De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijnen Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd : Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik. Jesaja 65:1.

Opzoekende liefde.

Te New-York werd op zekeren dag de aandacht der voorbggangers getrokken door een levensgroot portret. Het stelde een in rouwgewaad gekleede dame voor en er onder waren de woorden gedrukt: „Kom thuis! uwe moeder wacht op u, alles is vergeven." Ziedaar de zoekende liefde eener moeder. Zij zocht haar kind, een meisje, dat in' den poel van zonde verzonken was. Tevergeefs had zij haar gezocht. Ten laatste nam ze dit redmiddel te baat. Ea dit redmiddel bracht de dochter weer tot hare moeder. De afgedwaalde zag het portret en vond den weg terug tot het moederhart. Zoo doet de Heere ook met verloren zondaren. Hij roept: Komt thuis, Ik de Heere wacht op u, alles is vergeven." De Heere zoekt den verloren mensch, hoewel de mensch Hem niet zoekt. En Hij vindt hem, eer de mensch Hem zoekt. Van die opzoekende liefde getuigt nu dat bekende woord van Jesaja 65:1. Want het is:

lo. Een liefde, niet gevraagd en toch geopenbaard.

2o. Een liefde, niet gezocht en toch gevonden..

3o. Een liefde, niet begeerd en toch geschonken.

lo. We zouden Jesaja kunnen noemen : , De Oad-Testamentische Paulus." Het Universalisme van een Paulus is hem niet vreemd en telkens weer geldt zijn profetie de wereld der heidenen. Ook in ons tekstwoord spreekt de Heere tot de heidenen. Dat blijkt uit Romeinen 10:20, waar Paulus deze woorden aanhaalt en op de heidenen toepast.

Ook de tegenstelling met vs. 2 toont dit duidelijk.

„Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden, " wordt dus van de heidenen gelegd.

Nu beteekent dit woord „gevonden" iets anders dan het volgende woord «gevonden" in het 2e gedeelte van onzen tekst,

Dit blgkt ook daaruit, dat in den grondtekst twee verschillende woorden staan.

Wat nu dat eerste woord „gevonden" betreft, zegt ons Paulus in Rom. 10:20 wat we er onder te verstaan hebben. Daar toch zegt hij: Ik ben openbaar geworden". (Paulus begint daar met het tweede gedeelte van ons tekstwoord. De volgorde is omgekeerd).

„Ik ben gevonden" beteekent dus: , Ik ben openbaar geworden." Ik heb Mq geopenbaard, Mq doen kennen. We zouden kunnen zeggen: Ik heb geantwoord hen, die mij niet vraagden. De heidenen vroegen God niet, toch antwoordde Hq.

Toch zond Hq de prediking des Evangelies. Hy kwam van genade. en komt met het aanbod

Eu toch vroegen ze er niet om. 

Dit „vragen" is inzonderheid het vragen naar den wil Gods. Zoo vroegen de heidenen hun orakels.

Voor iedere gebeurtenis van beteekenis vroegen zij naar den wil der godheid.

Maar naar den Heere vroegen zq niet. Om Zqn wil bekommerden zq zich nooit. Om Zijn gunst en genade bedelden zij nimmer.  Maar de Heere vroeg naar hen wel. Hij kwam met zijn genade en ontferming.

Wat een opzoekende liefde. Een liefde, niet gevraagd en toch geopenbaard.

En nu zijn wij van nature den heidenen gelqk. Niet, wat betreft de verhouding tot den Heere en Zqn Woord.

Maar wel wat betreft ons natuurlijk leven, ons bedorven, onwedergeboren hart.

Ook wq vragen niet naar den wil des Heeren.

Buigen wij voor Hem in al onze ondernemingen ?

Vragen wij om Zijn zegen?

Vragen wq om het licht des Heiligen

Neen, wij verwaarloozen van nature onze ziel.

Wij doen als de heidenen en vragen ome orakels.

Wij vragen naar onze lust, ons genoegen. Wij vragen naar den wil des menschen.

