Uit het kerkelijk leven.
De Kerkvisitatie. IV.
Hoe de Kerkvisitatie werd ingericht ver 't algemeen, begrqpen we nu, na 't visitatiereglement van Delft gelezen te hebben, wel. De predikanten vooral waren een voorwerp van onderzoek. Men vroeg ze naar hun leer en leven, naar hun huiselijk en maatschappelqk verkeer, naar bun qver en goede trouw, ook de opvoeding van hun kinderen kwam ter sprake. Niet zelden doorsnuffelde men hunne bibliotheken, om te zien of er ook ongereformeerde boeken in waren en wendde 't oog naar de schrijftafels, doorzocht de papieren en nam 't verdachte mee.
Na den predikant waren de kerkeraadsleden aan de beurt, al was 't natuurlijk niet in dezelfde mate; en daarna kwam het verdere kerkelijk personeel als: schoolmeesters, catechiseermeesters, krankenbezoekers, kosters, klokkeluiders enz.
De dienst des Woords en der Sacrafiaenten word 'ter sprake gebracht; de opbouwing tot kennis, de vruchten des geestelijken levens, die. men in de gemeente opmerkte, de verkeerde praktq ken en neiging tot ketterq, zoomede de middelen om die weg te nemen en het gebruik maken van de sleutelen des hemelrijks.
De kerkeraadsboeken werden ingezien, de fondsen van Kerk en armen nagegaan, de geregelde uitbetaling der tractementen onderzocht. Verder werd de staat der gebouwen, als Kerk, pastorie, school enz. in oogenschouw genomen.
De moeilijkheden die er waren met predikant of kerkeraad, zochten de visitatoren tot een goed einde te brengen en niet zelden werd het initiatief genomen en de weg gewezen voor dingen, die zij hoog noodig achtten.
Dat de rapporten der visitatoren dikwijls omvangrijk en belangrijk waren, ligt voor de hand, en waar zé op de classicale vergaderingen ter sprake moesten worden gebracht, werden dan niet zelden breede discussies daarover gehouden. Onder veel dat tot blqdschap stemmen kon, was er ook dikwijls niet weinig dat pijnlijk moest aandoen en waar zoowel over het kerkelqk leven als over het burgerlqk-zedelijk leven werd gerapporteerd, namen de donkere schaduwzqden soms een zeer groote plaats in.
Hieruit is ook te verklaren dat de rapporten in Drenthe, waar de volkszonden meer ruw zich openbaarden, weer anders waren dan de rapporten in de 'Hollandsche classes, dewql daar de zonden meer verfijnd, — maar daarom niet minder gevaarlijk! — zich voordeden. Ook waren de kwesties van ketterq in Zeeland'doorgaans weer héél anders dan b.v. in Friesland.
De betrekking waarin Kerk en Staat gedurende de 17de en 18de eeuw tot elkander stonden, bemoeilijkten de visitatoren wel eens. Want in sommige gewesten meende de regeering gerechtigd te zqn een woordje te mogen meepraten en zij wilde ook de rapporten ontvangen, om hierna soms eigenmachtig maatregelen te stellen.
Niettegenstaande het gebrekkige in de Kerkvisitatie der vorige eeuwen is zij toch der kerken tot zegen geweest. Op initiatief der visitatoren is veel goeds tot stand gekomen, menige twist bijgelegd, dingen, die in 't ongereede waren in orde gebracht, arme en noodlqdende kerken en personen geholpen, dwalenden terecht gebracht, ketterij bezworen en misbruiken weggenomen, zoodat hun werk de bloei der kerken bevorderd heeft. Onder de huidige omstandigheden hebben we dan ook het goede van de Kerkvisitatie te benutten en deze zaak zoo goed mogelijk te regelen. Van de verkeerde verhouding van Staat en Kerk hebben we nu geen hinder meer. En van het met argus-oogen doorsnuffelen van bibliotheek of schrijftafel willen we niet weten. Even goede vrienden, doch: Kom vrig op mijn kantoor, doorsnuffel [alle hoeken; Maar, handen uit de kast en oogen uit de boeken.
De verkeerde practijken dus nalatend, moet er de hand gehouden worden aan de Kerkvisitatie. De kerken zqn daartoe verplicht. Waarom? Omdat ze saam met onzichtbare banden verbonden zijn aan het Hoofd Jezus Christus en omdat ze saam met zichtbare banden verbonden zgn in éen Kerkverband en op elkander hebben acht te geven en elkanders welstand in leer en leven te bevorderen.
