Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 43)
De zieke hief haar handen omhoog, als naar den Gekruisten uitgestrekt, en zei: „O, ik doe niet anders, dan tot Hem roepen om ontferming. Want dat alleen kan mg redden: Z^n ontfermingI Zijn genade! Ach, dat ik altqd gedacht heb, er gemakkelgk te komen met wat toch maar alleen vleeschelgk is; aangeleerd, van buiten geleerd, Ombra I van buiten, maar niet van binnen; — een ander wat nagedaan, en zooals mq geleerd was; maar 't was geen eigen leven, 't Leek misschien wat, voor mg zelf ook, maar 't was niets. Je hoeft mq niets te zeggen; ik weet alles wel. Och, Ombra, al 't weten baats mg niets, 'k Heb anderen den weg gewezen en 'k meende ook zelf op den weg te zgn; en uiterlijk was ik er, maar niet met mgu hart. En nu is 't zoo donker, zoo donker."
Ombra voelde smart en blgdschap tegelgk, en dat stond duidelijk op haar gelaat geteekend: smart over het donker, waarin haar nicht verkeerde, en blijdschap over haar verlangen naar en bidden om licht. En ze was er zeker van, dat dat licht wel vroeg genoeg zou doorbreken; ze zag wel, dat Mien heel anders was dan Femma. Ze wist, dat de Heere niet kon liegen, en Hg had gezegd: Die tot Mg komt, zal ik geenszins uitwerpen. — Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden. —
Ja, dat zou goed zijn, haar nicht daar eens aan te herinneren, dat de Heere nooit loog, maar dat Hij niet altijd terstond gaf, wat we van Hem vroegen.
Doch juist kwam oom binnen, en nu achtte ze het wijzer, voor hem plaats te maken.
„Hoe is 't, mgn kind? " vroeg hij zacht. Indroevig keek ze haar vader aan.
„Vader — zei ze •—• lees nog eens den Psalm."
Voor haar scheen er maar éen Psalm te zgn, de acht en tachtigste. Bg dit graflied lag de Bgbel geopend op de tafel. Hoe vaak was bij al gelezen?
De vader nam het boek, plaatste zich op een stoel voor 't bed, en begon te lezen;
„O Heere! God mijns heils! bg dag, bij nacht roep ik voor U. Laat mijn gebed voor uw aanschgn komen; neig uw oor tot mijn geschrei. Want mgn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. Ik ben gerekend met degenen, die in den kuil nederdalen.
Gg hebt mg in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. Uw grimmigheid ligt op mg; Gg hebt mij nedergedrukt met al uw baren.... Mgn oog treurt vanwege verdrukking: Heere! ik roep tot U den ganschen dag; ik strek mijne handen uit tot U.
Maar ik, Heere! roep tot U, en mgn gebed komt U voor in den morgenstond. Heere! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt uw aanschgn voor mg? Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag uw ver vaarnissen, ik ben twgfelmoedig. Uw hittige toornigheden gaan over mg; uw verschrikkingen doen mg vergaan. Den ganschen dag omringen zg mg, als water; tezamen omgeven zij mij ...."
De jonge zieke pakte haars vaders hand, als om hem te bedanken, en te zeggen, dat ze nu weer liefst alleen was. Ombra kreeg dan ook een hand, en merkte nu, tot haar verbazing, dat die sombere Psalm de treurige zieke blijkbaar iets had opgebeurd.
Met haar oom ging ze weer naar de huiskamer, en vroeg hem dan:
„Oom, wat heeft Mina toch aan dien Psalm? Mij dunkt, ze zou daardoor nog dieper in de donkerheid komen? " Tante Betje veegde haar gelaat droog, want zg zou nu eeiis een antwoord geven op die vraag.
„Kgk, Ombra! daar zie je 't nu Je moet een ziel niets opdringen, maar haar geven, waar ze zin in heeft. Ik begrgp ook niet, wat het kind aandien Psalm heeft; maar dat is niets; de Heere zal er wel weg mee weten, want dit is zeker zgn werk. 't Is de H. Geest, die haar dien Psalm vóór houdt, en daarom zal 't wel goed afloopen." Zg keek haar man aan, als om te vragen, of hg er niets aan toe te voegen had.
Ombra hoopte hierop. En Willem keek ook al zgn vader aan. Want 't had allen getroffen, dat Mina telkens om dien Psalm vroeg, en daarna altijd rustiger werd. Aller uitzien was toch inde eerste plaats daarnaar, dat de zieke tot de volle bewustheid van haar geloof in Christus mocht komen: al 't andere was minderwaardig.
„Kijk, — zei vader — in dien Psalm vindt Mina geheel zichzelf, en dat kunnen we allen voelen en verstaan.
O God mijns heils, mgn Toeverlaat, Tot U hef ik mgn droeve klachten; Ik roep, bij dagen en bij nachten, Tot U in mgnen jammerstaat; Ik nader biddend; wil mg hooren. En neig tot mgn geschrei Uw ooren.
Dat zgn woorden, geheel uit haar ziel; dat is de waarheid in haar. En heel deze Psalm is zoo donker en somber, van begin tot eind.
't Is éen roepen uit de diepte, en uit de ellende zonder dat er een straal van hoop doorbreekt. En toch is 't zeker, dat er juist in dezen Psalm voor Mina 't meeste licht is.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's