Uit de Pers.
Een schetsje uit het predikantsleven.
Schrijvend over de predikantstractementen geeft een Hervormd predikant in het Handelsblad het volgende schetsje uit het leven van een predikants gezin. Het is wel de moeite waard, dat het geleisen wordt.
Het is geschreven naar aanleiding van het niet aannemen door de Synode van het voorstel tot verbetering van predikantstractementen enz. ingediend door den Bond van predikanten.
Het artikel luidt: „Met belangstelling werd door velen kennis genomen van wat in de Synode der Hervormde Kerk werd beraadslaagd en verhandeld over de verbetering van de predikantstraktementen. Een uwer medewerkers schreef, (al was 't met eenigszins andere woorden) dat de dag, waarop bleek, dat al die beraadslagingen op niets waren uitgeloopen, voor de bewoners van vele pastorieën een dag zal blijven, met een zwarte kool ge teekend.
Van andere zijde werd daarentegen weer opgemerkt, dat dit dan alleen hieraan was te wgten, dat in die pastorieën de verwachtingen te hoog waren gespannen.
Nu willen wq geenszins ontkennen, dat het voor de Synode geen gemakke-Igke taak was om in een nood, zoo groot en zoo plotseling opgekomen, opeens te voorzien.
Aan den anderen kant echter gaat het niet aan om al die teleurgestelde pastoriebewoners af te schepen met een schouderophalend: dan hadt gg ook maar niet hooggespannen verwachtingen moeten koesteren.
Of is die verwachting te hoog gespannen, als een mensch verlangt, dat hg in den stand, waarin hg gesteld is, zgn brood zal hebben en niets meer dan zgn brood?
En beseffen de leden onzer Kerk, die haar liefhebben, en beseffen zg, aan wie de belangen der Kerk zgn toebetrouwd, wel, dat een groot deel der dienaren tegenwoordig daarvan verstoken is?
Hg, die dit schrijft, heeft in vergelgking van velen zgner collega's, waarlijk niet te klagen. Toch is zgn salaris tegenwoordig even hoog als dat van de hulponder wgzers van zgn woonplaats, die van denzelfden leeftgd zgn als hg. Waarbg dan komt, dat die heeren onderwijzers hunne avonduren geheel bezet hebben met privaatlessen in muziek, teekenen, talen, boekhouden of de gewone vakken van het lager onderwijs, waardoor zg er nog een salaris bij kunnen verdienen, terwgl de predikant daartoe geen bevoegdheid en dus ook geen gelegenheid heeft.
En hoe velen hebben het nog veel minder!
Wij kennen sinds lang een predikantsgezin; man, vrouw en acht kinderen; salaris f 1800. De dappere moeder van dat gezin deed altoos nieuwe wonderen. Het huis blonk u tegen; man en kinderen kwamen altoos onberispelgk voor den dag En al ging de hoeveelheid vleesch, die in de pastorie kwam, een paar ponden in de week niet te boven, moeder wist met wat vet het zoo toe te bereiden, dat een smakelijk maal op tafel kwam, en allen er wel mager, maar toch gezond uitzagen.
Daar kwam echter kort vóór het uitbreken van den oorlog een schrik over dat huisgezin. Moeder had iets opgegeven, en ... er was ietwat bloed aan. Dokter moest komen, al kon dat er eigenlijk niet af. Dokter kwam, en was van oordeel: moeder was altoos een gezonde vrouw geweest, maar in den laatsten tijd wat slecht gevoed. Moest nu dagelgks minstens twee eieren hebben.
Dat gaf toen een heelen strijd tusschen moeder aan den eenen en vader en de kinderen aan den anderen kant. Moeder zou twee eieren eten en man en kinderen nooit éen; neen, dat deed ze nooit. Maar ditmaal moest moeder het toch verliezen; ze kwam aan haar twee eieren daa'gs, nam wat meer rust, en dokters voorspelling kwam uit: ze knapte ook werkelgk weer op. Haast nooit meer een puntje bloed.
Toen kwam de oorlog. Alles werd duur; steeds duurder.
Het tractemeht bleef f 1800. Vader leek wel een geraamte.
Alles moest afgeschaft. Straks ook één van moeders twee eieren. Eén ei in oorlogstgd was al veel!
Eindelijk moest ook het tweede ei van de baan.
't Kon best, hoor; ze kon er nu wel weer buiten, zoo meende moeder. En ze moest er ook wel buiten kunnen!
