Staat en Maatschappij.
De lijkverbranding.
De Regeering heeft thans een voorstel ingediend tot aanvulling en wgziging van de Begrafeniswet van 10 April 1869. Bij dit voorstel wordt de lijkverbranding toegelaten.
Wel verklaart de Regeering, dat het; wetsontwerp allerminst instemming in^ sluit met het beginsel der lijkverbranding, maar dit neemt toch niet weg, dat zij de zaak wettelijk gaat {egelen.
Zeker, er was een leemte in de wetgeving, waarvan in den laatsten tgd werd gebruik gemaakt voor de lijkverbranding, ofschoon door de wet uitgesloten, toe te passen, en het blgft een ernstige grief tegen het vorig kabinet, dat het geen idfiatregelen nam, om bijtijds wetsovertreding tegen te gaan, doch dit alles behoefde voor de tegenwoordige Regeering geen reden te zgn, om wat thans in strgd met de wet plaats vindt, voor den vervolge toe te laten.
Hier wordt een precedent gesteld, dat voor onze wetgeving in de toekomst hoogst bedenkelijk kan worden.
De wetgever van 1869 heeft geen Igkverbranding gewild, er is een groep menschen, die de wet overtreedt, en nu komt de tegenwoordige wetgever en geeft de voorstanders der lijkverbranding gelgk.
Zoo en niet anders staat de zaak. Het argument der Regeering voor haar voorstel, dat de wet zieh bg de feiten zal hebben aan te sluiten, is niet duidelijk en snijdt ook geen hout.
De Regeering gaat schipperen en plooien met een beginsel dat zij had moeten hoog te houden. In een Christelijk land behoort lijkverbranding niet thuis.
Het moge in de wetsvoordraoht een lichtpunt zgn, dat zij van de gedachte uitgaat, dat de Igkovens tot de bestaande zullen worden beperkt, en dat alleen dan Igkverbranding zal mogelgk zgn, indien de overledene op een leeftijd, die eenigen waarborg geeft voor een onbevangen oordeel, deze beschikking over zijn stoffelijk overschot met zoovele woorden heeft getroffen, toch doet het ons leed, dat de Regeering den hoogen moed niet heeft gehad, om de lijkverbranding hier te lande te verbieden.
Er zou dan wel ernstig verzet tegen hare beslissing gekomen zgn — deze zal thans zeker met het oog op de wijze, waarop de zaak thans geregeld wordt, ook nu niet uitblijven — maar de Regeering had dan zeker het grootste gedeelte van het volk achter zich gekregen.
De bevordering der Christelijke Ziekenverpleging, de roeping van de Kerk van Christus en elk harer leden. (Slot.)
Het is zoo schoon gezegd door Dr, Kuyper: „De hooge kunst van wie in Jezus naam verpleegt is, om zgn kranken in heilige stemming te houden. Zelfs bij het ziekbed met God en voor Zijn aangezicht te leven, en zoo de stemming van het eigen hart aan den kranke over te doen. Maar vooral moet er bg Ohristeligke Ziekenverpleging een ernstig streven zgn, om de krankheid geestelijke vrucht te laten dragen, hetzg voor dit leven, hetzg voor het leven hiernamaals.
Velen denken, dat er van ernst bg het ziekbed alleen sprake komt, zoo de dood nabij dreigt.
Toch is dit mis gezien. Elke ziekte moet den kranke geestelgk verder brenen, hem tot zich zelf doen inkeeren, em zijn weg doen overdenken, en hem ls vernieuwd in geestelgken moed van gn ziekbed doeti opstaan".
Kostelijke woorden, waaruit duidélgk lgkt, dat alleen Christelijke Ziekenverleging de eenig ware kan zijn.
Als zij haar taak vervult gelijk Kuyper ie beschrgft in de zoo juist aangehaalde oorden, blgkt, dat er geloof is, werkaam in een liefde, die zich uitstrekt ook tot de ziel.
En gelgk deze liefde een vrucht is des geloofs, zoo vindt zij ook in het geloof haar kracht. Zonder geloof geen liefde en ook geen kracht, misschien wel veel krachtsvertoon gelgk bg die zeven zonen van een zekeren Sceva. Maar gelgk wg hier hooren van een droeve mislukking, zoo zal alles, wat niet in 't geloof geschiedt ten laatste op mislukking uitloopen.
