De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

12 minuten leestijd

In de N, Rott. Grt. vonden we onlangs het volgend artikel, dat we zonder eenige opmerking onzerzijds hier overnemen

Het Oud-Katholleke voorbeeld.

Als twee hetzelfde doen, is dit nog niet hetzelfde. Dit geldt ook van de beide kerkgenootschappen, die te gelijker tijd bezig zijn een synodale organisatie te scheppen. Terwgl dit scheppen in de  Hervormde kerk herscheppen is en de ontworpen organisatie met den naam reorganisatie wordt betiteld, staat de Roomsch-Katholieke kerk van de Oud-Bisschoppelgke Clerezie voor een begin. En deze omstandigheid plaatst haar al dadelgk in het voordeel. Want hierdoor heeft zg niet het grootste deel van haar krachten in te spannen met de wegruiming van het zware puin van een halsstarrig verleden.

Nu echter de Hervormden sinds jaar en dag bezig zgn, een kerkorde tot stand te brengen, die eenigszins aan de algemeene behoeften van den modernen tijd voldoet, mogen zg met nag ver blikken naar hetgeen de Oud-Katholieken in een handomdraai hebben bereikt. Hoe kort nog is het geleden, dat in dit kerkgenootschap plannen begonnen op te komen tot het instellen van een synodale vertegenwoordiging. En thans liggen reeds voor ons de synodale statuten en het daarop gegronde kiesreglement, welke stukken gezamenlgk de Hervormden kunnen leeren, hoe zg de zaak moeten aanpakken.

Natuurlijk brengt het verschil in aards en omvang voor elk der beide kerkge­ p nootschappen een bizondere regeling mee en kan van een klakkelooze navolging  geen sprake zgn. In het Oud-Katholieke kerkverband kan de synode tegenover de souvereiniteit van de bisschoppen nooit meer dan een adviseerend lichaam zijn, al zal in de praktgk het synodaal advies wel gelgk staan met een bindend besluit. Dit wat den aard betreft. En in omvang is het verschil mogelgk nog belangrgker. Een kerkgenootschap, samengesteld uit nog geen dertig voor 't meerendeel kleine gemeenten, is gemakke-Igker representatief in te deelen dan een massaal instituut van over de 1300 gemeenten, waarbg er zijn die bijkans tweehonderd duizend leden tellen !

Zoo zou het bijv. ondoenlijk zgn voor de Ned. Herv. Kerk, om in navolging van de Oud Katholieke de synode te doen bestaan uit afgevaardigden der gemeenten. Zulk een „groote synode" zou wel wat heel groot worden! Maar overigens is er veel, wat de Hervormde reorganisatie-mannen van allerlei richting aan de Oud-Katholieke statuten en reglementen kunnen ontleenen. 

We komen na deze vergelijking, die zich onder de nawerking van de Hervormde reorganisatie-plannen onwillekeurig opdringt, tot de Oud-Katholieke Synode zelf. Deze zal samengesteld zgn uit „vier Elemente, innig gesellt", te weten de bisschoppen, den president en de hoogleeraren van het seminarium, alle dienstdoende priesters en deleekenafgevaardigden der gemeenten (parochiën)

Het leeken-element blgft dus in de minderheid, hetgeen echter noodwendig bij dit kerkgenootschap voortvloeit uit het priesterlgk karakter, dat leekenoverheersching principieel uitsluit. Aan de kerkelgke boogleeraren, die bij de Hervormden slechts over een praeadviseerende stem beschikken, wordt in de Oud Katholieke synode volledig lidmaatschap toegekend.

Het spreekt vanzelf, dat de talrgkheid van een dergelgke synode de instelling van een kleiner lichaam eischt, dat de loopende zaken afdoet. De synodale commissie van de Hervormden vindt bij de Oud-Katholieken haar tegenhanger in den „Synodalen Raad", die bestaat uit de bisschoppen of de tijdelijke bestuurders van het bisdom, mitsgaders één geestelgke en twee leeken uit het aartsbisdom Utrecht en eveneens uit het bisdom Haarlem.

De synode komt om de twee jaar, zooveel mogelijk in de Pinksterweek, te Utrecht bijeen; de Synodale Raad vergadert tenminste tweemaal 's j aars. Buitengewone vergaderingen van beide lichamen worden uitgeschreven op verzoek van een bepaald aantal leden.

