De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

20 minuten leestijd

Het Begint alweer.

Met grooten tegenzin moeten wg melding maken van eene poging van Christelij k-Historische zgde om onder de Hervormden in de Antirevolutionaire partij bekeerlingen te maken.

Het is ditmaal de 2ki, idhollander, he Christelijk-Historisch weekblad, - nog al onder redactie van drie kamerleden, die alweer met de proselieten-makerij begint.

Het blad vindt aanleiding voor zgne artikeltje Niet Anti-Hervormd  in een bericht onder „Kerknieuws" in de Standaard van 22 September 1919. Dit bericht luidt:

Ds.-J. B. Netelenboi. Voor de Chr. Jongemannen-Vereeniging „Daniël" te Delft hoopt Dinsdagavond a.s. te 8 uur in de groote concertzaal van „Stads Doelen" Ds. J. B. Netelenbos op te treden met het onderwerp: „Ethisch-Gereformeerd". Het doet eenigszins vreemd aan dat deze (Herv.) Jonge-Mannenvereeniging, die op het gebied van lezingen organiseeren nog weinig bekendheid verworven heeftal aanstonds dezen predikant uit Middelburg laat optreden. Of moeten we hierbg denken: „In troebel water ...."

Nu lette men goed op, dat dit berichtje van een correspondent afkomstig is, en niet door de redactie werd gesteld. Zelfs is het de vraag of de redactie van de correspondentie nota nam.

De Zuidhollander schrgft erintusschen dit van: Wie dit stukje leest, proeft daaruit de felheid van den Gereformeerde tegen de Hervormden (zou er ook niet iets anders uit gelezen kunnen worden ? 

Het begin is al curieus. Maar dan volgt er verder: Hier neemt het A.R. orgaan positie in ten opzichte van de oude kerkelijke geschillen en van den tegenwoordigen strgd in de gemeente Middelburg. En het kiest den kant der Gereformeerde Kerken. En het schroomt niet de Hervormden er van te verdenken aan zieltjes winnen te doen.

Wat zoo'n eenvoudig berichtje van een correspondent al niet in het brein van den schrgver kan doen opkomen. Maar bepaald misleidend wordt hetgeen dan volgt:

Blijkt hier nu weer eens niet heel duidelgk, dat de Anti-revolutionaire Pers wel degelgk Anti-Hervormd is?

Men moet moed hebben om zooietste schrgven. Commentaar Igkt hier overbodig. Het slot van het stuk is als de rest:

Mogen de oogen van de Hervormden, die nog steeds in de A.E. gelederen bleven, opengaan voor deze Anti-Hervormde gezindheid en zg hun de moed geschonken, dan de eenige conclusie te trekken, die daaruit getrokken moet worden. Zg hebben gedroomd van een Christelijk Staatkundige partg, waar geen kerkelgke hartstocht de mannen van hetzelfde Staatkundige beginsel zoude scheiden. Zij meenden dat te vinden in de A.R. Partg. Dat is misgezien. Zg moeten bij ons zijn, bij wie allen die onze beginselen onderschrgven, van wat Kerk ze mogen wezen, gelgke rechten hebben en ge-Igkelijk worden gerespecteerd.

Wg zeggen over dit alles niets. De tgden zijn er niet naar om op dergelijk schrgven nader in te gaan.

Alleen vragen wg of de schrgver van het artikel nog nimmer iets gehoord heeft van wat bg vele Chriatelgk-Historischen leeft inzake „de kerkelijke hartstochten" en of de beginselen van zekere voormannen in de Chr. Hist, partg zoo lokkend uitnoodigen om zich bij die partg aan te sluiten?

«

Moeilijke dagen. De positie van het Kabinet is in den laatsten tgd geen gemakkelijke. Reeds de buitenlandscbe politiek met alle de omstandigheden, welke van den oorlog het gevolg zgn, geven alleen reeds de regeering handen vol werks.

