Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VETLTMAN. 39)
„Zij weet dat al heel goed, mevrouw! Moeder merkt ook wel, dat er - de rechte naaister niet in zit!
't Goede schaap I — te weiaig nadenken! En toch gelukkig! — Dat zie je aan haar, en merk je aan. alles. Een kind van God, Ombra! — Een geliefd kind!”
, Ja mevrouw! dat is ze zeker!"
„Maar jg ziet er nu toch ook gelukkig uit, Ombra! Jg hebt ook niet te klagen I"
„Nee, mevrouw! niet over God en ia iet over menschen! Alleen maar over me zelf."
„Zoo, zoo! — dan heb je ook nog genoeg! Nou kind, je weet je zaakjes; ga nu maar gauw. Je treft hemelsch weer."
Ombra was nauwelgks om den hoek van 'thuis, of ze keek naar alle kanten uit, en haastte, en haastte zich, om op den weg te komen. En pas door 't hek, hield ze dadelijk den tred in en keek uit naar beide kanten, ver den weg uit. Misschien —zou ze hem nóg eens ontmoeten !
Ze had den indruk, dat ze vri| stug zich jegens hem had uitgelaten, en 't speet haar. Den edelen jongen, wat had ze zich op hun bouwland tegen hem teweer gesteld! Maar toen kon zij zich niet denken iemand als Wgnand, zooals ze nu hem meende te kennen. Zooals oom Johannes in zijn jeugd was geweest, zóo dacht ze zich Wgnand nu. Met wat een blijdschap had hij 't vragend gezegd, dat zij haar belgdenis had gedaan I En: „Een heel verschil bij vroeger!" Hij begreep dus den grooten keer in haar leven, omdat — hg er ook zelf deel aan had ....
In haar zag ze 'm telkens; altgd aan den overkant der sloot, altijd haar open, soms verïegen in 't gelaat ziende. Toen was hij haar een vreemde, dien ze slechts even zag, als de talrgke bezoekers in de herberg, die er heengingen elk in hun eigen verre of nabije wereld. Evenwel had ze in zijn blik iets verstaan, en 't was haar niet geheel zonder eenige zoetigheid, maar 't beteekende weinig meer dan 't geld voor de borrels van de jonge menschen: de stuiver van den een was niet meer dan de stuiver van den ander.
Maar nu — er was op heel de wereld slechts één Wgnand, en zgn blik werd haar als 'taleenig licht der zon. 't Was de blik niet van nu, van bij den kruiwagen ; maar van toen, van over de sloot, en bij 't boonenveld.
Doch die Wgnand had nu een baardje, en ze zag hem steeds er zonder; 't vermoeide haar van binnen, dat ze maar bezig was, hem een baardje om de kin te zien, en 't lukte haar niet. Met binnenwaartsche handen duwde ze telkens een baardje tegen zgn kin, doch 't wilde er niet blgven: 't viel, of vloog weg als een vogel, of verspon zich tot een langen draad.
Als ze hem maar weer zag, zou ze zóó lang hem aankgken, dat ze hem nooit meer anders zag, dan hg nu werkelgk was, met zgn baard.
't Had oom en tante, en Mien zelfs, getroffen, dat Ombra nu zoo echt bliij uit haar oogen had gezien. Echt big — want doorgaans doolde er een Irek van smart over haar gelaat; en vooral wanneer ze lachte, kwam er iets om haar mond en in haar oogen, dat in den waarnemer de vraag deed opkomen: Heeft Ombra geweend? Wat zou haar schelen ?
Nu echter ontbrak er die nevelende trek van treurnis en men vroeg, wat groot geluk er haar ten deel mocht gevallen zgn.
Was ze zich zelf haar geluk en blijdschap zóo bewust, dat z'er rekenschap van kon geven?
Ze zag 't niet anders dan als een teere wolligheid, een nestje van enkel koestering, een bewaarplaats van leven, dat nog worden moest; 't voelde zoo mollig, zoo troetelend warm, vol belofte van geheimzinnige voldoening, van de allerteederste verhulling: leven uit leven, en leven tot leven, 't wordend zijn.
't Beginsel van de altgd levende, werkende rust Gods van boven groeide al krachtig in haar ziel, hoog ten hemel op, de eeuwigheid in. En nu was in haar gaan kiemen een evenzeer van God ingelegd zaad, 't bewustworden van't leven als halfmensch, 't zich uitstrekken naar 't volmenschelgke, 't verlangend streven naar 'tmensch zijn en menscb blgven, geslachten en eeuwen door tot de volheid van al 't menschelgke.
Wgnands verschijning was als een zonnestraal, die door morgennevel ea dauw heen, de teere kiem't hoofd bigde opwaarts trok en haar bewustheid wekte, bewustheid van 't bestaan van, en 't verlangen naar het volle menschelgk leven, waarnaar onbewust de plant zich heenstrekt, en waarom ze zoo vroolgk groeit, zoo lustig bloeit, zoo weelderig den rgken last barer vruchten draagt, om 't eigen leven verhonderdvoudigd voort te zetten.
Ombra verlangde naar den Zondag) naar de kerk, omdat ze er rust, meel rust hoopte te vinden. Want in haar was 't onrustig geworden, omdat ze den magneetnaald van haar innigste genegenheden niet immer naar God zag heen gericht.
(Wordt vervolgd, )
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's