Men heeft dus voor elkaar een roeping. Om ook toe te zien, dat men bij de belijdenis volhardt en dat men leeft overeenkomstig de kerkelijke ordeningen.
En wie moeten dan als visitatoren worden afgevaardigd? De practijk schqut vroeger te zijn geweest, dat alleen pre dikanten benoemd werden; en art. 44 Dordtsche Kerkorde maakt ook alleen melding van „Dienaren", waarmede predikanten worden bedoeld. Dit ligt eigenlijk niet in de lijn van Schrift en belgdenis, want de Kerkvisitatie vloeit voort uit het Kerkverband en behoort tot de Kerkregeering. En waar nu de kerken op elkander hebben toezicht te houden, om elkander op te scherpen en te helpen, daar moeten ook van de regeerders der kerken, zqnde de predikanten èn de ouderlingen worden afgevaardigd, om de visitatie'bezoeken af te leggen.
Dat dan in art. 44 Dordtsche Kerkorde alleen „dienaren" genoemd worden, zijnde de dienaren des Woords of predikanten en dat ook vroeger slechts predikanten als visitatoren benoemd werden, is niet zooals het eigenlgk behoort. Hoewel het blqkt, dat ouderlingen toch volstrekt niet uitgesloten waren om als visitator op te treden. Althans in de Acta der Prov. Part. Synoden, uitgave Reitsma en v. Veen (Dl. VII, bl. 62 en Deel III blz. 4) blgkt, dat èn in Groningen 2 Mei 1603 èn in den Briel 31 Aug. 1593 ook ouderlingen zqn aangewezen voor de Kerkvisitatie.
Toch blijkt wel, dat oudtgds de keus bgna uitsluitend viel op predikanten, wat Voetius verklaart, als te zijn geschied, omdat alle of de meesto oudorliogen niet zonder groot nadeel voor hun zaken van huis kunnen (Voetius Pol. Eccl. blz. 98). Hij meent dat dat ook de reden is dat, terwiijl Art. 47 voorschrijft, dat steeds twee predikanten en twee ouderlingen door de classis afgevaardigd moeten worden naar de particuliere Synode, toch de dassen in de practijk meestal drie dienaren en een ouderling zenden. Zoo spreekt ook prof, Rutgers „De rechtsbevoegdheid onzer plaatselgke Kerken", 1887, blz. 29: „De reden waarom, ondanks alle Synodale bepalingen, de dassen en Synoden toch gewoonlgk méér predikanten dan ouderlingen telden, lag eeniglgk en alleen in de omstandigheid, dat de ouderlingen doorgaans te bezet waren om daarvoor eenige weken beschikbaar te hebben". Wanneer ddt de reden geweest is, waarom onze Vaderen in art, 44 de visitatie alleen aan de predikanten opdroegen, dan is deze reden in onzen tijd, nu de middelen van vervoer zoo gansch anders zgn en de visitatoren nimmer ten behoeve van het bezoeken van de Kerken een nacht van huis moeten zijn, geheel vervallen en kunnen de ouderlingen evengoed als de dienaren voor de visitatie verkozen worden.
Dat de ouderlingen over 't algemeen minder dan de predikanten onderlegd zqn in de beginselen van de kerkregeering en in zake de laergeschillen, is waar. Maar waar de ouderlingen benoembaar zqn bij de afvaardiging ter class, vergadering en in den kerkeraad — als 't goed is — met allerlei in aanraking komen en op de hoogte worden gesteld, daar is er niets tegen, dat met de predikanten ook ouderlingen gekozen worden als kerkvisitatoren, waarvoor natuurlig k niet iedere ouderling geschikt is; maar in de classis zijn toch allicht wel een paar broeders te vinden, die èa tijd èn bekwaamheid hebben, om met een predikant een kleine rondreis te maken in de classis, Waarbg ook commissies van drie leden zouden kunnen worden benoemd en dan b.v. twee predikanten en éen ouderling.