Bijzonder is het daarbg de duurte, die vele gezinnen teistert, welke de zorgen van het Kabinet bezighoudt.

Daarbg komen thans de verwikkelingen met het Rgkspersoneel, wiei eischen bg den dag luider klinken en de regeering nopen tot een steeds dieper tasten in de schier uitgeputte schatkist.

Doch bleef het nu maar daarbg, dan ware ook door die bezwaren wel heen te komen, maar het ergste is, dat revolutionaire elementen de hartstochten van het volk ontketenen en ze drijft in eene richting, die voor het leven van den Staat gevaarlgk wordt.

Van die zgde wordt het er op aangelegd om de economische stakingen in politieke-om te zetten.

Steeds wordt op hetzelfde aambeeld gehamerd, dat de christelgke regeering geen hart heeft voor hare ambtenaren en beambten, terwgl toch de feiten aan­ wezig zgn, die van het tegendeel kunnen getuigen. 

Met het Kabinet Cort van der Linden, p kan het tegenwoordig ministerie de ver-dw gelgking glansrgk doorstaan.

Naast een vol jaar duurtebgslag over 1918 gaf Minister de Vries nog een extra termgn in hetzelfde jaar.

Met 1 Januari 1919 werd de nieuwe t salarisregeling ingevoerd, daarbg werd over dat jaar weer een duurtebgslag toegekend, dan werd er voor vele ambtenaren en beambten een belangrijke wgziging gebracht in de standplaats aftrek-regeling, voorts kwam er vrgstelling van pensioenstorting op de salarissen van f 1200 en daar beneden, en eindelgk werd enkele weken geleden besloten, om in October een extra maand salaris uit te keeren met een minimum van f 100.

Blgkt uit dit alles niet de hartelgke medewerking der regeering om het rgkspersoneel in zgn benarde levensomstandigheden bg te staan? 

Juist het tegenwoordige Kabinet deed in een zeer korte spanne tgds meer voor ambtenaren en beambten dan het vorige ministerie in 5 jaar heeft gedaan.

Bg de opsomming, welke wg hierboven gaven, komt nu nog dealgeheele nieuwe salairiswijziging, die de regeering op 1 Januari a.s. zal doen in werking treden.

Dat men ondanks de krachtige steun, welke de regeering verleent toch nog naar de wapenen grgpt, wgst op een geest onder het personeel, die het ergste doet vreezen.

Gelukkig staan tegenover de roode elementen de mannen van christelij ken huize en de goedgezinden in de neutrale bonden, die allen vertrouwen blgven stellen in het beleid van het Kabinet. 

De regeering late zich daarom niet verontrusten door de dreigementen van hen, die het niet in de eerste plaats te doen is om economische beweegredenen. Hare taak is het, om gevolg gevende aan billgke verlangens, het gezag krachtig te handhaven.

Alleen langs den geordenden weg mag naar verbetering van positie gestreefd worden.

Op ons verzoek.
Het artikel over De bevordering der bm Christelijke Ziekenverpleging, de roeping van de Kerk van Christus en elk harer leden van de hand van ds. J. C. v. Apeldoorn, v te Hoogeveen, is op ons verzoek door ó hem aan „De Waarheidsvriend" welwillend afgestaan, waarvoor wg hem hier d gaarne vriendelijk dankzeggen. Wg hebben hem, om dit referaat, te Groningen z gehouden gevraagd, omdat we meen en dat onder ons een aansporing op dit terrein niet overbodig is, waarom wg dan ook van harte hopen, dat dit goed bewerkte stuk van 'ds. Van Apeldoorn c niet zonder vrucht zal worden geplaatst.

De bevordering der Christelijke Ziekenverpleging, de roeping van de Kerk van Christus en elk harer leden.

Het onderwerp, dat mg verzocht werd in deze ure met u te behandelen, deed mij bg den eersten opslag bezwaren zien, die later bleken niet te bestaan. Ik zag n.l. het kerkelgk vraagstuk als een dreigend spook voor mgn oog verrgzen.