„Den inhoud van dat geloof" — en hier haal ik met volle instemming aan wat Prof. Lindeboom schrgft in een brochure, getiteld: „De beteekenis van het Christelgk Geloof voor de Geneeskundige Wetenschap" — „vindt gij in de H. Schrift, Gods onfeilbaar Woord, van Gen. 1 tot Openb, 22, In dat Woord spreekt God zelf tot ons. Over zich zelven en ook over ons.en onze krankheden en over onze genezing.
Door dat Woord werkt Gods Geest het geloof, in den geleerde en in den zwakke van hoofd, in den dominee en in den dokter. Door datzelfde Woord wordt het geloof, en alzoo de geloovige in al de deelen of eigenschappen en factoren van zgne ziel, gevoed en gesterkt. Aan dat Woord hebben wij ons onophoudelijk te toetsen. Aan dat Woord houdt God zich in alles en zal Hg ons houden, i)
Daardoor is den Christelijken Ziekenverplegers en verpleegsters tevens de bron gewezen, waaruit zg putten moeten voor zich zelf en voor anderen. 2)
Die bron doet ook de gemeente van Christus hare roeping kennen, waar zg ; wijst op Hem, van Wien de profeet reeds getuigd had: „Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken, maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden met oordeel",
En heeft Hg tgdens Zijn rondwandeling op aarde niet bewezen te zgn de goede Herder, zooals Hij door de profeten was voorspeld?
Lezen wij ooit van Hem, dat Hij een kranke of lijdendezonder hulp wegzond? Dreef niet Zijn erbarmen Hem, om de ellendigen op te zoeken, zooals Hg deed met den kranke bij het badwater van Bethesda, aan wien Hij vol ontferming vroeg: „Wilt gg gezond worden? "
Op dien arbeid der liefde beriep de Heere zich dan ook voor zijn Messiaansche waardigheid, toen twee discipelen van Johannes tot Hem kwamen met de vraag: „Zijt Gij degene, die komen zou of verwachten wg een andere? " „Gaat heen en boodschapt Johannes weder hetgeen gg ^oort en ziet: de blinden worden ziende en de kreupelen wandelen, de melaatschen worden gereinigd en de dooven hooren, de dooden worden opgewekt en den armen worden het evangelie verkondigd".
Wat wij nu in het begin reeds met een enkel woord aanstipten, dat wonderdadige genezing aan de gemeente van Christus verleend wordt met het oog op bepaalde tg den en tgdsomstandigheden, mag er ons niet toe verleiden evangelieprediking en gezondmaking des lichaams te scheiden.
Terecht merkt Prof, Dr. Theodor Christlieb op: „Vergeving van zonden, Bvangelieprediking en lichamelgke gezondmaking zgn niet anders dan twee zijden van het ééne, doorwerkende heil, dat den menschen in Christus naderbij kwam", een wnarheid, die zelfs door vele Christelien niet wordt verstaan, omdat zij de groote sociale beduidenis van het evangelie niet vatten,
Zg hebben over het lichaam een opvatting in niets verschillend van de oude Grieken, die ons verhalen van een menschenziel, stammend van buiten deze aarde en die nu hier op aarde is ingekerkerd in een lichaam. Straks zal zg uit dit lichaam vluchten en dan pas vrg zich ontplooien in de onsterfelijkheid achter het graf.
Maar het evangelie komt tot den geheelen mensch, dat is tot den mensch, wiens ziel en wiens lichaam door de zonde is verdorven. Deze twee zoo innig verbonden, kunnen niet gescheiden worden. Wie die scheidt, peilt niet de diepte der zonde, noch ook de volkomenheid der verlossing, die zich tot heel het persoonlijk leven, ook tot het lichaam uitstrekt.
Iemand uit vroeger eeuw moet gezegd hebben: „als ik in de heerlgkste aanschouwing van God verzonken was, en het viel mij plotseling in, dat hier of daar in mgn omgeving een arme kranke verlangde naar een lepel warme soep, dan zou ik terstond de aanschouwing van den Eeuwige laten varen, om de soep te bereiden en aan den kranke te brengen."
Men moge deze uitspraak gewaagd noemen, tegenover hen, die het Igden voorbij gaan, er niet naar willen zien, doen gelijk in de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan, de priester en de leviet, kan zij wel staan.