Dat ging zoo eenige maanden voort. Moeder werd alleen maar wat magerder en bleeker.
Over het vroeger altgd opgewekte gelaat kwam een droevig waas.
Ook viel het Iopen haar hoe langer hoe moeilijker. ïn vijf minuten was ze al moe. Hoewel nog maar vgf en dertig jaar oudl
Totdat opeens een bloedspuwing kwam en nog enkele dagen, daar lag moeder op haar doodsbed.
Een moeder, één uit duizend, die een heldenstrgd had gestreden. Maar nu weggerukt uit haar talrgk gezin door.. een langzamen hongerdood!
Dat is één staaltje van de velerlei ellende, die wg in de pastorieën onzer Kerk gezien hebben.
Mag men dan spreken van de te hoog gespannen verwachtingen, als de predikanten hadden gehoopt, dat, van den éénen kant of van den anderen, hun uitkomst werd gebracht?
Schrgver dezes, lid van een oud predikantengeslacht, herinnert zich uit zgn jeugd, hoe hem van de ellende in de pastorieën werd verhaald uit den tgd van Napoleon.
Geen tractement werd toen uitbetaald. Overgrootmoeder, die toen domineesvrouw was ergens in Gelderland, begon eindelijk een zaakje in manufacturen in de vroegere „mooie kamer" van de pastorie.
Welnu, als de kerkvoogden niet helpen willen en de synode niet helpen kan, laat de synode dan haar machteloosheid uitspreken en decreteeren, dat het den predikanten vrij staat om in dezen tgd van nood bg hun predikambt een handelszaak of andere onderneming op touw te zetten.
Dan zal de gemeente het ten minste overal weten (wat ze hu niet schgnt te gelooven), dat de meeste predikanten hun brood niet hebben.
En dan zal de predikant, zonder schande openlgk kunnen trachten op een andere wgze in de behoefte van zijn gezin te voorzien.
De samenstelling der Synode.
Een modern predikant aan het Handelsblad:
„Als iemand werd opgegeven tien manieren te verzinnen, waarop de Synode der Ned. Herv. Kerk tot stand zou kunnen komen, zou hij ongetwgfeld uit den eenvoud der voor-de-hand liggende methoden nog geenszins zgn opgeklommen tot de merkwaardige samengesteldheid van de voorgeschreven benoemiugswgze in de kerkelgke reglementen.
„De leden der Synode", zegt art. 5 van de kerkelgke grondwet, „worden gekozen voor zoover zg predikanten zijn uit de leden der Provinciale kerkbesturen en hunne secundi; de ouderlingen uit hen, die als zoodanig ip de Provinciale kerkbesturen en in de classicale besturen zitting hebben of gehad hebben en uit de secundi der eerstgenoemden."
Oef! De volksmond bestempelt de Synode dus reeds direct tot een „pruiken-college." Geen predikant komt er in of hg moet lid of secundus-lid zgn van een Prov. kerkbestuur. De dertien predikant-leden kunnen dus alleen gekozen worden uit de 57 leden der provinciale kerkbesturen en hunne secundi.
Kan het beperkter? Lid van het provinciaal kerkbestuur kan alleen hij worden, die lid is of geweest is van een classicaal bestuur!
Men is dus wel bureaucratisch geschoold, alvorens Synodelid te worden, en de reglementen hebben er wèl angstvallig voor gezorgd, dat geen jeugdig bloed den polsslag van de bedachtzame Synode sneller zou doen kloppen.
De Synode bestaat behalve uit deze dertien predikanten, uit zes ouderlingen. Deze moeten óf lid van het provinciaal of classicaal bestuur zgn of geweest zgn. Ook hier is de keuze dus zéér beperkt. Immers het aantal ouderling-leden is in deze besturen slechts de helft van het aantal predikant-leden. (Let op, hoe sterk in al deze colleges de z.g.n , domi-nocratie is).
Nu zou het nog kunnen, dat de wgze van verkiezing althans de gebrekkigheid van dit passieve kiesrecht goed maakte.
Evenwel, het actieve kiesrecht is, zoo mogelgk nog hiërarchischer en antidemocratischer geregeld dan het passieve.
De leden der Synode worden gekozen door... de leden der Kerk, denkt misschien een mensch van dezen tijd. Mis — de kerkelgke organisatie is niet van dezen tijd: de leden der Synode, goeddeels alleen verkiesbaar uit de leden der Provinciale Kerkbesturen, worden gekozen door ... die Provinciale Kerkbesturen zelf!