Dra verbleekte het. Thans is het geheel verdwenen. Het kerkelgk vraagstuk kan ik gevoegelgk laten rusten, i) Bg de Zending zou het ter sprake moeten komen.

Schreef reeds in 1868 dr. Bronsveld: „de Christelgke Kerk is eerst en meest een Zendingskerk geweest, zg is dat lang gebleven. En de Roomsch-katholieke drgft de Zending nog altgd op ofBcieele wgze, als een taak haar opgelegd.

Zoo moet het, naar mgn bescheiden meening, worden bij ons. Onze Nederl. Herv. Kerk, die nooit qua talis aan de eigenlgke Zending iets heeft gedaan, mag niet langer aan de Zendingsvrienden overlaten, wat haar heilige roeping is."

De Christelijke Ziekenverpleging kan niet met de Zending op één Ign worden gesteld.

Bracht reeds van den beginne af verkondiging van het Evangelie genezing van kranken in haar gevolg met zich en staat in het bericht aangaande de uitzending van de zeventig discipelen de genezing van kranken zelfs voor de prediking van het koninkrgk Gods vermeld, wonderdadige genezing is iets anders dan Christelgke Ziekenverpleging. Deze laatste toch is barmhartigheid, uit geloof geboren.

„Het wonder", schreef Fortman zeer juist, „behoort tot het terrein der particuliere genade, is een buitengewone gave des Heiligen Geestes, die alleen verleend wordt aan de gemeente Tan Christus, met het oog op bepaalde tgden en omstandigheden. Daarentegen is de geneeskunde een geschenk der algemeene gratie, die gegeven kan worden onder alle volkeren, zoowel heidensche als christelgke, aan allerlei menschen, die daarvoor den aanleg hebben gekregen van hunnen Schepper. Hg, wien wonderkracht is geschonken, kan steeds gehoorzamen aan het bevel: „Genees", daar krankheid voor hem onvoorwaardelgk wgkt; de gewone dokter geneest alleen onder beaalde voorwaarden, hèm kan dus nooit de last „Genees" gelden. Ook dient het onder der genezing het koninkrgk Gods, de geneeskunde even goed de belangen van het Godsrijk als dat van de rgken der wereld."*)

Hiermee willen wg het hoog belang er Christelgke Ziekenverpleging niet erkleinen, evenmin als de dure roeping er Kerk voorbg zien.

Zij toch moet het heiligdom zijn, waarit de heilige wateren vloeien die ieder ing doen leven, waarheen zij komen.

Dwong niet de eerste gemeente zelfs en heiden bewondering af, omdat haar eloof in den opgestanen Christus in een iefde werkzaam was, die zich uitstrekte ot al wat door Igden en smart verscheurd werd.

Een treffend staaltje van wat de verdervende macht der zonde ook aan het lichaam werkt, lezen wg in weinige, doch veelzeggende woorden: „En een zeker man, die kreupel was van zgner moeders gf, werd gedragen, welken zg dagelgks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schoone, om een aalmoes te begeeren van degenen, die in den tempel gingen."

Maar hier is ook der christelgke barmhartigheid het terrein gewezen, waar het geloof in liefde werkzaam zgn alles overwinnende macht toont. Een macht, waarover de wereld niet beschikt, want hoe prgzenswaardig ook het gedrag is der niet met name genoemde weldoeners, die den kreupele lederen dag dragen naar de poort des tempels, wat Petrus hem schenkt, kunnen zij niet geven.

Den tempel te weten vinden is iets, den Heere des tempels te kennen oneindig meer. Tot die kennis komt de mensch nooit uit zichzelveni God Zelf moet zich van den hemel tot den mensch neder buigen in zgn zonde en Igden.

Die nederbuiging geschiedt in Christus.

In Hem schittert de liefde Gods, van welke de apostel Paulus schrgft: „Die ook Zgnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft. Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hg ons ook met Hem niet alle dingen schenken!"

