Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN, 42)
't Scheen dezelfde ziekte te zgn als die van haar zuster: gevolg van een verwaarloosde bekleuming.
In 't dorp gekomen, hield Ombra den tred in, om kalmer binnen te kunnen komen. Ze ging de wagenmakerg in, waar nu alleen de knecht was, om haar eenigszins met den toestand der zieke op de hoogte te stellen. Dan, met een zeer bedrukt gezicht, kwam ze door de gang in de woonkamer, waar ze de aan' wezigen fluisterend groette. \
„Hoe is 't met Mien, Oom? " , Niet goed, Ombra!" Tante zat te huilen, heel stil, dat Mien in de andere kamer 't niet zou hooren.
„Is 't gevaarlijk, oom? Wat zegt de dokter? "
„De dokter zei de waarheid niet, aan ons niet en haar nog minder. Maar zg scheen 't ergste te vreezen, of misschien, er zeker van te zijn, want ze zei: , Dokter I zeg het mg, als ik sterven moet, want dan zal ik voor God moeten verschgnenl Bedrieg geen arme ziel, dokter! want u zoudt er mee deverantwoordelgkheid van dragen, als ik onbereid moet sterven." Toen heeft de dokter 't ons gezegd, dat er voor haar ziekte nog geen kruiden waren gevonden, en toen heb ik dadelgk met haar gesproken. Toen ik beginnen zou, heel voorzichtig, zei ze: „ Vader, zeg dadelgk rondweg de waarheid, want ik weet, dat dit mgn sterfbed wordt!" — „Was ze toen bang, oom? " „O, kind, vreeselgk, vreeselgk. Ik wilde met haar bidden, maar ze zei: „Vader, ik zal nu zelf moeten bidden, zelf, zelf, want ik zal zelf voor Godverschgnen; alleen, heel-alleen, beladen met al mgn zonden. Nu kan geen vader of moeder of dominee helpen! Nu moet ik den^ eenen Voorbidder hebben, en ik heb Hem, niet. 'k Heb Hem nooit in waarheid g^ekend, nooit in waarheid gezocht, en nu is Hij verre van mg, nu; en zonder Hem kan ik niet voor Qod verschgnen, "
Ombra zat met gevouwen handen en de tranen stroomden uit haar oogen.
„Hoe is 't nu met haar, oom? " „Bang, kind! bang!" „Ook voor haar ziel? " „Ja, juist bang voor haar ziel. O, 'tis haar zoo bang. Dag en nacht kermt ze om genade, maar 't blgft donker, o zoo donker. En wg doen ook niet anders dan bidden en kermen, waar we zgn: wg zgn er geheel van verslagen."
„Maar oom! - ze luistert toch wel, als u tot haar spreekt over den Heere Jezus? "
„O, haar ziel hongert er naar. . ." „En zg wil toch ook wel, dat u met haar bidt?
„O, je moest dat zien, hoe ze dan mee bidt. Je hdtt zou er bg smelten!"
„Oom, zou 'k even bij haar mogen zijn? "
„Maar dan zal 't toch wel goed met haar komen, oom!"
„Straks misschien even. — Betje, schenk Ombra een kopje thee in. — Willem, doe jg 't maar."
„Zeker, zeker! daaraan twgfelen we niet. Maar voor haar ziel komt er maar geen licht; 't blgft stikdonkere nacht. , ze heeft het zoo zwaar, en daarom houden we niet op met bidden en smeeken, dat de Heere mag doorbreken." Even zwegen allen, en dan vroeg Ombra:
De vrouw scheen 't niet te hooren, van algeheele verslagenheid en smart, en Willem stond al weer te luisteren aan de deur der ziekekamer, of eindelgk, eindelgk geen bigde toon te vernemen was. En — in den naderenden dood daar zag hg ook zgn eigen, gevreesden vijand. De vader wilde nu inschenken, doch Ombra zei:
„'k Zal mg zelf wel bedienen, oom, als ik mag."
Ze schonk voor haar zelf in, en dorstig als ze was, dronk ze het kopje in eens uit. Oom zag het en wenkte haar toe, dat ze maar moest nemen zooveel ze wilde.-En ze durfde wel.
Nu eens ging de vrouw, dan eens de man in de andere kainer, heel stil, tot eindelgk de nicht vrgheid kreeg, om even naar de zieke te gaan.
Ombra schrok, toen ze haar zag: in alles 't evenbeeld van haar gestorven zuster; alleen, dit gelaat was ook wel angstig, maar niet hopeloos; niet vgandig en verwijtend, maar biddend.
„Hoe is 't, Mien? "
„Bang, Ombra, bang! Velen zul komen van 't Oosten en Westen, zullen aanzitten met Abraham, Izaak Jakob; maar de kinderen des Koninkrijks zullen buiten geworpen worden. Ombra jij bent een van 't Oosten en Westen maar ik ben een kind des Koninkrijks jij mag mee aanzitten en ik buiten geworpen. Ik had alles, wat telt voor de menschen maar ik heb niets, wat telt voor God.' Niets — niets!"
Ombra wist niet, wat ze op dit zou zeggen, en zocht naar goede woorden doch vond niets, tot er haar plots' iets werd toegeworpen.
„Mien, lieve! Weet je nog, wat jij zei van den moordenaar aan 't kruis?
En dat wg meenden, dat Femma dat moest weten? Dat de Heere Jezus de moordenaar in zgn sterfuur nog genade bewees? Zou de Heere dan veraf zgn? Jij kunt toch ook zeggen: Heere gedenk mgner? "
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's