Uit de Pers.
Een vijftigjarige.
(Het Algemeen College van Toezicht 1 Oct. 1869—1919).
Er rust een noodlot op de kerkelgke vierdagen. Moesten wg ter gelegenheid van het eeuwfeest der synode opmerken, hoe e, weinig liefde er voor het hoogste bestuurscollege in de Ned. Herv. Kerkbestaat, ten opzichte van het hoogste beheerscoUege, dat heden de vijftig haalt, klopt het hart van de Kerk nog flauwer. Wat de geschiedschrijver Sepp van de synode heeft gezegd, toen hg verklaarde: „de synode — ik behoef het niet te verzwijgen — is niet populair", kan men in sterkeren vorm herhalen met het oog op het „Algemeen College van Toezicht op het beheer der kerkelgke goederen en fondsen van de Hervormde gemeenten in Nederland".
Dit gebrek aan liefde spruit geenszins voort uit verloochening van de verdiensten van het college. Integendeel, deze verdiensten zgn zeer te waardeeren. Zelfs de sterkste voorstanders van plaatselijk zelfbeheer zullen erkennen, dat een geheimzinnige en met min of meer officieus gezag bekleede instelling in de verte een bruikbaar tegenwicht kan zgn tegen de luimen van potverterende dorpsnatabelen.
Het gebrek van het college van toezicht is geen gebrek aan ijver, maar een gebrek aan macht. Toen onlangs in de provinciale kerkvergadering van Noord-Holland ter aanbeveling van het college staaltjes werden genoemd van schromelijk misbruik van ad pios usus bestemde goederen, interrumpeerde een snedig spreker: „Maar dergelgke dingen komen in aangesloten gemeenten niet voor!" En zoo is het. Het noodlot van het college is, dat de aansluiting bg deze beheersinstelling volkomen vrgstaat. Het gevolg ligt ij voor de hand. De arme, berooid en hulpeloos, kiest zich graag een patroon, die zijn zaken wil regelen en onder de hand door hem helpt met geldelgken steun en een gezaghebbende aanbeveling. Maar de rgke student, die er van vader's erfgoed lustig op los leeft en aan geen schepsel ter wereld verantwoording schuldig is, heeft geen zin, onder curateele te worden gezet. En zoo is het Algemeen College de representant van al wat in de Ned. Herv. Kerk arm is en hulpbehoevend. Het is de zielige schutsheilige van noodlgdende kerken en personen, van gemeenten, waar eigen middelen ontbreken en van de schraalste predikantstraktementen.
Zgn gouden jubileum zal een armeluisfeestdag zijn.
Er rust een erfsmet op het hoogste beheerscollege in de Ned. Herv. Kerk. Men fluistert, dat hét met de geboorte van de jubilaris niet in orde is. Zelfs durven overigens bezadigde beoordeelaars hem openlgk een onecht kind noemen. De vloek van deze schande heeft het algemeen college met de Synode gemeen. , Ook deze wordt in haar optreden belemmerd, doordat men haar op het ongelegenst moment voor de voeten kan werpen, dat zij niet het wettige kind is der Kerk, doch een buitenechtelijk creatuur van het opperste staatsgezag. Is de veelgesmade honderdjarige, het product van Koning Willem I, althans nog een koningskind; de vgftigjarige heeft zichzelf geschapen en staat door deze omstandigheid aan de schandpaal als een onnatuurlijke indringer, die in het rgk van orde en wetmatigheid geen enkele legitimatie kan doen gelden.
De regeering is weliswaar de moeder geweest van dit veelbesproken kind, doch deze moeder heeft op.het kraambed gelegen met de bedoeling, dat haar spruit na afloop van het derde jaar weer zou sterven. De instelling van het beheers-college was een „maatregel van overgang"; het koninklijk besluit van 9 Februari 1866 laat in deaen geen twijfel bestaan. Na verloop van drie jaren werd de interimaire toestand van rechtswege vervallen verklaard; maar inplaats van zich netjes te laten begraven, zette de driejarige functionaris toen als zelfstandig wezen een nieuw en veelbelovend leven in. De nieuwe toestand nam een begin met 1 October 1869, een gedenkwaardigen datum, vooral nu een halve eeuw na dato het beheersvraagstuk nog dringerder om een oplossing roept dan ooit te voren.