Wat zgn nu de werkzaamheden van de synode? Tot haar bevoegdheid behooren, benevens het beheer en het toezicht met betrekking tot de stoffelgke goederen der kerk het geven van advies bij de behartiging door den Synodalen Raad van de belangen der kerk. Beheer en bestuur zijn bij de Oud-Katholieken dus niet gescheiden. De synode kan dan toch ook, zij het met twee-derden der uitgebrachte stemmen, besluiten tot een hoof delg ken omslag over de parochiën, waarbij zg rekening heeft te houden met de inkomsten der gemeente, het zielenaantal en de billgkheid. Dat deze bepaling in de statuten afzonderlgk is vastgelegd, dunkt ons niet zonder beteekenis. „De beraadslaging", aldus lezen wg verder, „over alle onderwerpen, die de godsdienstige en zedelijke belangen der kerk betreffen, staat aan de synode ten allen tijde vrij. Besluiten kunnen ten aanzien hiervan slechts worden genomen, wanneer het onderwerp op de agenda is vermeld. Zg behouden steeds het karakter van advies." De uitvoering van de hier bedoelde besluiten blgft voorbehouden aan den Synodalen Raad, waaraan ook het overleg met de bisschoppen is opgedragen. De behandeling van onderwerpen van dogmatischen aard vereischt een bepaaldelgk daarvoor uitgeschreven bgeenkomst der synode.

Een aangenamen indruk maakt de ruime wijze, waarop de synode ook aan niet-leden de gelegenheid openstelt, om met haar in verbinding te treden. Niet alleen kunnen alle Oud-Katholieke vereenigingen en lichamen, alsmede alle meerderjarige Oud-Katholieke personen tot de synode verzoekschriften richten, maar — een navolgenswaardig novum! — bovendien kan de Synodale Raad aan de verzoekers de mondelinge toelichting hiervan toestaan.

Een waarlgk schitterend blgk van het ernstig streven der Oud-Katholieken, om hun kerk bij den tijdgeest niet ten achter te doen komen, is de aanvaarding van het beginsel der volledige openbaarheid tot zelfs op den heiligen grond der synode toe I „De bgeenkomsten der synode", aldus lezen we in artikel 7 der statuten, „zgn toegankelgk voor alle meerderjarige Oud-Katholieken, voorzoover de daarvoor beschikbare ruimte gelegenheid geeft."

Dat niet alleen de ruimte een beletsel kan zijn, doch er zich ook omstandigheden kunnen voordoen, waarbg het schoone beginsel moeilgk volledig in praktijk kan worden gebracht, doet aan de beteekenis van de aanvaarding daarvan niet af. Wie zal het laken, als hg in het boven aangehaalde artikel der statuten verder leest, dat „het recht van toegang, in de vorige alinea genoemd, ten aanzien van bepaalde personen of voor bepaalde onderwerpen door den voorzitter of bg besluit der synode (kan) worden opgeheven? " 

Inderdaad mag men de Oud-Bisschoppelgke Oierezie gelukwenschen met deze anvaarding van de meest mogelgke ubliciteit in kerkelgke zaken. Hoeveel eer zullen de Oud-Katholieken in de angelegenheden van hun kerkgenootchap belang stellen en hoeveel inniger ullen zij met hun synode meeleven, an de leden van een kerkgenootschap, aarin men zich moet tevreden stellen et een communiqué, dat niet zelden angaande belangrgke zaken uitsluitend oor de synode-leden zelf begrijpelijke ededeelingen verstrekt, doch de kerk n het duister van algemeenheden en inspelingen laat!

Niet minder ingrijpend dan deze deocratische maatregel, de publiciteit etreffend, is ook de wgze, waarop de fgevaardigden naar de synode worden enoemd. De Oud-Katholieke kerk heeft ier het algemeen kiesrecht tot in zijn aatste consequenties aangedurfd. Kieserechtigd zoowel als benoembaar tot id der synode zgn alle leden eener geeente, die tot de eerste H. Communie gn toegelaten. Om te kiezen moeten zg 21, om gekozen te worden 25 jaar oud zijn.

