Uit het kerkelijk leven.
De Kerkvlsitatie, VI
Slaan we nu een oog in het Ontwerp v dat door de Synode dezes jaars gemaakt p is, om te komen tot een geheel nieuw amdb Reglement voor de Kerkvlsitatie, dan kunnen we op dit punt tevree zijn, waar in art. 11 staat: „Inzonderheid stellen de Kerk visitatoren zich op de hoogte van het kerkeligk-godsdienstig leven, godsdienstonderwqa, de arms^verzorging, het zedelqk leven." I* '
In het oude Reglement was dat anders. Dat begon in art. 1 met deze woorden: „De Kerkvlsitatie bestaat in een onderoek naar den stoffelqken en geestelijken oestand van de gemeenten enz." Ging aar dus het stoffelijke voorop, nu wil men doen uitkomen, dat het allereerst aat om het kerkelq k-godsdienstig leven.
Natuurlqk Ugt hier tegelijk een groote moeilqkheid. Want hoe verschillend zijn e toestanden in onze Herv. gemeenten! Wat verschilt de prediking van den een hemelsbreed van de prediking des anderen en hoe is de dogmatische overtuiging van de Kerk visitatoren zelf daarbq? Wat zal een gereformeerde afgevaardigde van de classis in een moderne gemeente zeggen en doen; en hoe zal een moderne visitator in een gereformeerde gemeente optreden?
Hier komt de richtingskwestie weer naar voren.
En weer opnieuw blqkt dat alles, alles vastloopt, als er niet werkelqk in geest en hoofdzaak éénheid van belijden is in de Kerk. Want men voelt immers aanstonds, dat we bq zoo gansch verschillende belgdenis wel nog kunnen praten over de diaconie-rekening, maar over de bediening des Woords en der Sacramenten te spreken gaat dan toch niet.
Ook hier vraagt het kerkelijk vraagstuk om oplossing. En liefst spoedig!
Want ja, we vinden het best, dat in het Synodale Reglement op den voorgrond nu geplaatst is een onderzoek naar het kerkelijk en godsdienstig leven. Naar leer en leven van de predikanten en van de Kerkeraads leden in het algemeen moet geïnformeerd en het karakter van onze Herv. Kerk, moet als christelqk, protestantsch, gereformeerd gehandhaafd worden. Want we leven in een christelqke Kerk en niet tusschen heidenen; we zqn protestantsch en niet Roomsch; we zqn gereformeerd en niet Remonstrantsch. En dat moet in alles uitkomen. Dat moet met bewustheid leven bq de leeraars, kerkeraadsleden en bq de gemeenten zelf. Geen beginsellooze Kerk, Allerwege moet met zelfbewustheid en met kracht gestaan worden naar het hebben en handhaven van wat der Kerk eigen is, volgens Gods Woord en haar wettige belijdenis. Hier moet men zich dan ook verder wachten voor practqken welke we nu zoo lang gehad hebben.
't Is al zoo lang geweest alsof alles rust en vrede in onze Kerk is. Alsof het in de verschillende gemeenten zoo opperbest gaat. Alsof het met de prediking en de sacramentsbediening in orde is. Alsof alles groeit en bloeit, waar er menigten van catechisanten en „aannemelingen" zijn en waar de diaconierekeningen sluiten met batige saldo's.
Wat staat het toch opperbest met onze Herv. Kerk!
Zestig jaar minstens nu heeft men de loftrompet niet van den mond gehad. Wilt ge bewqs?
We slaan de Synodale Acta van 1859 op. We zoeken naar het Rapport van de Kerkvlsitatie en we lezen dan:
„Tot de onderwerpen der Kerkvlsitatie overgaande strekt het ons tot groote vreugde, dat wq u al aanstonds de gunstige berichten herhalen mogen, die u in vorige jaren werden meegedeeld."
„Wat de predikanten betreft, wanneer wg het oog vestigen op de vele honderdtallen van mannen, die met de meesten onzer, de Vaderlandsche Kerk in deze betrekking dienen, dan voorwaar erkennen wq, het is een goede getuigenis, die aan deze breede reeks gegeven wordt. Ze zqn onberispelijk in leer en wandel, getrouw in de schoone doch moeilijke verplichtingen van hun heilig ambt, volhardende in de prediking des Woords zoo in de gewone als feestelgke samenkomsten der gemeente, en hetzq zq het leven of den dood verkondigen van hun Heer, zq beqveren zich om door het herderlqk bezoeken der gemeente veelzqdig nutte stichten, terwql hun in 't bqzonder de nood van Iq denden en kranken ter harte gaat, "
„Het onderzoek omtrent de ouderlingen eeft mede de meest gewenschte uitslag opgeleverd. Ze zqn bq voortduring onbeispelijk in belijdenis en wandel."
„Van de diakenen wordt medegedeeld, wat loffelqk is, zoo wat hun personen als administratiën betreft, "
„In het aangeteekende vonden wg geen stof, om u eenigen maatregel voor te stellen. Waar verkeerdheden plaats grepen, betoonden de kerkelijke besturen zich wakende. Wij scheiden thans van onze aak met aangename gewaarwording, als zijnde daardoor versterkt geworden in de overtuiging, dat in de overgroote meerderheid der vaderlandsche gemeenen de Broeders eendrachtelijk te samen wonen en werken en het er verre van is, dat de apostolische les: „Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden" door de Hervormde Kerk onzer dagen vergeten zou zijn" (Synodale Acta 1859 pag, 07-110).
Is het niet prachtig?
En dan moet men weten, dat in 1841 zoo ongeveer 9000 lidmaten aan de synode hadden kenbaar gemaakt, dat het toch zoo ellendig ging in de Kerk inzake de belqdenis. Waarbq zich de Zeven Haagsche heeren" spoedig aansloten, voornamelgk Groen van Prinsterer.
Vraagt men dan niet, of men in den Haag met blindheid geslagen was?
Temeer als men in de Synodale Acta van 1860 maar zozeer kalm te lezen krijgt:
„Tot de onderwerpen der Kerkvisitatiën overgaande wij met dankzegging tot den Heer der Kerk mogen zeggen aanstonds, dat wg de gunstige berichten van vorige jaren u medegedeeld, mogen herhalen" (pag. 40),
Wat ging het toch goed in de Kerk op papier.
Wat waren de labellen toch mooi! Wat stonden de 1400 predikanten, de 5000 ouderlingen en de 5000 diakenen toch goed aangeschreven!
Wat was heel het leger, de staf van officieren en de gelederen der manschappen, prachtig in orde!
„Zietdaar, Hoog Eerwaarde Heeren" zoo lezen we in het Rapport van 1856, „het verslag uwer commissie. Wq bieden het u met blijdschap aan, omdat wij bq vyeinig verkeerds zeeir veel goeds ontdekt hebben. Wg houden ons verzekerd, dat ook uwe vergadering in deze gevoelens deelen zal."
En zoo sliep men in.
Maar men voelt, zóo hebben we niets aan de Kerkvlsitatie.
't Is maar niet om een massa tabellen te doen waarop alles geflatteerd wordt en op z'n mooist voorgesteld. Want zoo gaan we verloren!
Maar dan moet ook weer over, dedingen gesproken kunnen worden in een Kerkgemeenschap waar men ééns geestes is, waar men hetzelfde gelooft en belijdt en waar men als broeders en zusters van hetzelfde gezin in liefde samenwoont.
Want de Kerk waar aangaande het hoogste en voornaamste schuilevinkje moet worden gespeeld, heeft geenbeteekenis, geen toekomst. Men trekt er tenslotte den neus voor op en haar plaats vindt men straks ledig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's