Hiermee is tevens de rgkdom der Kerk van Christus aangegeven. Zij bezit een fontein, waaruit alles haar toevloeit. Dat bezit maakt haar niet zelfzuchtig, maar mededeelzaam.

De Samaritaansche, geroepen tot en verkwikt uit de levende wateren, roept ook anderen.

Dat is het levend water brengen aan den van dorst versmachtende. Slechts hij kan het en moet het, die zgn brandenden dorst heeft gestild door een teug uit de frissche bron, in Christus geopend.

In hem stroomt binnen de drievoudige christelgke deugdentrits: „liefde, blgdschep, vrede — lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid — trouw, zachtmoedigheid, gematigdheid, — 't echte kenmerk van den waarachtigen Christen. Dan alleen is hg in staat om in den Naam des Heeren uit te gaan en den kranke te bezoeken, den naakte te kleeden, den hongerige te spgzen, den dorstige te drinken te geven.

En dat die arbeid niet gdel zal zijn in den Heere, staat als een paal boven water vast, omdat hg is. Paulinisch uitgedrukt, een brief van Christus, geschre ven niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet in steenen tafelen, maar in vleeschen tafelen des harten.

Zulk een brief kan ook gelezen worden door iedereen, want hij is geschreven in een voor ieder verstaanbare taal.

Van zulke brieven van Christus kan gezegd worden, dat zg hun licht laten schgnen voor de menschen. In den nacht van zonde en ellende stralen zij in heerlijken glans.

De eerste gemeente was zulk een brief. Daarom wekte deze zelfs de bewondering der heideneü op.

Wat zg aanschouwden was hun geheel vreemd. Wel was er onder de oude wijsgeeren een Socrates, die zich wereldburger noemde; wel prees Cicero, op een enkele plaats in zgn talrijke geschriften, „de liefde tot het menschelijke geslacht" als de schoonste deugd aan; maar de liefde, zooals zg bezongen wordt in de Schrift, was der heidenwereld vreemd " 3)

Alleen in de schaduw van het kruis wordt zg gewekt en gekweekt.

Daarom kan er ook zonder een liefde, die een vrucht is van het kruis, geen sprake zgn van barmhartigheid. Daarom is ook alleen de Kerk van Christus geroepen tot den arbeid der barmhartigheid.

De Gemeente heeft deze beoefening ook nooit uit het oog verloren.

Zg heeft met teeder mededoogen geluisterd naar de noodkreten derlgdende menschheid en balsem doen druppelen in de wonden, haar toegebracht door zonde en dood. Zg heeft alom hare tempels van liefdadigheid opgericht, om afgedwaalden en ongelukkigen te redden.

In de eerste drie eeuwen vooral heeft zg het getoond, dat hoe zuiverder de liefde, hoe grooter de barmhartigheid.

Toen bestond er ruimschoots voor haar gelegenheid, om de barmhartigheid uit te oefenen, maar ook gevaar om ontrouw te worden.

Zg stond in dien tgd tegenover een wereld, die haar vgandig was, en die ondersteund door den sterken arm det overheid, haar ondergang zocht.

De vervolgingen beroofden velen van al hun bezittingen, deden hen in armoede en kommer rondzwerven, vermeerderden het aantal weduwen en weezen, , en door den haat der heidenen moest menigeen, na de wreedste martelingen, krank en gewond in den kerker zuchten, uitziende naar hulp en vertroosting van zgn geloofsgenooten.

Maar was in die tijden de nood groot, de tent der barmhartigheid was opgeslagen in den rook der brandstapels.

De verzorging der hulpbehoevenden, en daaronder ook der zieken, werd met gver behartigd door de bestuurders det gemeente, en, naar het voorbeeld van de christenen te Jeruzalem, stelde men overal voor dat werk bijzondere personen aan, met den naam van diakenen.