Tusschen mannen en vrouwen wordt dus in dit opzicht ook in de Oud-Kathoieke Kerk reeds geen onderscheid meer gemaakt. Allicht zullen in de eerste synode van dit kerkgenootschap de vrouwen hun intrede doen. Inderdaad, het grootste protestantsche Kerkgenootschap, de „masale" en derhalve onwillekeurig meest democratisch gedachte „volkskerk" der Hervormden komt langzamerhand met haar uitsluiting van de vrouw heelemaal alleen te staan! Men zal haar binnenkort als een bizonderheid nawijzen.

Ten slotte getuigt de wijze, waarop het kiesreglement de verkiezingen regelt, van gezonden, praktischen zin. De datum, waarop de leden tot stemmen worden uitgenoodigd, de datum, waarop de veriezingen worden gehouden; de wijze van temmen en de - inrichting van het stemokaal en het stembiljet zgn voor alle gemeenten uniform geregeld. Welk een gelegenheid tot geknoei voorkomt men hierdoor!

Het spreekt bijna vanzelf, dat bij een dergelgke op moderne leest geschoeide organisatie het stelsel van candidaatstelling eveneens reglementair is verplicht. Het indienen van candidatenlijsten, die de onderteekening moeten dragen van ten minste tien kiesgerechtigde leden of in gemeenten beneden de vijfhonderd zielen van ten minste vgf kiesgerechtigde leden, is een maatregel, waarnaar elke voorstander van zuiverheid in kerkelijke aangelegenheden zal hunkeren, die zich het gekonkel der parochiale tinnegieters herinnert in kerkgenootschappen, waar ieder „vrg bligven" mag.

V. K. schreef in de „Rgnlandsche Kerkbode" het volgende artikel over Jeruzalem's eerste christengemeente in verband met het gebruik, dat van de woorden der Heilige Schrift, die melding maken van het christelgk leven in die gemeente, gemaakt wordt ter verdediging van het communisme.

Het artikel luidt:

Alle goederen gemeen.

De wereldoorlog, waarin goederen, resultaat van nijver werken van tientallen van jaren, met voorbeeldeloozen ijver zgn vernietigd en verwoest, heeft natuurlijk als gevolg gehad, dat gebrek in velerlei vorm ontstaan is, en dat over geheele volksklassen verarming is gekomen. Dat is vooral het geval in de landen, die door de hongerblokkade hunner vganden van toevoer van levensmiddelen afgesneden werden, en zoo hunne voorraden en nieuw-gewonnen producten opteerden. Als redmiddel in dezen nood heeft men het communisme gepredikt, d.i. afschaffing van allen particulieren eigendom, zoodat alle goederen, grond, huizen, ifabrieken, machinerieën, werktuigen, overgingen aan den Staat, en onder diens leiding door allen tot heil van allen gebruikt moeten worden. Dit zou dan den heilstaat scheppen, gelijk men in Rusland en Hongarge dat dan ook reeds bezig is te doen. Wel is waar maakt deze nieuwe poging tot inrichting van eene betere maatschappij op ons in de verte tot nog toe geen anderen indruk dan dien van een groote moord-en roofpartg. Ernstig is het verschgnsel, dat ook in ons vaderland de partg dezer „communisten" zeer toeneemt. Maar in zekeren zin nog ernstiger is het, dat men soms in christelijke kringen eene stem hoort, die in het communism e (afgedacht van de gruwelen der communisten) iets te prgxen vindt; ja zelfs zich ervoor op de Heilige Schrift beroept. Aan dit beroep op het Woord des Heeren willen wg eenige regelen wijden. Want het geldt hier een zeer ernstig maatschappelijk vraagstuk, waartegen wg Christenen eene goede, recht bewuste positie moeten innemen.

Communisme meent men dan te vinden in de gemeenten der eerste Christenen. Handelingen 2 vs, 44, 45 zegt dienaangaande: „zg (de geloovigen in Jeruzalem) hadden alle dingen gemeen, en zg verkochten goederen en have, en verdeelden die aan allen, naar dat elk van noode had." En 4 vs. 32 vermeldt: „Der menigte van degenen die geloofden, was één hart en ééne ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen." Zoo op den klank af, zou men meenen, dat er verband bestaat tusschen het handelen der Christenen, nu bijna 1900 jaar geleden, en het streven der communisten. Maar zoo men bezonnen leest, dan vindt men, dat die overeenstemming niet meer dan schijn is, in werkelijkheid eene tegenstelling er tusschen bestaat.