Tegen zulk een taktiek heeft de Heere dan ook ernstig Zijn stem verheven in het woord: „De zwakken sterkt gij niet, en het gebrokene verbindt gg niet en het weggedrevene brengt gg niet weder en het verlorene zoekt gg niet."
Naar werken der liefde zal Hg ook vragen in den dag des gerichts, als Hij zeggen zal tot die aan Zgn rechterhand: „ik ben hongerig geweest en gij hebt mg te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mg te drinken gegeven, ik was een vreemdeling en gg hebt mg geherbergd, ik was naakt en g!j hebt mij gekleed, ik ben krank geweest en gg hebt mg bezocht, ik was in de gevangenis en gg zgt tot mg gekomen, Voorwaar zeg ik u: Voor zooveel gg dit een van deze mgne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mg gedaan".
Vooral in het licht van dit woord moet de gemeente hare dure maar ook heerlgke roeping zien. Dan gaat er kracht van haar uit, evende, levendmakende kracht. Nu is van die kracht, die Gods gemeente behoort te openbaren, nog weinig te zien.
«Haar leven", — zoo zegt dan ook Prof, Dr, Visscher in zijn lezing ^de vrgheid van den arbeid der gereformeerde Vereenigingen op het terrein der barmhartigheid — „kwgnt, hare geloofskracht zonk in. Er gaat geen bezieling van haar uit, hare geestdrift verslapte. En diep beschaamd moet staan, wie van Christus ontferming geroerd werd en het leven zich dezer verdeelde, vermolmde kerkelgkheid, verteerd door innerlijken strijd, vergiftigd door veel, dat met haat wezen zich nooit verdraagt. Er is oorzaak tot diep schuldgevoel. Maar ons werd toch iets gegeven. Onder den invloed van de levenwekkende macht des kruises heeft zich onder ons een actie ontwikkeld op het gebied der barmhartigheid, die, al is zg nog niet zoo alzgdig als wenschelijk moet geacht en nog niet zoo machtig als zg kon zgn, toch mede tellen mag, wgl zg kan bogen op een sociale werkzaamheid, die verre van gering is. En het ligt voor de hand, dat het van het grootste gewicht is deze planting, zoo gezond en krachtig mogelijk te houden en positie te neinen tegen alles wat hare toekomstige ontwikkeling kan bedreigen, "
In het verdere van zgn lezing noemt de geleerde schrgver dan als de dreigende gevaren de politieke ontwikkeling en de sociale actie onzer dagen.
Deze gevaren zijn dan ook verre van denkbeeldig en de gemeente des Heeren mag die wel onder de oogen zien en er zich tegen wapenen, zal zij de Christelijke Ziekenverzorging kunnen bevorderen.
Daartoe is allereerst noodig, dat de geloo vigen, met voorbgzien van wat scheidt, zich nauw aaneensluiten.
Schrijft niet de apostel Paulus aan de Romeinen: „De God nu der volharding en der vertroosting geve u onder elkander eensgezind te zijn naar Jezus Christus."
Naar Jezus Christus! In de eenheid van zin met Hem ligt de grondslag van onderlinge eensgezindheid der Zijnen.
Doch die volharding en vertroosting moeten in volhardend gebed afgesmeekt van den God der volharding en vertroosting.
Als het gebed verslapt, gelijk in den Btrgd van Israël tegen de Amalekieten de handen van Mozes slap werden, verslapt de volharding en sluipt de moedeloosheid het hart binnen en ondervindt onze Christelijke Ziekenverpleging daarvan evenzeker de noodlottige gevolgen als Israël in zgn strijd.
Want ik zie haar ook door een grooten vijand bedreigd. Die vigand, wij hebben hem reeds genoemd, is de Staat, die alles tracht in te palmen door zgn verleidelgke roep: „Bg mg zijn de millioenen!"
En als het der gemeente van Jezus Christus ernst is met het woord van den Vader der geloovigen: „Ik heb mgne hand opgeheven tot den Heere, den allerhoogsten God, die hemel en aarde bezit, zoo ik van eenen draad af tot een schoenriem toe, ja, zoo ik van alles, dat uwe is, iets neme, opdat gg niet zegt: Ik heb Abraham rgk gemaakt", als het haar hiermee ernst is, dulde zg niet, dat het goud van den Staat hare deelneming, geboren uit de eenheid des geloofs en zich praktisch openbarende in mededeeling, smoort. 3)
Dat woord moet haar een licht zijn op haar pad, zal niet haar geloofsschat steeds armer worden en daarmede de liefde, zonder welke geen barmhartigheid kan geoefend worden.
