Voorkoming van armoede.
Voorkomen is beter dan genezen. In allerlei opzicht zien we de waarheid van dit woord in het leven bevestigd. Met zeer weinig moeite kan soms een groot kwaad voorkomen worden, terwql, als men nalatig geweest is om bqtqds in te grepen, vaak een onheistelbaar verlies wordt geleden. Een leiboom, bqtqds aangebonden, doorstaat den storm; als men deze moeite verzuimd heeft, gebeurt het, dat al zijn takken losrukken, sommige daardoor scheuren, terwijl het aanbinden straks het dubbele van den tijd vergt. Welnu, ook in de Diaconale Armenzorg dient met deze waarheid gerekend te worden.
In de dagen der hervorming, toen men in alle dingen terugkeerde tot de Schrift, zag men al heel spoedig in, dat de Middeleeuwsche liefdadigheidsbetooning ondoeltreffend was geweest. Aan liefde tot de armen had het niet ontbroken ; van een eigenlijke verzorging d armen was echter zelden sprake. De liefdadigheid openbaarde zich voornamelijk in het geven van aalmoezen, soms op zeer groote schaal, maar men vroeg zich niet af, aan wie men gaf of welk resultaat daarmede bereikt werd. Men strooide menigmaal in het wilde weg en een ieder weet, dat, als men kruimels strooit, de vogels van alle zq den komen aanvliegen; bedelarij en landlooperq namen hand over hand toe.
In de Herv. Kerken is daarom het Diaconaat hersteld naar zqn oorspron kelqke instelling. Daarin ligt organisatie van de liefdadigheid besloten ; het pogen om met de liefdegaven zoo doeltreffen mogelijk te arbeiden, om zijn krachten niet onnuttelijk toe te brengen en zqn gaven niet te werpen in een bodemloos vat; maar een heerlqk resultaat te bereiken yten met het liefdewerk, waartoe de Gemeente des Heeren gedrongen wordt. Van werkelqke verzorging van armen kon toen weer gesproken worden.
Zulk een verzorging van armen bemoeit zich met den persoon van den arme. Ze geeft niet zonder den arme te kennen. Wie dus aan een bedelaar een aalmoes geeft, zij het ook al zeer mild, doet daarmede nog niet aan armenzorg, Daarom oordeelde men in de Hervormde Kerken van den beginne af, dat iedere Gemeente haar eigen armen moest verzorgen en dat de diakenen de armen gedurig moesten bezoeken om hen nader te leeren kennen, daardoor op de hoogte te komen van de oorzaken van hun armoede en beter te kunnen oordeelen, hoe ze het best konden geholpen worden. In dit laatste ligt besloten, dat het helpen van een arme niet alleen bestaat in het geven van een aalmoes, waardoor hij voor gebrek en ellende, honger en kou gevrijwaard wordt; het helpen moet tevens een ophelpen zijn, anders komt men opnieuw bq de Middeleeuwsche liefdadigheidsbetooning met al haar nen gebreken en droeve gevolgen uit.
Indien mogelqk moet de arme zoodanig geholpen worden, dat hij geheel of gedeeltelqk weer zichzelf helpen kan. Dat verlicht de last der Gemeente en komt den armen broeder of zuster ten zeerste ten goede. Het Regl, voor de Diaconieën zegt daarvan in art. 9 : „Het streven der diakenen moet zqn de armen zooveel mogelqk op te heffen, opdat ze weer tot zelfstandigheid worden gebracht" Naar het mij voorkomt, zal niet alleen instemming met dit beginsel van rechte armenverzorging, maar ook practische zin de meeste diakenen aansporen om de in dat artikel uitgesproken regel in toepassing te brengen. Om een voorbeeld te noemen. Aan een weduwe, die kinderen heeft te verzorgen, zal men een wekelqksche toelage geven, maar óok trachten haar aan een brei-of naaimachine te helpen, haar een kleine winkelneering te verschaffen of ander werk te bezorgen, opdat zq althans voor een deel en zelf voor de haren zorgen kan.