„Het Algemeen Collegie, " aldus schetst Reitsma in zqn Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk het ontstaan en daarmee het bestaansrecht van deze instelling, „inplaats van toen aan de kerk zgn functie af te dragen, zette zqn werkzaamheden kalm voort en maakte 21 Juli 1870, en dus op eigen autoriteit, zgn reglement op het beheer en toezicht der kerkgoederen openbaar. Omdat het daarmede de kerk en in dit opzicht het hoogste wettige kerkbestuur, de synode, terzqde liet liggen, zoo steunde deze regeling, aangeboden door een college, dat eigenlijk sedert 1869 geen recht van bestaan meer had, maar slechts op eigen initiatief bleef voorzetten, geheel op het beginsel van vrijwillig toetreden der gemeenten. Derhalve ontbrak bg al dit werk elke vaste, in rechten geldige grondslag en werd het beheer der kerkgoederen aan een verwarring prgsgegeven, die nog niet weggenomen is, maar steeds erger wordt."
Treft op dezen gedenkdag den jubilaris de blaam? Er is, — men denke nogmaals aan koning Willem I —in het kerkelgk leven vaker „onwettig" ingegrepen tot heil van de kerk. Als er van blaam sprake is, helaas, dat dan ook hier weer de slappe gestalte om den hoek komt van de Hoogeerwaarde, die, kool en geit willende sparen, kool en geit beide bederft. „De synode, " aldus Reitsma, „die zich terstond met kracht ten opzichte van dit algemeen kerkelijk belang had moeten laten gelden, betrad den weg van minzame onderhandeling." O wee, die synodale minzaamheid!
Laten we de synode niet te hard vallen ; het eert haar, die tot zij tot spreuk heeft, dat alle dingen eerlgk en met orde zullen geschieden, rekening te hebben gehouden met een rechtsvraag. Haar scrupuleuze geneigdheid moge een halfslachtigen toestand hebben bestendigd, die zich op de kerk en haar dienaren •wreekt, hot geschil over de rechtsbevoegdheid is, wil men het uitmaken alvorens te handelen, een afdoende verontschuldiging.
Men herinnert zich, wat vóór en tegen geschreven is. Namen als prof. T. Cannegieter, L. Ofiferhaus Jzn, mr. W. B. S. Boeles en mr. W. Heinekeu doemen uit het verleden op en het heden voegt er de voor de synode zoowel als voor het college van toezicht zoo omineuzen naam aan toe van mr. L. J van Apeldoorn, den pleiter voor de plaatselijke zelfstandigheid.
De synode heeft, na „uit bezorgdheid voor moeilijkheden met onwillige kerkvoogden" (Reitsma) eerst het college te hebben gesteund, herhaaldelqk pogingen gedaan om den onwettigen indringer te verdrgven. In 1874 ontwierp zij een eigen reglement, doch wegens veel tegenstand trok zg dit weer terug. Twee jaar later verzocht zg den minister van justitie om een noodwet. Eindelijk stelde zg in 1898 nogmaals een eigen reglement vast, dat het reglement van het college moest vervangen. Maar de provinciale kerkbesturen spraken er hun veto over uit. Een nieuwe poging, in 1900 ondernomen, stuitte af op de ongunst van de classicale vergaderingen; de volgende werd reeds ter synode zelf gestuit. Nogmaals, in 1905, kwamen de provinciale kerkbesturen met hun veto een hernieuwd plan verhinderen,
Toen in 1913 het ontwerp-Bruins werd erworpen, haalde de synode haar laatste concept-reglement weer te voorschijn; ondanks de voorloopige aanneming in 1914 en de gunstige classicale adviezen verloochende de synode van 1915 het werk van haar voorgangster, en zoo openbaart ook de lijdensgeschiedenis van het beheer wederom de weifelzuchtige onmacht van de synodale organisatie.
Moeten wg de vijftigjarige een lang leven toewenschen? Als kordaat plaatsvervangster van een wettig, doch impotent gezag, heeft deze onwettige ongetwijfeld verdienste. Maar daar de bemoeienis van Toezicht zich nimmer kan uitbreiden tot die gemeenten, die juist het eerst voor toezicht in aanmerking komen, blijft de algemeene wensch van de Ned. Herv. Kerk uitgaan naar een regeling van wijder strekking waarbg aan de noodlottige scheiding tusschen beheer en bestuur een eind wordt gemaakt en die op een onaantastbaren rechtsgrond berust,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's