Hoeveel visitatoren er zqn moeten ? We zeiden boven reeds, dat wij wel veel voelen voor een commissie van drie. Twee moeten er natuurlijk rn-insfens zqn. De wet van Mozes (Deut. 19:15) eischte, dat er, tot beschuldiging of veroordeeling twee of drie getuigen zouden optreden en de Heere Jezus wilde, dat, tot vereffening van geschillen onder broederen, zoo de persoonlijke bestraffing niet baatte, een of twee ge-tuigen zouden zqn „opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta" Matth. 18:16, Wat onder vier oogen besproken is, heeft voor de rechtbank geen zekerheid, zoo beide partyen verschillend spreken, daarom is de mond van twee of drie getuigen noodzakelijk Een oud spreekwoord luidt: Een man is geen man". Indien nu de Schrift en de practgk des levens voor oplossing van geschillen en voor het leveren van bewijs minstens twee getuigen eischen, zoo moeten ook bg de vertegenwoordiging der Kerken, om zaken te doen namens de Kerken, minstens twee getuigen optreden. En gelijk het huisbezoek in eene gemeente geschiedt door een predikant en een ouderling, zoo zqn ook voor de kerkvisitatie minsten» twee personen vereischt; liever nog drie — waarbq de verhooging der kosten zeker in 't geding zal komen, maar voor zoover wg dit berekenen kunnen, zal dit toch inderdaad niet zoo veel meer bedragen in een heele classis, of er drie dan wel twee personen in de commissies zitten en het voordeel van commissies van drie lijkt ons nog al groot.
Waarom wij geen „Gezangen" zingen
Wij zijn niet tegen een NieuwTestamentisch lied, We zingen b, v. graag de lofzang . van Zacharius, vooral in de Adventsweken. En we zouden op de Christelijke feestdagen met de Nieuw' Testamentische gemeente ook gaarne een lied zingen, waarin de heilsfeiten herdacht worden. Ook met de Avondmaalsbediening, Doop, huwelqksbevestiging zouden we wel een paar liederen willen hebben om met de Gemeente aan te heffen. Evenmin als we tegen Catechismuspreking bezwaar hebben —integendeel! en evenmin als we weigeren de formulieren van Doop en Avondmaal te'gebruiken, evenmin zouden we bezwaar hebben tegen echt-Nieuw-Testamentische liederen in de Kerk.
Maar we hebben altqd gezegd, dat we in onze tegenwoordige gezangen-bundels geen ideaal hebben; integendeel, we zqn er van overtuigd, dat een Gereformeerd predikant dikwijls de grootste moeite heeft om een geschikt gezang-vers te vinden.
We moesten wat minder gezangen hebben en wat betere. En daarom laten we de tegenwoordige gezangen-bundels, waaraan nu niet de lieflijkste herinneringen zijn verbonden, liefst gesloten en we zqn er van overtuigd, dat door de pertinente weigering der gè^reformeerden om die gezangen-bundels te aanvaarden een kracht ten goede is uitgegaan.
Onze protesten zijn dikwijls toch al zoo zwak, in tijden van verwatering en verflauwing. Er mag-ook werkelqk wel eens positie worden ingenomen, om het halve als half te brandmerken, opdat we voor erger bewaard worden.
Laat men maar eens bemerken, dat men gereformeerde menschen nog niet èlles in de hand kan stoppen en geenszins kan dwingen tot verloochening van hun beginsel.
Het deed ons daarom goed in de Geref. Kerk — orgaan der Confess, vereeniging — een artikel te lezen van de hand van Ds, Lingbeék te Steenwijk, waarbq de vurige voorstanders van onze gezangen-bundels, die blijkbaar zich niet kunnen indenken dat iemand nog eerlqke bezwaren tegen de gezangen kan hebben, toch wel een beetje op hun neus zullen hebben gekeken.
Zonder nu op deze kwestie in bizonderheden in te gaan, laten we het artikel van Ds. Lingbeék hier in hoofdzaak volgen. Men kan danzelf lezen, wat deze bewerker van de vragenbus schrqft. Gevraagd was: zijn de nieuwe Gezangen uit dogmatisch en godsdienstig oogpunt, ook uit letterkundig oogpunt bezien, te verkiezen boven de oude? En zoo ja, waarom gebruiken de (conf.) predikanten dan bqna uitsluitend de oude en gebruikt men maar in enkele gemeenten e nieuwe? En wat zou er tegen zijn, v at er nóg nieuwe Gezangen bq kwamen ? w hristelijke liederen vloeien uit het g hristelqke hart en zou die bron dan inds de samenstelling van den Gezanenbundel zijn uitgedroogd?