Is 't waar, dat de eerste Christenen alle privaatbezit ophieven, en alles „socialiseerden" (aan de „gemeenschap" overdroegen)? Neen! De bladzijden van de Handelingen, die onmiddellgk volgen, weerspreken het. De eerste Christenen hadden een zeer sterk ontwikkelden zin voor gemeenschap, uiting der Christelijke broederliefde; en daarom hadden zij ter liefde van de broederen zooveel over, dat zij zelfs goederen en have, onroerend goed voor hen verkochten. Maar zij verkochten toch niet alles; blijkbaar alleen maar zooveel als het oogenblik noodig maakte om te voorzien in de behoeften van de arme leden der gemeenten. Als Barnabas eenen akker verkocht voor dat doel, dan wordt dat met zekeren lof voor hem beschreven (4 VS. 36). In de geschiedenis van Ananias en Saflra staat met nadruk op den voorgrond, dat zij in niets gedwongen waren tot goederenverkoop, maar dat het geheel vrq willig, dus uit liefde geschiedde (5 VS. 4). Later vinden wij melding gemaakt, dat geloovigen huizen hebben, waarin zij de gemeenteleden ontvingen of herberg verleenden. (12 vs. 12; 21 VS. 16). Uit hoofdstuk 6 vs. 1 blgkt, dat weldadigheid werd beoefend; hoe zou dat mogel^k hebben kunnen zgn, zoo men niets meer als het zqne bezat, dat men geven kon ? En om niet meer te noemen: de apostel Paulus vermaant de geloovigen uit de heidenen niet, om alle privaatbezit af te schaffen en gemeenschappelqk bezit van alles in te voeren; maar wel, om gaven af te zonderen voor de gemeente te Jeruzalem, die destgds zeer verarmd was. Hieruit ziet men, dat van goederengemeenschap in communistischen zin geen sprake is. Eet privaatbezit bleef gehandhaafd; maar door de liefde tot de broederen gedreven, deelden zij-mild van het hunne uit, en verkochten daartoe zelfs van hunne bezittingen. Dit geeft, bij bezonntn lezen, de Heilige Schrift in de beide aangehaalde plaatsen 2 vers 44 en 5 vers 32, ook te kennen, Zq „hadden-alle goederen gemeen", wil niet zeggen: zq verloren alle beschikking over hun bezit; maar: zij hielden, zij beschouwden alle diagen gemeenschappelijk ; en die „zij" zijn dan niet degenen, die het goed niet hadden, maar die het wel bezaten. Zg beschouwden hunne bezittingen niet als iets, dat hun alleen ten goede kwam, maar als iets, dat zij gebruiken moesten voor het nut en het welzijn van allen. „Niemand zei, dat iets van zijne bezittingen van hem was", integendeel, zij stelden ze gaarne ten dienste van allen. Zoo wordt onze conclusie dus: dat de eerste Christengemeente een geheel ander beeld vertoonde, dan de gewenschtecommunistieche maatschappij. Deze kan alleen worden opgericht door dwang: gene had tot grondslag de liefde. Grondregel van het communisme is : al het uwe is het mijne; en dan wordt met geweld gesocialiseerd, d.w.z. aan bezitters het hunne ontnomen ; die van het jonge Christendom was: al het mgne is het uwe; en daarom verkocht men zelfs zijne have en goederen voor de broederen.

Het communisme vindt in de Heilige Schrift geen steun. Integendeel, zg leert particulier eigendom, omdat door haar een mensch eerst waarlijk mensch is, vrq is, als big iets 't zijne noemen kan. Maar hier, in de Handelingen wordt ons een zeer belangrijk beginsel geleerd ; dit n 1. dat de liefde tot de broeders, in het algemeen : tot de menschen, ons dringen moet, om wat wij het onze mogen noemen, niet egoïstisch voor ons alleen te behouden, maar het ook te gebruiken ten bate van onzen naaste. Waarlijk sociale zin, die tot welzijn en welvaren is van onzen naaste, moet vrucht zijn Van christelqke broederliefde en dus van christelijk geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's