Ingezonden.
Nieuwe Niedorp, Aug. 1919.
Geachte Redacteur/
Ik ontving No. 35 van „de Waarheidsvriend" en las daarin het artikel: Hij moet gaan.
Is de bedoeling van dit artikel mij te suggureeren de Kerk te verlaten?
Zoo ja, dan kan ik verzekeren dat die suggestie geen vat op mij heeft en naar aanleiding van wat dat artikel zegt, heb ik dit op te merken:
lo. Ik ga de Kerk niet vrijwillig verlaten. Zijn de kerkelijke autoriteiten van oordeel dat ik mijn plaats in de Herv. Kerk niet waard ben, welnu dat zij dan dien overeenkomstig tegen mij optreden.
Niet „de Waarheidsvriend, " maar de daartoe bevoegden hebben dit uit te maken.
2o. Ik blijf in de Kerk met een onbezwaard geweten. En ik heb het recht daartoe, omdat ik in mijn mondelinge en schriftelijke verdediging voor het prov. kerkbestuur van N.-H. heb verklaard niet in te stemmen met art. 11. Niettemin besloot dit kerkbestuur op mij geen tuchtmiddel toe te passen.
En zou ik mij dan genoopt moeten gevoelen met het oog op dit artikel — door velen in de Kerk als verouderd beschouwd — de Kerk te verlaten?
Of moet het alleen op den ketter Schermerhorn worden toegepast?
Durft u het aan van eiken predikant, van elk kerkeraadslid te eischen dat ze onvoorwaardelijk instemmen met art. 11 ?
Is u blind voor het feit dat in iedere organisatie, krachtens de wet der evolutie of laat ik het liever zóó zeggen: als gevolg van de werking van den Heiligen Geest, telkens tijden komen moeten, waarin blijkt dat een grooter of kleiner aantal leden dier organisatie van inzicht verandert?
Is u van oordeel dat art. 11 blijvend zal zijn ? Is de Kerk dan versteend, dood ? Of is zij een levend organisme, is zij als een boom, waarvan ééns levende takken afsterven omdat de tijd daarvoor is gekomen en is 't niet in 't belang van dien boom dat die doode takken worden verwijderd?
3o. Het citaat van S. v. W. uit de Hervorming is onvolledig. Is 't opzet dat daaraan niet is toegevoegd wat er op volgt? In elk geval mag ik het voor uwe lezers hier wel overschiijven, nietwaar?
Het luidt alzoo: „Waarlijk, indien in art, 11 iets veranderd of geschrapt moet worden, dan zijn het ook de woorden van liefde voor Koning en Vaderland. En het is, dunkt ons, de plicht van aUen, die mannen als Schermerhorn voor de Kerk wenschen te bewaren, om het daarheen te leiden. Waar de Novembergebeurtenissen door zekere kerkelijke kringen als een politiek fortuintje zijn benut om voor de Kerk propaganda te maken als schut«patrones van bestaande toestanden in staat en maatschappij, daar zal het zaak zijn om zulke dwaze bepalingen als het aankweeken van liefde voor Koning en Vaderland uit de kerkelijke reglementen te schrappen, wil de Kerk niet het odium op zich laden van te ijveren voor belangen, die met waarachtige godsvrucht (ik cursiveer) niets te maken hebben."
4o. Het voorstel tot wijziging van art. 11, in de Cl. Verg. van Alkmaar is niet voortgekomen uit anarchistischcommunistischen kring (gelijk beweerd wordt in het art. „in en om de Synode.")
Onder de voorstellers behoorde ook de orthodoxe predikant ds. Lammers uit St. Pancras! Het voorstel ging uit van leden van den ring Scharwoude, vogels van diverse pluimage.
5o. Is het u onmogelijk aan te nemen dat er mannen zgn, die het evangelie van Christus liefhebben, die door middel der Kerk de levenswaarheden van dit evangelie de wereld willen indragen, die dat willen mft heel hun ziel omdat Christus hun is de incarmatie van het allerhoogste, maar die toch niet instemmen met art. 11.
Ik gevoel niets voor een politieke revolutie. Maar gesteld eens dat de Troelstra-revolutie had gezegevierd en het in ons land ware gegaan als in üuitschlaid en di*t hier een republiek was gekomen. Wat zou u, wat zou de Kerk dan hebben gedaan? Zoudt udan zich hebbon geplaatst aan het hoofd van een contra-revolutie, U beroepend op art. 11?
Of . . . weet u het, dat de Berlijnsche predikanten na de verdwijning van de dynastie, waarvoor zij, zoolang ze bestond, hebben gebeden, hebben verklaard de nieuwe regeering te erkennen en de republiek te aanvaarden?
6o. Als u mij zoudt vragen en hoe zoudt gij dan art. 11 willen redigeeren, dan zou ik u antwoorden. Ik zou van art. 11, dit willen maken:
De taak van allen, die in onderscheiden betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn en in 't bigzonder van de predikanten behoort te wezen do prediking van het evangelie van Jezus Christus.
Zoo en niet anders. Daarin is alles opgesloten. En met vrijmoedigheid zou ik aan ieders conscience overlaten de volle consequentie daarvan te aanvaarden.
Hiermede eindig ik. Misschien heb ik te veel van uw ruimte gevraagd. Maar ik zal u niet meer lastig vallen. Voor uw gastvrijheid zeg ik u bij voorbaat dank
Hoogacchtend, N.C.J. SOHERMERHORN.
Wij vinden geen aanleiding op dit schrijven in bizonderheden in te gaan. Alleen dit: Het is wel merkwaardig, dat ds. Schermerhorn, die verklaart niet in te stemmen met een artikel van onze kerkelijke grondwet en weigert daaraan te-gehoorzamen en zonder reprimande van de hoogere besturen afkomt en dat ds. Bakker van Amsterdam, die aan Schrift en belydenis en kerkelijk reglement herinnerde in de vergadering van het Prov. Kerkbestuur, ten slotte van de Synode nog een uitbrander of althans een „afkeuring" krijgt. M. v. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's