Ds. Lingbeék antwoordt dan op deze vragen het volgende: „De vraag, waarom wq meestal wèl de oude, niet de nieuwe Gezangen gebruiken, is reeds meer dan eens besproken. De oude Gezangen zijn ingevoerd onder de Kerkorde van 1618, en wel door de verschillende Provinciale Synoden, Zooals bekend is, is na 1618 geen Nationale Synode meer gehouden; daarom konden de Gezangen door zulk een Synode niet worden ingevoerd en behielp men zich met invoering door de gezamenlqke*Synoden van al onze Provinciën, De nieuwe Gezangen daarentegen zqn na 1816 en dus onder de z.g. Synodale Organisatie ingevoerd. Dr, Hoedemaker, die het recht der Synode ontkende om in de belqdenis of in de liturgie onzer aloude Gereformeerde Kerk wijzigingen aan te brengen, was op dien grond tegenstander van het gebruik der nieuwe Gezangen, terwql hij de oude gebruikte. Wat betreft de opmerking, dat de nieuwe Gezangen boven de oude in meer dan een opzicht uitmunten, dat zullen wij niet tegen spreken,
Wat betreft de opmerking, dat de nieuwe Gezangen boven de oude in meer dan een opzicht uitmunten, dat zullen wij niet tegen spreken,
Zooals bekend is, was de tqd, waarin onze Gezangenbundel (de oude) is ingevoerd, op godsdienstig gebied geen bloeitijd. Wel was er in die dagen nog niet die drieste ontkenning der groote geloofswaarheden, die later het hoofd zou opsteken, maar 't was toen een tqd, waarin alle scherpe punten werden afgeslepen en in de heerschende kringen maar zeldzaam de waarheid naar Schrift en Belijdenis hartelqk werd geloofd en beleden.
Nu stqgt uit een bron niet anders op dan zich daarin bevindt.
't Was dus niet te verwachten dat, bij een toestand als waarin onze Kerk toen verkeerde, de Gezangenbundel een beslist Gereformeerd karakter zou dragen. Dat draagt hg dan ook niet.
De samenstellers van den Gezangbundel hebben weliswaar in hunne „Verklaring" die zij aan den bundel hebben doen voorafgaan, het uitgesproken, dat zq „met alle nauwkeurigheid hebben toegezien, dat daarin niets mocht voorkoomen, eenigszins strijdig met de aangenomen leer der Nederlandsche Herv. Kerk, zooals die naar Gods Woord, in den Heidelbergschen Catechismus, de Belijdenis des Geloofs, en de Canones van het Synode Nationaal, te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is; gelijk wq ook in gemoede verklaren, dat in dezelve niets gevonden wordt, in het aller minst afwijkende van de bovengemelde Formulieren van eenigheid", en in die verklaring zqn zq ongetwqfeld ook te goeder trouw geweest. Maar dat de bundel geen afwijkingen vertoont van de leer der Hervormde Kerk en dat die bundel vow den zelfden geest ia doortrokken als die leer, dat zijn twee geheel verschillende zaken.
Wq hebben liberale dominees gekend, die zich er wél voor wachtten om ooit rondweg eenig leerstuk der Hervormde Kerk tegen te spreken. Zq zeilden om de klippen heen en lieten wat met bun gevoelens niet strookte eenvoudig links liggen. Zoo nu ging het eeniger mate ook bg de samenstelling van den Gezangenbundel. Zorgvuldig trachtte men er zich voor te wachten iets op te nemen, dat bepaald met de Kerkleer strqdig was, maar daarmede deed men nog niet in elk opzicht aan die Kerkleer recht wedervaren. Dat voelt het best elk gereformeerd prediker, die bezig is bij zqn preek gepaste Gezangen te zoeken. Hoe menigmaal zal 't hem (ik zeg niet onmogelijk vallen) maar toch moeite kosten om daarbq een gepast Gezangvers te vinden.
En nu zwqgen wij nog van verzen, die waarschijnlijk aan de aandacht der verzamelaars zgn ontsnapt, maar waarvan toch bezwaarlijk kan worden gezegd, dat zij recht met onze belgdenis zijn overeen te brengen.
Wij denken bqv. aan het drie en vqftigste Gezang:
„Mijn God 1 wat ooit in mq verdoov'. Dat ik altqd aan U geloof, Aan deugd en eeuwig leven.