Wat het Joodsche volk getuigde van den hoofdman over honderd uit Kapernaüm: „hg heeft ons volk lief, want hij heeft zelf ons de synagoge gebouwd", moeten onze christelijke verplegers en verpleegsters kunnen getuigen van de Gemeente: „zg heeft onze kranken lief, want zg heeft zelf ons de ziekenhuizen gebouwd".
In dezen weg wordt ook het geloof te meer verzekerd, want dat wg uit den dood tot het leven zgn overgegaan, wq weten het hieraan, dat wij de broeders liefhebben.
En die liefde openbaart zich ook in haar heerlijkste verscheidenheid. „Want gelijk wg in éen lichaam vele leden hebben en de leden allen niet dezelfde werking hebben. Alzoo zijn wij velen éen lichaam in Christus maar elk een zgn wg elkanders leden.
Hebbende nu verscheiden gaven, naar de genade, die ons gegeven is.
Zoo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzig bediening in het bedienen, hetzg die leert in het leeren.
Hetzg die vermaant, in het verfaanen: die uitdeelt in eenvoudigheid; die een voorstander is in naarstigheid: die barmhartigheid doet in blijmoedigheid.
Dank zij die verscheidenheid is niet ieder geroepen, zich te wijden aan de taak der Christelijke Ziekenverpleging, maar wel te bouwen aan den tempel der liefde; die opgetrokken uit verschillende steen op geen ander fundament rust dan Jezus Christus, Wiens liefde bekeert van priester en leviet tot den barmhartigen Samaritaan.
(1) Hoogst belangrijk is ook wat Z, H. G. hierop laat volgen: Christelijk noemen wij het Geloof, vooral om aan te duiden - dat we in Jezus Christus den Heere hebben en genieten , God geopenbaard in het vleesch«, 1 Tim. 3:16, onien volkomen Zaligmaker, zonder Wien niemand tot den Vader komt, en die niemand uitwerpt die tot Hem schreit en vlucht.
Wilt gij nadere verklaring? Lees dan de Geref. Belijdenisschriften, in zonderheid Art. 1 —7 en 21—24 Bel., Zond. 1, 7 en 33, 52 Catech., en de Vijf Artt. tegen de Rem, , waarvan vooral Hoofdst. 3—5 tal van wenken voor diepgaande t jielsstudie, voor de rechte zielskennis en ziels z genezing bevatten*. Vooral zie men blz. 16 onderaan, blz. 17 en 18 van geaoemde brochure,
(2) Dat wij naar de Schrift als naar de bron verwijzen en niet naar het geloof, zal ieder Gereformeerde wel verstaan.d d
En waarom wij verwijzen ook naar de Confessie ui evenmin nadere toelichting behoeven.
Wie dat niet mocht begrijpen of begrijpen willen, verwijzen wij naar wat Dr. A. Kuyper schrijft: Dictaten Dogmatiek 11 blz. 27: )> De Schrift is als een bolwerk, waarvan de Confessie de buitenste schans is; is de aanval op de Confessie geschied, dat gaat men vervolgens los op de Schrift zelf. Daarom, wie de Schrift liefheeft, wie haar beveiligen wil, moet zorgen, dat de strijd op het punt der Confessie gestreden worde. Dat deden onze Vaderen te Dordt ook.
(3) Niet onaardig noemt Friedrich Naumann in zijn werkje getiteld: »Over Christendom, Wereldbeschouwing en Levenspractijk* de Staat een stuk strijd om het bestaan, een pantser, dat uit het lichaam van den schildpad groeit, een gebit, dat de nationaliteit zich aanschaft, een samenstel van machten gevormd door willen, soldaten, paragrafen en gevangenissen. Het model er voor was Rome en niet Nazareth. Dat hiermee het wezen van den Staat nog niet is geteekend, ligt voor de hand. Zie Antirevolutionaire Staatkunde van Dr. A. Kuyper I blz. 133-145.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's