EQ nu verwachten de heidenen een antwoord op hun vragen. Als zij een orakel vragen gaan zq niet zonder een antwoord heen. Maar van den Heere verwachten zq geen antwoord. Zij vragen niet en behoeven dus ook geen antwoord. Zoo ia het ook weer met den natuurlijken mensch.

Als ge uw knieën al buigt, als ge al om raad en wijsheid vraagt, wacht ge niet eens op antwoord. Uw bidden en vragen is niets dan vorm. Wel is die vorm niet te verachten evenmin als het vernis op het leelijke dorre hout, maar het is slechts vernis. Het zit er van buiten op.

Als nu de Heere moest wachten totdat de mensch vroeg, werd niemand zalig. Daarom «pzoekende liefde. Hij antwoordt dengene, die niet vraagt.

Wat een troost voor hen, die zich kennen als niet-vragenden. Zóó leeren Gods kinderen zich kennen. Zij klagen dat zij den Heere voorbq loopen.

Zij hebben het ouderlijk huis verlaten en hebben er smart over. Maar gelijk die moeder hare dochter zocht, zoo zoekt de Heere die nietvragenden.

Hun droefheid wordt ook wel eens tot blqdschap. 

De Heere laat hen de 'schilderq zien, met dit opschrift: „Ik ben openbaar geworden aan hen, die naar Mq niet vraagden".

Zqt gq reeds een niet-vragende ?

Ho. Dan ook was er „een liefde, niet gezocht, maar toch gevonden". „Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten".

Die mij niet zochten  zqn dus ook weer de heidenen.

Zq zoeken juist niet den Schepper, maar het geschapene. '

Zij gaan op in de vergankelqke dingen en zoeken in alles zich zelf. Lees slechts d Rom. 1, waar Paulus hen zoo treffend I teekènt in al hun ellende.

Ea dat zq het geschapene «oeien, wijst d er op dat zij hun hart er op gezet hebben. Zq gaan er in op. De dingen van dit even zqn hun hoogste goed.

En nu zie ieder maar zqn eigen natuur. Van nature zoeken ook wij den Schepper niet. Wij zoeken het geschapene. Eigen eer en roem. De vergankelqke dingen. En in alle dingen ons zelf.

Ook zetten wij ons hart er op. We zijn er van oogenblik tot oogenblik mede bezig. We wroeten altijd door in de aarde zonder op te zien naar den hemel. Inderdaad, er is niemand, die God zoekt.

In die ellende zou de mensch nu eeuwig moeten blijven, indien de Heere niet gezegd had: „Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten."

„Ik ben gevonden" Er staat in den grondtekst: „Ik heb mij laten vinden".

Als ik zeg: „Ik ben gevonden", dan kan men sndsrstellcn dat men deor eigen inspanning gevonden heeft. Maar „laten vinden" sluit in dat ik nooit gevonden zou zijn als ik het niet gewild had.

Hieruit volgt dus dat de heidenen den Heere nooit zouden gevonden hebben als Hij hen aan hen zelf had overgelaten. Maar de Heere liet zich-vinden.

Het was dus enkel een daad Gods. Het ging van den Heere uit. Het was Zqne opzoekende liefde.

En zoo is het met den natuurlijken mensch ook.

Hij vindt den Heere r^ooit door eigen krachtsinspanning. Ook al zou hij heel zijn leven zoeken, het zou niet baten indien de Heere zich niet liet vinden-Het is alleen de opzoekende liefde des Heeren. Hq zoekt den zondaar, gelijk die moeder hare dochter, hoewel de dochter de moeder niet zoekt.

En wat een troost nu voor allen, die zich kennen als me< -zoekenden. Daarop komt het aan. De mensch van nature zoekt den Heere niet, en hij weet het niet. De wedergeborene weet het wel, want hij ziet dat hij God niet zoekt. Dat is juist het kenmerkend verschil tusschen hem, die genade kent en hem, die nog leeft zooals hij geboren is.

Gods kinderen weten dat zij zich zelf zoeken. Daarom hebben zq last van hun hoogmoed.