De gemeenteleden waren van hun zgde even gewillig in het bgeenbrengen van de noodige middelen, die de diakenen tot een behoorlijke armenverzorging in staat konden stellen; zoowel door de oifergaven bij het Avondmaal en de liefdemaaltgden, als door maandelgksche giften en buitengewone geschenken, deelden zg van het hunne rgkelijk mede.*)

Maar daarmede vergenoegde men zich nog niet; men beschouwde het als de plicht van lederen geloovige, om niet slechts zgn gaven door anderen te doen uitreiken, maar om ook zélf de noodlgdenden te verzorgen.

Zoo wordt ons van Gallianus, een aanzienlgk christen te Rome, bericht, dat hij niet schroomde, om met eigen hand den zieken de noodige diensten te bewgzen, hun spgs en geneesmiddelen toe te reiken.

Inzonderheid echter waren het de vrouwen, die de verpleging der kranken op zich namen. Vandaar dat Tertullianus het als een nadeel der gemengde huwelijken aanvoert, dat een heidensch echtgenoot zgne christelgke vrouw niet zou toelaten, de hulpbehoevenden te gaan verzorgen. Maar was de man christen, dan kon zg, zegt hg : „vrij de zieken bezoeken, de behoeftigen ondersteunen, zonder kwelling aalmoezen uitdeelen."

Nooit evenwel bloeide de bloem der barmhartigheid heerlgker op den stengel der liefde, dan wanneer besmettelgke ziekten den arbeid der verpleging gevaarlgk maakten.

Toen een hevige pest onder de regeering van keizer Gallus uitbrak, waarvan gelgk het in die dagen gewoonte was, de christenen de schuld kregen, vluchtten de heidenen weg van de zieken en stervenden. 6)

De Christenen daarentegen, aangevuurd door hunnen bisschop Oyprianus, trokken zich het lot der ongelukkigen aan en trotseerden alle gevaren in het verplegen der Igders en het begraven derdooden; en niet alleen aan hun geloofsgenooten betoonden zg die liefde, maar ook aan de ongeloovigen, hunne vervolgers.

De liefde verkoelde, de geloofskracht zonk, wanneer de vervolgingen eenigen tijd ophielden en in den aanvang det vierde eeuw, toen het christendom tot godsdienst van den Staat werd verheven, openbaarde zich meer een geest der wereld dan der liefde.

Wel was deze tgd nog rgk aan barmhartige Samaritanen, maar het beginsel, dat bg velen tot weldoen drong, was niet meer de liefde tot Christus, maai had de zelfzuchtige bedoeling om daardoor den hemel te verdienen.

Een gunstige uitzondering maakte Placilla, de gemalin van Theodosius I, die, wanneer men haar van de verpleging der kranken wilde terug houden, ten antwoord gaf: „De keizer mag goud verdeelen, maar ik wil dit alles doen voor Hem, die den keizer het rijk verleend heeft."

En van een aanzienlgke weduwe, Fabiola, schrgft Hierouymus: „hoe dikwgls droeg zij de zieken op hare schouders weg I Hoe dikwgls wiesch zig hunne wonden, waarvan anderen niet eens het gezicht konden verdragen! Al had ik honderd tongen en honderd monden en een ijzeren stem, dan zou ik nog de namen niet kunnen noemen voor al de kwalen, waarvoor zg leniging aanbracht".

Vooral echter verdient de vierde eeuw onze aandacht, omdat toen de hospitalen ontstonden.

De eerste gebouwen van liefdadigheid dienden ter opneming van allerlei hulpbehoevenden. Zg werden Xenodochiën en hospitiën genoemd. Langzamerhand ontstonden er voor elke klasse van ongelukkigen afzonderlijke gestichten.

De nosokomiën of ziekenhuizen komen in den aanvang niet dan bij uitzondering voor. en werden eerst na Karel den Groote meer algemeen.