Dat er op deze manier geen sprake van is, dat de verdienstelgkste mannen in de Synode komen, is duidelgk. Het is niet onmogelgk, dat eersterangskrachten ook weten door te dringen tot dit hoogste .college, maar de kans dat dit niet geneuren zal, is veel grooter. Staat b.v. een zeer voortreffelgk vfgzinnig predikant in een orthodoxe classis, dan wordt hg zoo lang hg leeft geen lid van een classicaal kerkbestuur, nog minder van het Provinciaal kerkbestuur en over een Synodezetel behoeft hg niet te droomen. Omgekeerd heeft een orthodox predikant in een vrijzinnige classis geen gelegenheid zgn misschien onvergelgkelijke bekwaamheden als Synodelid dienstbaar te maken aan het kerkelgk leven. Immers, gesteld al, dat hg met behulp der vrgzinnigen in het classicaal bestuur kwam, dan zou de vrijzinnige meerderheid hem toch niet als haar vertegenwoordiger kunnen kiezen in het Provinciaal Kerkbestuur. Ergo ... geen Synodelid!
Voor de niet-predikanten, dus leeken, behoorende tot een minderheid in een gemeente, bestaat eenvoudig geen moge-Igkheid tot de Synodale waardigheid op te klimmen. Immers, men mag de meest kundige en toegewijde lidmaat der N. H. K. zgn, doch vrgzinnig in een orthodoxe gemeente wordt zoo iemand geen ouderling.
En: geen ouderling — geen Synodelid. Wat de kiezers betreft: door de getrap theid der verkiezigen, hebben zelfs de predikanten géén invloed op de samenstelling der Synode, geen professoren, geen geloovige, geen trouw kerkganger kunnen van hun kennis, liefde of belangstelling laten blgken in de keuze van een lid voor het hoogste college der kerk.
Dit stelsel .is van begin tot eind onverbeterlgk.
Als wg hier gingen overschrijven art. 66 van het Algemeen Reglement, regelende het aantal synodeleden, 't zg ouderling, 't zg predikant, door de respectieve-Igke provincies af te vaardigen, dan zou een niet-ingewiijde meenen dat 't orakel van Delphi aan 't woord was.
Volledigheidshalve vermelden wg nog, dat in de Synode tevens zitting hebben: met adviseerende stem de secretaris en de quaestor-generaal en met prae-adviseerende twee van de zes kerkelgke hoogleeraren.
Voorzitter en secretaris moeten predikanten zgn. De secretaris behoeft niet uit de leden der Synode gekozen te worden.
Wat is echter van de Synode nog veel merkwaardiger dan de wgze van haar samenstelling ?
Haar taak. „Bg de Synode berust de hoogste, wetgevende, rechtsprekende en besturende macht", zegt art. 61. Let wel: èn wetgevend èn rechtsprekend en besturend!
Wat op staatkundig gebied is: Staten-Generaal en Hooge Raad en de heele administratie is de Synode tegelgk. Zij is haar eigen Raad van State en beschikt bovendien over de Uitvoerende Macht!
Dö ietwat staatkundige of organisatorisch geschoolde lezer vraagt: wat is dat voor een monstrum van topzwaar machts-coUege? Inderdaad, dat is de Synode ook. Haar legislatieve macht wordt begrensd door het vetorecht der Provinciale Besturen (dat waarschgnlgk komt te vallen), haar rechtsprekende en uitvoerende bevoegdheden zgn natuurlgk omschreven in reglementen, maar het is toch een feit, dat de organisatie van verreweg de grootste der protestantsche kerken in ons land aan haar spits een lichaam heeft met deze drieërlei machtsbevoegdheid.
Dat kan natuurlgk nooit goed gaan. De malaise van de Kerk als organisatie ligt voor een zeer belangrgk deel hieraan, dat er niet is een goede, democratisch-samengestelde, door de kerk zelve aangewezen wetgevende Macht en daarnaast lo. een hof van opperst appèl en 2o. een soort hoofdbestuur om in bestuurszaken te beslissen.
Bg de samenstelling van het wetgevend college zou natuurlgk rekening worden gehouden met de richting, maar dan zouden, indien de leden daarvan werden aangewezen door de lidmatenkiezers, tevens overeenkomsten kunnen worden getroffen door kiezers-groepen over bepaalde punten van urgentie. Dan zouden de lidmaten zich gevoelen als deelen van een organisatie. Dan zou er althans belangstelling mogelgk zgn in de acta der Synode, hetgeen nu alleen van eenige personen ambtshalve te verwachten is.