Immers, onze Belqdenis weet wel van e Drieëenigheid van 't eene goddelqke ezen; maar van zulk een Drieëenheid ls waarvan dit Gezang spreekt, en die lqkbaar voor de eerste wordt in plaats ezet, weet onze belqdenis niets. En wat 7, al men zeggen van het acht n veertigste Gezang:
„Zingt, zingt blij te moe, Adams dankb're zonen! Jezus glorie toe e d n Wij herinneren ons hoe eenmaal een geloovige vrouw uit onze gemeente, toen hare kinderen bezig waren dat versje te leeren, tot hen sprak: och kinderen, leert dit naaar niet; Adam hééft geen dankb're zonen.
In waarheid, zóó leert ons de Bijbel; want in den eersten Adam zqn wg gevallen, en alleen in den tweeden Adam weer opgericht en tot dankbaarheid gesteld.
Misschien denkt nu inzender of één der andere lezers: indien 't zoo gesteld s met die Gezangen, dan moesten wq e maar heelemaal laten rusten en nooit gebruiken.
Dat is dan echter voorbarig geoordeeld, Zooals wij zeiden: de Gezangenbundel raagt het stempel van den tqd, waarin g is ontstaan. Echter niet in elk opzicht en niet geheel.
Indien de verzamelaars van onzen bundel verplicht waren geweest om zelf als de dichters op te treden, of indien zq zich geheel en al tot de dichters van hun tijd hadden moeten beperken, ook ddn zou er zeker nog menig voortreffelgk lied in den bundel zgn gekomen, want ook in dien tijd leefden nog in hart en nieren gereformeerde dichters als Bilderdijk, maar dan zon toch ongetwgfeld de bundel nog veel meer den geest van dien tijd afspiegelen dan nu bet geval is.
Wat is echter 't geval? De verzamelaars van onze Gezangen leefden in een tijd van rationalisme, maar de meeste liederen, die zij in hun bundel opnamen, waren van veel ouderen datum. De Commissie, door de gezamenlijke Synoden met de vervaardiging van een Evangelisch Gezangboek belast, verklaarde in de voorrede voor hare uitgaaf het volgende: „Schoon wq meermalen in de gelegenheid zijn geweest te betreuren, dat de Nederlandsche dichters over het geheel zoo weinig hadden gedaan voor het Kerkgezang, hebben wq nochtans het genoegen gehad eenige schoone gezangen te vinden in de werken van Van Lodensteijn. Van VoUenhoven, Sluiter, Schutte, Van AlpheUj en anderen die nog in leven zqn, . , . Voor het overige hebben sommige leden van onze vergadering, of oorspronkelqke stukken, of navolgingen en vertalingen geleverd, hetwelk ook door andere dichters en dichteressen is geschied, " enz.
Wat is echter 't geval?
De verzamelaars van onze Gezangen leefden in een tijd van rationalisme, maar de meeste liederen, die zij in hun bundel opnamen, waren van veel ouderen datum. De Commissie, door de gezamenlijke Synoden met de vervaardiging van een Evangelisch Gezangboek belast, verklaarde in de voorrede voor hare uitgaaf het volgende:
Met andere woorden : de bundel bevat onderscheidene liederen van oudere vaderlandsche dichters van onverdachten naam, en ook vele vertalingen van oudere buitenlandsche dichters, tegen wier naam evenmin eenig bezwaar kan worden ingebracht.
Onder de Vaderlandsche dichters van dien aard noemen wij een van Lodensteijn, en de anderen, door de Oommissie zelve, zooals wq zagen, met name genoemd.
En onder de buitenlandsche, om van anderen te zwqgen, een Maarten Luther (dichter van Gezang 156), en de prinses van Oranje, dochter van Frederik Hendrik (dichteres van Gezang 137).
En nu moeten wij hier wel weer tot ons leedwezen eene restrictie maken, en erkennen dat de Commissie voor vervaardiging van den Gezangbuudel de oorspronkelijke liederen van de genoemde oudere dichters heeft bewerkt en vertaald, en dat die bewerking en vertaling waarlijk niet altoos een onschuldig karakter hebben gedragen, maar menigmaal het oorspronkelijke lied hebben verminderd, ja zelfs hier en daar het hebben verminkt.
Dat neemt niet weg, dat wij toch in onzen ouden bundel kostelijke Gezangen hebben overgehouden, die voor een gereformeerd mensch zeer goed zijn te gebruiken.