Het meest beroemde Xenodochiuffi van dien tgd is dat, hetwelk, nog vóór het jaar 370, werd gesticht door Basilius den Groote, bisschop van Caesarea in Cappadocië, en dat naar hem de Basilia^ heette, ö)

Uit dit kort overzicht van de Ziekenverpleging in de eerste eeuwen dei Christelgke Kerk blijkt, dat de gemeen** des Heeren hare roeping verstond, omdat zg was geworteld in de onuitdelgbare grondstof der liefde, waaruit de barmhartigheid opbloeit tot een heerlgke bloem, die de gloed der vervolgingen niet verdringt.

Die roeping springt ook in het oog, als wg letten op het hoog belang van Christelqke Ziekenverpleging,

Bij een zieke heeft men niet slechts te doen met een verstoord „lichaam", maar met een ziek „mensch", wat juist bij de neutrale Ziekenverpleging wordt voorbijgezien. '')

En in den mensch is niet alleen een lichamelijk, maar ook een zieleleven en deze beiden zqn nauw met elkander verbonden.

Storing in de eene sfeer veroorzaakt ook verandering in de andere.

Deze werking van lichaam en ziel op elkander wordt niet alleen in het algemeen, maar ook in de afzonderlgke deelen gezien. Wanneer een deel van het zenuwleven ziek wordt, werkt dat op het humeur van den kranke. Zoo heeft bqv. een lijder aan Ie verziekte een vaak onaangename gemoedsstemming; hij ia meestal prikkelbaar en ongeduldig, Maaglijden veroorzaakt zwaarmoedigheid; huidziekte heeft zelfs dikwgls krankzinnigheid ten gevolge. 8) Maar ook omgekeerd werkt de ziel op het lichaam. Hevige hartstochten kunnen het gezondste organismus verstoren, en schadelqk werken op den geestelijken toestand van den mensch.

Daarbij komt nog, dat de zieke, genomen uit den gewonen gang des levens, niet in staat om de afleidingen en verstrooiingen der wereld te genieten, tot zich zelven moet inkeeren. De eenzaamheid dwingt den kranke, om over zijn vervlogen leven na te denken, het geweten spreekt, het berouw wordt wakker, het hart week, tranen wellen op in de oogen, de ziel dorst naar • troost. Van Heinrich Heine wordt verhaald, dat bij eens tot een vriend, die hem tijdens zqn ziekte bezocht, zeide: „als ik nog maar eena weer op krukken kon uitgaan, weet gq waar ik dan heenging ? " „Neen", was het antwoord. En de arme teringlijder hernam : „ik ging regelrecht naar de Kerk".

En toen zijn vriend opmerkte, dat hij zoo iets , .zeker niet in ernst meende, zeide de kranke: „neen, neen, ik meen het ernstig; waar zal men op krukken beter heengaan, dan naar de Kerk? Als ik zonder krukken kon uitgaan, dan, 't spreekt van zelf, zou ik een bal gaan bq wonen, of een wandeling maken over de vroolqke boulevards, maar nu"

Een mensch moet vaak eerst op krukken loopen voor hij vraagt naar den Zaligmaker.

En wie kan nu beter hier helpen dan hq, die de liefde bezit, welke naar het woord van Paulus wel alle dingen bedekt, maar niet minder ontdekt.

Zij dringt door tot de grondoorzaak van alle lijden, en die grondoorzaak is de zonde.

In eiken zieke ziet zq een zondaar. En waar zq alle dingen hoopt, tracht zij den lijder tot de erkentenis dezer waarheid te brengen, opdat hq de oorzaak, het doel van zijn lijden inzie. Maar hierbq blijft zq niet staan. Heeft zq den kranke de oogen geopend voor het feit der zonde, dan wqst zq op Hem, die om onze overtredingen is verwond, om onze ongerechtigheden ia verbrijzeld, door wiens striemen ons genezing is geworden. Zoo wordt de ontdekkende liefde bedekkende.

Maar deze liefde vertroost niet alleen de Iqders, zij geeft ook geduld en taaie volharding aan hen, die geroepen worden aan de ziekbedden. Hoe menig goed werk wordt vandaag aangevat en morgen losgelaten. Daarom zqn er voor de verpleging menschen noodig, die het geheim verstaan, ondanks alle ontmoediging een warm hart te blqven houden.