Evenwel hierbq mogen we niet blqven staan. Dit beginsel moet nader uitgewerkt worden. Alle nadruk valle nu op het woord: voorkomen is beter dan genezen." De arme moet niet alleen opgeholpen worden, maar zoo mogelqk, aireede gegrepen worden, voordat hij valt. Ligt dit ook niet uitgesproken in het woord: en als uw broeder zal verarmd zi^n, en zqn hand bq u wankelen zal, zoo zult ge hem vasthouden." (Lev, 25 : 35), Wat wankelt, staat op het punt te vallen. Maar men doet niet goed te wachten tot b, v. een wankelende paal gevallen is, om hem daarna weer op te richten; men grqpe aan voordat hq gevallen is; veel schade en veel moeite wordt dan voorkomen. Zoo ook bq de arme broeder of zuster; men helpe, voordat ze alles hebben verloren en met het tqdelqk goed ook de zedelqke kracht hen ontvallen is,
In de laatste tqden is dit beginsel van gezaghebbende zqde telkens op den voorgrond gebracht; naar het mq voorkomt, niet altqd met het gewenschte resultaat. Tal van diakenen, vooral uit de plattelands-gemeenteh, nemen van deze dingen geen kennis en ook al hooren ze bqwqlen daarvan op de een of andere vergadering of lezen daarvan in ) een dag-of weekblad, zq huiveren er voor terug om deze beginselen toe te passen in de practqk en tenslotte gaat alles weer zqn ouden gang. Zelfs kan men meer dan éénmaal diakenen ontmoeten, die meenen, dat het niet geoorloofd is de reddende hand naar iemand uit te steken, voordat hq tot algeheele armoede vervallen is. Voorkomen van armoede is in hun oogen hetzelfde als het armengeld geven aan menscheu, wien het niet toekomt. Om een greep te nemen uit het plattelandsleven. Daar is iemand, die een koe heeft en een geit, een stukje bouwen weiland wordt gepacht; verder gaat hij uit werken om voor zijn gezin de kost te verdienen. Door ziekte in zqn gezin of ten gevolge van andere oorzaken komt de man in moeilijke omstandigheden Hij kan de pacht niet betalen, want een tekort van f 150 is voor zoo iemand een ontzaglqke som, Wat nu te doen ? Indien de diakenen hem die f 150 geven, desnoods onder voorwaarde dat er hij, zoo mogelqk, later afbetaalt, is hij voorgoed geholpen en heeft geen verdere hulp noodig. De ervaring evenwel leert, dat tal van diakenen hiertegen bezwaar hebben, ook al kennen ze hem als een ijverig werker; ze gaan zeggen: ja, maar hq is inderdaad nog niet arm en behoeftig; hq heeft nog een koe in eigendom en nog een geit. En wanneer ze op deze wijze voet bij stuk houden, en de notaris maant aan om te betalen, wordt de man genoodzaakt zijn koe te verkoopen, die (wat in dit geval van de grootste beteekenis is) voor hem een middel van bestaan vormt. Met dit gevolg, dat hetgeen er van de verkochte koe is overgebleven, spoedig in de huis d houding verdwenen is en de diakenen voortaan lederen winter, als er geen werk te vinden is, hulp moeten verleenen. Die hulp mag nu in één winter lang geen f 150 bedragen; op den duur wordt het toch een som, die de f 150 verre te boven gaat, terwijl daarnaast nog gelet moet worden op de groote schade, die in zedelqk opzicht heel het gezin hierdoor geleden heeft.
In een dorp of in een stad zijn deze gevallen wel weer van anderen aard, maar tenslotte komen ze toch op hetzelfde neer. Bijtijds ingrqpen kan iemand vaak voor armoede bewaren; het wachten tot volslagen armoede is ingetreden maakt het meestentqds onmogelijk den arme weer tot zelfstandigheid te brengen, niet alleen ten gevolge vandeuiterlqke omstandigheden, maar óok omdat de veerkracht en de energie menigmaal gebroken zqn.
Nu is het waar, dat op dit gebied voetangels en klemmen liggen. Er wordt in deze wereld veel misbruik gemaakt van anderer bereid vaardigheid om te helpen. Wanneer er één op deze wqze geholpen is, komen er meerdere van aUe zijden met klachten, dat ze zich niet staande kunnen houden en wenscben ook zoodanige hulp. Evenwel hoe moei-Iqk het werk moge wezen, men kan en zal toch nimmer de ondersteuning van armen afschaffen omdat er tal van minderwaardigen onder de armen zijn ; daarom kan ook de voorkoming van armoede door de Diaconie niet veroordeeld worden op grond van het misbruik, dat van deze hulpvaardigheid der diakenen gemaakt zal worden. Hier geldt alleen, dat de gave der wqsheid en der voorzichtigheid door onze diakenen niet gemist kan worden en dat ze zich dubbel hebben in te spannen om hun menschen te kennen.
Wie evenwel eenigszins heeft leeren zien, hoe het pauperisme het struikelblok is voor het Diaconaat, waardoor menigmaal al de liefdesarbeid met onvruchtbaarheid geslagen wordt, zal beseffen, hoe noodzakelijk het is 't aantal paupers niet te vermeerderen door de wankelende broeder of zuster aan hun lot over te laten totdat zij onder dat aantal zijn terecht gekomen. Zelfs komt het mq, indien de middelen der Diaconie niet toereikend zqn, op dezen grond aanbevelenswaardig voor, om de paupers, de armen, die van geslacht tot geslacht van de Diaconie hebben getrokken en in zekeren zin zedelqk minderwaardig zijn, over te laten voor het Burgerlqk Armbestuur, opdat men allereerst hen helpe, voor wie liefderqke hulp in zedelqk en maatschappelqk opzicht tot een zegen is en welke hulp in dien weg overvloedig zal zqn in dankzegging tot God en mede kan werken tot opbouw der Gemeente.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's