Wat betreft den nieuwen bundel of „Vervolgbundel", waarvan inzender ook gewaagt, men hoort vaak de bewering uitspreken, dat die zoo veel beter is dan de oude. Hoewel wq erkennen, dat ook in dien nieuwen bundel vele voortreffe-Igke liederen voorkomen, durven wij 't echter niet aan, om juist dezen bundel zoo hoog te verheffen.
Onder de dichters van liederen in dezen bundel, wier namen in de Voorrede worden genoemd, vindt men weinige of gene van positief gereformeerde belqdenis. En naast namen van orthodoxen als Nicolaas Beets en ten Kate vindt men ook liberale of Groninger namen als Francken en Parson, en Moderne namen als de Génestet,
En nu weten wij wel, dat ook mannen als de laatstgenoemden nog wel liederen hebben kunnen vervaardigen, waarin niets voorkomt dat strijdig is met de belijdenis der Hervormde Kerk. Wij denken hier bijv. aan het voortreffelijke lied van den Evangelischen Steenwgkschen predikant ds. Parson, Gezang 199 Natuurlqk echter is het water in overeenstemming met de bron.
Als een gereformeerd dichter tot dichten wordt genoopt, dan maakt hg niet alleen een lied dat niet strijdig is met de leer der Kerk, en dan maakt hij niet alleen een lied dat een gereformeerde wel kan meezingen, neen, dan komen er zulke liederen, die eiken gereformeerde uit het hart gegrepen zijn en waarin hq zijn diepste en heerlijkste gevoelens vindt vertolkt.
Zoo nu is uit den aard der zaak oók de Nieuwe Bundel over het geheel niet Hg draagt geen gereformeerd karakter, wat voor sommigen misschien juist een aanbeveling is, maar voor ons niet,
En nu vraagt inzender of de bron van Ohristelqke liederen sinds de samenstelling van den bundel is uitgedroogd. Op die vraag worden beschaamd. wij eigenlqk
Wij hooren tegenwoordig vele uit het oogpunt van dichtkunst schoone liederen zingen,
Schoone socialistische liederen bijv. van Troelstra. Schoone Roomschgezinde liederen van Guido Gezelle,
Schoone , , . maar genoeg, wdar hooren wij liederen, waaruit ons heerlgke gereformeerde geloof, dat den eeuwigen troost biedt in leven en in sterven, u tegen ruischt?
Maar waar 't hart vol van is vloeit de mond van over.
Waar het geloof een levende zaak is van het hart, daar komen ook de dichters, die er niet van kunnen zwqgen, maar die er van moeten kweelen.
Hoe hangen dan onder ons de harpen zoo aan de wilgen?
Zullen wij ooit een gereformeerden zangbundel ontvangen, dan moeten wij eerst hebbeu, geen gereformeerde verzen-Iqmers, neen, waarlijk dichters bg Gods genade, "
Tot zoover ds, Lingbeék. Nu zal men wel kunnen begrijpen, dat wij o! zoo weinig voelen voor de Gezangenbundels.
Als de Catechismus niet meer bevatte, dan 't geen uit een rationalistischen tqd is en 't geen niet bepaald strqdtmetde waarheid, wilden we dat boekske ook nist als leerboek in de Kerk en op de catechisatie hebben. E^'enmin zouden we dan de formulieren van Doop en Avondmaal gebruiken,
We hebben iets anders noodig, dan 't geen niet bepaald strgdt met de waarheid — waarbij het strijden met de waarheid zelfs niet geheel ontbreekt.
Men moest die beide Gezangenbundels eenvoudig op zij zetten en dan, na breed overleg, een kleinen bundel van Nieuw-Testamentische liederen zien te krijgen; desnoods alleen voor de feestdagen. Doop, Avondmaal, huwelijksinzegening enz.
Maar ... als* de harpen aan de wilgen hangen ? ,
Ja — dan wordt het moeilijk.
Maar dan moet men niet zoo bqten tegen die niet-gezangen-zingers. Want dat die het niet zoo ver mis hebben, als ze zeggen, dat er niet veel goeds in de gezangenbundels is en bovendien veel kwaads, dat blijkt ook weer uit dit schrqven van ds. Lingbeék.
En forceeren kunnen we deze dingen óok niet.
We moeten krijgen dichters bij Gods genade.
Gelijk we er ook wel gehad hebben. En dan goed gefundeerd in de gereformeerde waarheid, naar uitwijzen van Gods Woord,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's