In de Synode is aangenomen een voorstel van prof. Slotemaker de Bruine om de Synode voortaan in plaats van uit 19 leden uit 45 personen te laten bestaan n.l. uit ieder classis een afgevaardigde, waarbg dan, zooals de gewoonte is, de Waalsche Kerk als een classis wordt beschouwd.
Met anderen is ook ons het voordeel van deze wgziging nietvoldoende duidelgk.
Wel is er een voordeel aan verbonden : het passieve kiesrecht wordt ruimer. Volgens het voorloopig aangenomen voorstel zijn benoembaar alle predikanten, ouderlingen en oud-ouderlingen.
Ondanks deze uitbreiding blgft de schare, waaruit de Synodeleden kunnen worden gerecruteerd, zéér, zéér beperkt. Om een voorbeeld te noemen: practisch is geen enkele vrijzinnige Amsterdammer benoembaar, noch een vrgzinnige Hagenaar of Rotterdammer of Utrechtenaar enz., terwgl de eerste de beste ouderling uit een Veluwsch dorp wèl benoembaar is.
Ook is het actieve kiesrecht volgens dit voorstel iets uitgebreid. Kiezen tot nu de provinciale kerkbesturen, die pl.m. 75 man sterk zgn, de leden der Synode, nu zal zg gekozen worden door de classicale vergaderingen, die ruim 8000 leden kunnen tellen (alle predikanten benevens evenzoovele ouderlingen als er predikanten zgn). Waarom de classicale vergaderingen? Omdat ter classicale vergadering aanwezig zgn afgevaardigden uit alle gemeenten.
Dit motief zou o. i. gelden indien het ging om de benoeming van een hoofdbestuur eener vereeniging. Niet waar, op de jaarvergadering, waar alle afdeelingen vertegenwoordigd (kunnen) zgn, kaneen H.B. worden aangeprezen. Maar ... zulk een H.B. heeft alleen besturende, geen wetgevende macht. De wetgevende macht is daar ten slotte die jaarvergadering zelf.
Het voorloopig aangenomen voorstel van prof. Slotemaker houdt geen rekening met het karakter der Synode, dat in de eerste plaats wetgevend is. Een wetgevend lichaam behoort vertegenwoordigend te zijn. Een vertegenwoordiging krijgt men in dezen tgd slechts door en uit de leden zelf. M.a.w. de lidmaten (mannen en vrouwen) behooren de bevoegdheid te hebben de leden der Synode aan te wijzen, zonder beperking van verkiesbaarheid. Om een wetgevend, dus vertegenwoordigend college aan te wgzen deugen de classicale vergaderingen in geen enkel opzicht. Men stelle zich voor, dat iemand de Tweede Kamer zou willen doen samenstellen op den grondslag van een districts-indeeling van een paar eeuwen geleden! Dat wil zeggen dat, om maar een willekeurig voorbeeld te nemen, de classis Kampen met 35 k 40, 000 leden één afgevaardigde stuurt, evenals b.v. de classis Amsterdam met 250, 000 leden! Wie de classes Ngmegen, Maastricht of Breda eens gaat narekenen en daarnaast stelt het ledental van classes als Rotterdam e.d. ziet direct, dat de classicale vergadering misschien voor een besturend college grondslag kan zijn, maar als fundament voor een wetgevend, vertegenwoordigend college een paskwil is.
Bovendien is het o.i. een groot bezwaar, dat de oppermacht der predikanten gehandhaafd blijft: de classicale vergadering bestaat voor 50 % uit predikanten.
Alle reorganisaties in Synode-samenstelling mislukken o, i, indien geen splitsing wordt gebracht in de synodale functie. Noodig is een democratisch samengestelde wetgevende vergadering, waarvan het ledental méér dan 45 zal moeten bedragen, gekozen naar evenredige vertegenwoordiging. Daarnaast een besturend college. Het ledental hiervan moet natuurlgk minder zgn dan 45. Waar bestaat de vereeniging met een hoofdbestuur van... 45 leden? ! En natuurlijk moet er een splitsing komen tusschen wetgeving en rechtspraak.