Zq hebben gezien dat de vergankelijke dingen hun zooveel waard zijn en daarom treuren zq met den dichter: „Hoekleeft mqn ziel aan 't stof".

Maar ziet, in dat treuren wordt een troostwoord vernomen. Het onderschrift onder de schilderij: „Ik ben gevonden van degenen, die naar Mq niet zochten".

En nu behoeft men niet eerst te weten dat men een zoekende is. De troost is weggelegd voor hen, die niet zoeken. O gij niet-zoekenden, de Heere is juist door u gevonden, door u juist laat Hij zich vinden. Vraagt u maar af of gq reeds tot de niet-zoekenden behoort en deswege treurt en klaagt. het ook een liefde, niet begeerd, en toch geschonken. Niet begeerd. Onze tekst zegt: „Het volk, dat naar mqnen Naam genoemd was". Volgens sommigen beteekent dit at het volk der heidenen niet zooals Israël naar Jehova was genoemd. 

Volgens anderen, b.v. Calvijn, bedoelt de Heere: „het volk, dat mqnen Naam niet aanriep".

De opvatting van Calvijn komt mq voor als de juiste.

De heidenen riepen den Naam des  Heeren niet aan. D.w.z. zq erkenden Hem niet als hun God. En zij begeerden Hem niet als hun Jehova.

De afgoden riepen zq aan. Aan hout en steen brachten zq goddelijke eer. Het schepsel huldigden zij. Den Heere begeerden zq dus niet. Maar nu had de Heere Zich toch aan hen geopenbaard in Zijn gunst en genade. Zijn eeuwige zondaarsliefde had Bij hun geschonken. Daarom zond Hij Zqn Evangelieboden uit tot de heidenen. Evenals die moeder had Hij een portret van Zichzelf laten ophangen. Want de Heere teekent zichzelf in Zijn Woord. Gods Wöörd is een portret dat eeuwige zondaarsliefde in beeld brengt.

-En dat portret had de Heere den heidenen laten zien, met het vergulde onderschrift: „Komt thuisI uw God wacht op u, alles is vergeven."

Zoo doet de Heere ook met niet heidenen.

Want de natuurlqke mensch erkent God niet. Wel met den mond. Maar mondbelijder is niet genoeg, of liever dan ontbreekt alles nog. Daarom begeert hij God oók niet. Hq bidt niet om Zijn gunst en gemeenschap. Hij bidt tot zijn afgoden. En de natuurlijke mensch heeft er velen.

Maar de .voornaamste is zqn eigen Ik. Voor dien afgod ligt hij altijd gebogen. En toch roept de Heere in iedere prediking het den onbekeerde toe: „Komt thuis I" Maar. het is geen troostwoord voor hem, want hij is thuis, Hq gevoelt zich met al zijn gereformeerdheid nog zoo op zijn gemak in de wereld. Hq heeft geen behoefte aan 's Heeren gunst. De gunst der menschen is hem veel meer waard, zoo niet alles waard. En Gods genade begeert hij niet, hopwel zqn mond iedere preek zou veroordeelen, waarin het woord „genade" niet voorkwam.

Neen, troost biedt ons tekstwoord alleen aan hen, die zich kennen in hun afkeer van God. Zij die zeggen dat zij den Naam des Heeren niet aanroepen. Zij, die klagen dat zij niet roepen en bidden kunnen.

Juist tot hen klinkt het, geheel onverwacht: „Zie hier ben Ik." Letterlijk staat er: „Zie Mq."

Zie Mq in Mqn gunst en ontferming. Zie Mqn portret in Mijn Woord en lees daar dat Woord dat ieder verootmoedigd zondaar moet roeren: „Komt thuis! uw God wacht op u, alles is vergeven".

Ja de Heere toont zich als in rouwgewaad. De zonde doet Hem verdriet. O, gq treurenden en ongetroosten, treurt dan maar veel om uwe zonden, om uw afkeer en vijandschap. Breke de Heere maar meer en meer af, opdat het nderschrift, onder het Goddêiqk portret dierbaar worde: „Kom thuis I Uw emelsche Vader wacht u, alles is vereven."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's