En een warm hart, dan ook warme woorden, warme daden!

{slot volgt.)


(1) Zie over de Kerk de glasheldere uiteenzetting van ds. Knap in het werk getiteld: »de Kerk«. Verder Bavinck, Geref. Dogmatiek deel IV, blz. 322 v.v.; een keurige uiteenzetting over de Kerk als organisme en instituut kan men vinden in een bundel predicatië» van dr. A. Kuyper, gehouden in de jaren 1867—1873, blz. 327 v.v,

(2) Dr. Bavinck, Geref. Dogmat. IV, blz. 468: «Rome beweert wel, dat de wonderkracht bij haar voortduurt, maar schooner dan die wonderen, waarop zij zich beroemt, zijn de werken der barmhartigheid, die van haar geloof en liefde een krachtig getuigenis afleggen, *

(3) Op valsch methodistisch standpunt boezemt alleen belang in het werk zondaren tot Christus te brengen. Dan heeft natuurlijk de geschiedenis der heidenen geen zin en beteekenis. Men rekent dan heel niet met de gemeene gratie. De confessie heeft die echter niet laten rusten en spreekt zich duidelijk daarover uit, o.a. in art. 12; 17. Belijdenis.

(4) Ds. G. J. Barger ziet in het diaconaat niet anders dan »de dienst der barmhartigheid jegens de armen« en wil van een onderscheiding als dr. Kuyper maakt in Prophylactiek, Boethetiek en Lepsiek niet weten. Zie dr. A. Kuyper, Encyclopaedic blz. 538 v.v.

Bavinck, Geref. Dogm. IV, blz. 468 v.v, zegt: »Wel heeft de Gereformeerde Kerk het ambt van diaken hersteld, maar zij heeft plaats en dienst niet behoorlijk geregeld en zijn werkzaamheid niet tot ontwikkeling gebracht.* In elf punten geeft hij dan de richting aan, waarin hij deze ontwikkeling wil doen geschieden.

(5) Feitelijk was die pest reeds uitgebroken onder de regeering van Decius, rergel. Cypriani epist. 57, 56.

(6) Gregorius van Nazianze, boezemvriend van Basilius noemt dit ziekenhuis de »nieuwe stad. Er waren aan verbonden geestelijken, geneesheeren, ziekenoppassers en de noodige liandwerkslieden.

(7) Volkomen waar is, wat ds. H. H. Barger schrijlt in ïUwe opleiding.» Wij hebben het over de ziekenzorg en dan komt het mij voor, dat neutrale ziekenverpleging eene tegenstrijdigheid in uitdrukking is, die duidelijk te kennen geeft, dat zij eene onmogelijkheid is. Neutrale zitktevejpleging, ja dat gaat. De ziekte is een toestand, haar kunt ge behandelen - als een geval, interessant of niet interessant, moeilijk of gemakkelijk voor u. Maar het ziektegeval blijft voor rekening van den geneesheer, uwe verpleging betreft den zieke en hoeveel leert gij daarvan verstaan ? Het is de mensch, die aan uwe zorg wordt vertrouwd. In den mensch is niet alleen een lichamelijk maar ook een ziele-leven en ik behoef u, die dagelijks met zieken zult omgaan niet voor te houden, hoe nauw deze beiden met elkander verbonden zijn.oc

(8) Zoo vertelt Schopenhauer van een soldaat, dat hij krankzinnig werd, omdat zijn officier hem met »er« aangesproken had. Zie over krankzinnigheid bij hem blz. 153 v.v. II.Arthur Schopenhauers Werke.

(9) A. Dupont wijst in zijn boek »Het huwelijk» op de nadeelige gevolgen van onanie voor het karakter, zie blz. 25 v.v.

Zie ook voor de werking van het lichaam op de ziel dr. A. Kuyper, Dictaten Dogmatiek III blz. 89.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's