Wat is het toch uitermate zonderling, dat men dergelijke grondbeginselen van organisatorische structuur maar bot-weg negeert als ze toegepast moeten worden in de Kerkl
De N. H. Kerk heeft dringend behoefte aan goede wetgeving, goede rechtspraak en goed bestuur. Het voorstel-Slotemaker heeft geen andere strekking dan deze ie verschuiven. (Handelsbl.)
Dr. Bronsveld over de Synode der Ned. Herv. Kerk.
De 104e jaarvergadering van de Synode der Ned. Herv. Kerk heeft een goede aanteekening gekregen van dr. A. W. Bronsveld, in de „Kroniek" van zgn maandschrift „Stemmen voor Waarheid en Vrede."
„Men mag zeggen, dat deze Synode haar kostbaren tijd goed heeft besteed, al werden er ook wel redevoeringen gehouden, waarvan men moest zeggen: cui bono? Ik dacht bq hst lezen van het gesprokene wel eens: 't is toch maar goed, dat de vergaderingen der Synode niet toegankelijk zijn voor het publiek.
Vele onderwerpen zijn ter sprake gekomen, en meer dan éen gewichtig besluit is gevallen. Uit niets bleek, dat men het einde der Kerk zag naderen, of een boedelscheiding onvermijdelqk achtte. De „Commissie van Zes" deed niets van zich hooren, en het stof door haar committenten opgejaagd bleek neergeslagen te zgn.
De meerderheid der vergadering verklaarde zich voor het voorstel, reeds meermalen door velen en ook door ons aanbevolen, om het aantal leden der Synode uit te breiden tot 45, en hen te doen benoemen door de classicale vergaderingen. De vrqzinnige minderheid in Den Haag was er tegen. Dit gaf aan het voorstel het karakter van een partijzaak. Voor ons bezit het zulks niet.
Ik zou niet kunnen zeggen, in welken geest nu de benoeming uit zou vallen van leden der Synode door de 45 Classicale Vergaderingen. Wel wil ik bekennen, dat ik hier en daar voor een uitslag zou vreezen, waarin ik mg niet zou kunnen verblqden. Ik ben zelf indertijd door een Classicale Vergadering uit de Synode verwijderd; maar ik blijf van meening, dat de tegenwoordige wijze van benoeming niet bevredigend mag heeten. Zoo wordt men in Utrecht gekozen tot lid der Synode met ten hoogste drie stemmen — wat toch wel zeer weinig is, en niemand zal in de samenstelling der Provinciale Kerkbesturen in 't algemeen gesproken, een getrouwe afspiegeling zien van den geest der Kerk. Zeer opmerkelqk is 't, dat in die college's onze grootere gemeenten zoo schaarsch vertegenwoordigd zijn.
Een Synode uit 45 leden bestaande levert allicht kansen op van verscheidenheid en nuanceering. Maar zg moet met alle jaren samenkomen. Reeds om der enorme kosten wil kan dat niet. Zij vergadere bqv. om de drie jaar. In de daartusschen liggende jaren beruste het bestuur bij een commissie van elf leden. Wordt dit niet bepaald, dan zou ik op dit punt tegen alle verandering wezen.
Voorts moet de taak der Synode, als zg uit 45 leden zal bestaan, worden beperkt. Haar de hoogste besturende, wetgevende en rechtsprekende macht toe te vertrouwen, zou vrijwel ongergmd wezen. De Synodale Commissie zal veel moeten afdoen, wat nu de Synode doet. Hieruit volgt, dat er niet weinig „praetische en huishoudelijke bezwaren" zich zullen voordoen bij de uitvoering van het gevallen besluit, bezwaren, die uit den weg dienen geruimd te worden, voordat de uitgebreide Synode zal kunnen optreden. Ik üe niet in, dat dit' vóór 1921 geschieden kan. „Haastige spoed is zelden goed".
„Het is, dunkt mg, een wqs besluit; van de Synode geweest, om „de keus te verruimen van leden van het Prov.
Kerkbestuur", en art. 5 al. 4 van 't Algemeen Reglement aldus te lezen: „Tot leden van de Provinciale Kerkbesturen zgn benoembaar predikanten en ouder lingen of oud-ouderlingen."
Minder ingenomen ben ik met het besluit, om veranderingen in het Algemeen Reglement bij meerderheid van stemmen, en niet met een volstrekte meerderheid goed te keuren. Ook in den Staat wordt de Grondwet — en dat is voor de Kerk het Algem. Reglement — niet met organieke wetten gelijk gesteld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's