de Zon daar boven scheen en wel weer te voorschgn zou komen, zoo was 't haar toch soms bang. Want dat afwezig schgnen van de Zon, dat drukken van 't zieledonker in haar, voerde haar immer terug naar dien hangen nacht van Femma's verwijt niet zoo zeer, maar van de boudweg uitsproken bewustheid, dat ïe verloren ging. O, die plotselinge angst kon soms zoo vervaarlgk in haar ziel komen, dat het haar duizelde bij 't oogenblikkelgk voelen der uiterste verlatenheid, alsof ze alleen, gansch alleen, zonder God en zonder iemand, stond in 't midden der eeuwige ledigheid, met een eindelooze glte onder en boven, achter en vóór zich. En ddt — meende ze — zou ze nooit meer hebben, indien ze maar altgd in de nabgheid was van haar oom. De hoogachting voor hem was mateloos. Naar hem hunkerde 't haar, als 't haar lange was.

Had ze daarover maar eens met hem gesproken! Maar dat durfde ze niet. Want met Roosje had ze 't er over gehad, en die kende dat niet. Die wandelde meestal in 't volle licht, en ala die soms al eens een wolk zag tusschen haar en de Zon, dan hield ze 't er voor, dat die olk iets was van haar zelf, en dan zei t in haar: „Och Heere! nu kan ik U niet zien! om er weer door!"

Want Roosje bleef een kind; een kind voor de menschen, en daarom waren ze haar allen zoo goed en hulpvaardig; en een kind, een hulpeloos kind voor haar machtigen, grooten, liefdevollen God, en daarom was Hij er altgd terstond bij, om naar haar kindertoon te hooren en haar overvloedig te helpen.

Roosje kende niet die bange donkere vlagen, die Ombra's ziel soms zoo beklemden, en nu deze dat wist, meende ze, dat zij alleen zoo was, en ze durfde er verder met niemand over spreken, en wel allerminst met oom Johannes.

En haar hart zoo geheel open leggen voor tante Betje, och, daar verwachtte ze weinig heil van, want tante, meende ze, leefde ook maar enkel bg 't licht van oom. Tante gebruikte zooveel woorden, die ze niet begreep, en als die haar iets zou duidelgk maken, moest ze er toch altgd oom bg roepen. En Mien dan?

Ombra voelde 't zoo goed, dat een heel ander schepsel was dan zij. Mien had van jongs af geleefd in wat voor haar nog zoo nieuw was. Mien scheen wel alles te weten, wat er in den Bijbel stond, en wat alles beteekende, en alledrie „vraagboekjes" kende ze glad van buiten, en daarom kon ze zooveel van haar leeren. Maar over wat er zooal in haar ziel leefde, wat daar  donkerde, of blijdschap wekte en wat aanjoeg, dat ware levende leven in haar zoo tastelijk en zichtbaar, als buitenwaartsch de velden en de boome. Bij menschen om haar en de vogels boven haar, daarin voelde ze met Mien geenj aanraking. Dat innerlgk ervaren scheen haar nicht vreemd te zgn. Daar scheen licht en donker, hoog en laag scheen alles effene, eentonige en eenkleurige nevel te zgn, een eindeloosheid en grondeloosheid zonder lijn en beweging; een stille, broedende,  nevel.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's