Stichtelijke overdenking.
Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet. Openb. 21 : 6b.
Dorsten naar de gerechtigheid.
De hierboven geplaatste woorden vindt ge in de verheven teekening der laatste dingen. Aangrgpend is wat wq daar lezen over wat komen zal. Johannes ziet de ganeche menschheid gesplist in tweedeelenvóór Hem, Die op den grooten witten troon zit. Daar staan de dooden, klein en groot, en de boeken werden geopend en zij werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was. En zoo iemand niet gevonden werd, geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs. Maar ook de nameloos groote heerlijkheid der gezaligden wordt getoond; een heerlqkheid die alle beschrijving te boven gaat. Daar is de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haren man veriierd is. Daar is geen dood, geen rouw, geen gekrijt, geen moeite. Alle tranen rijn afgewischt.
De meest bittere ellende! De meest volslagen heerlijkheid! Naar deze geweldige soheiding schuift de gansche menschheid heen, in overeenstemming met des Heeren. Woord: Twee vrouwen zullen malen in den molen, de eene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. Er zullen twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, de ander zal verlaten worden.
De vraag is voor ons van de grootste beteekenis: Aan welke zijde van de scheidslijn zal ik gevonden worden? De beantwoording hangt saam met het antwoord op deze vraag: Wat heb ik door mqn zonde mq waardig gemaakt?
In die aangrqpende teekening van de laatste dingen staat nu toch ook dit troostvolle woord: „Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet" Wij worden zoo maar niet naar het beslissende einde heen gevoerd, als tot een noodlot, waar aan niet te ontkomen is. Er gaat aan vooraf de verkondiging des heile, de prediking van den weg der zaligheid.
Weet ge wie deze moedgevende woorden uitspreekt Hij, die Zich Zelf noemt: de Alfa en de Omega, het begin en het einde. Hij heeft door Zqn machtwoord de wereld in het aanzqn geroepen. Hg zal haar ook, omdat Zgn werk niet vernietigd wordt, tot heerlgkheid brengen, als er een nieuwe hemel en nieuwe aarde zal zijn waarop gerechtigheid wonen sal. Hg was het begin, Hg zal ook het einde zijn, want alles zal op de verheerlijking van 'den Maker uitloopen. De Alfa en de Omega.
Ook van de Gemeente des Heeren. Hij heeft haar verkoren ten eeuwigen leven.
Ook van elk lid dier Gemeente. Er zou niemand naar den Heere omzien, als de Heere niet naar hem omzag. Zóó is de zoude de alles overheerschende macht in den mensch geworden, dat wij zelf nooit tot het nieuwe begin komen kunnen. Maar de Heere is sterker dan de zonde. En allen die Hem vreezen bekennen het volkomen: Hg legde in mij het leven en daarom begin ik voor Hem te leven. De Heere is het begin, ook het einde. Ook alles wat tusschen in en het einde ligt. Hg is het A. B. C. van het leven des geloofs. Er zou geen sprake zijn van het dragen van ons kruis, als Hg er ons geen kracht toe geeft. Geen blijmoedigheid zal er wezen, als Hij niet bigde maakt. Geen strijd tegen de zonde zal ons leven adelen, als Hij ons niet den vijand aanwgst, ons strgdvaardig maakt, de wapenen in de handen geeft en kracht en trouw om hen te hanteeren. Wie uitsluitend van Gods genade leeft, bezit eerst recht een geloovig leven. „Altijd bij den Heere te zijn" is voor den apostel het ideaal. En hg spreekt hiermede uit dat de Heere het begin en het einde is en alles wat er tusschen ligt.
Welnu, deze Heere zet Zijn „Ik" voorop in de belofte: Ik zal den dorstige geven. En wg denken onwillekeurig aan Jesaja's woord: O, alle gg dorstigen! komt tot de wateren en gg, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wgn en melk.
Het moet ondertusschen opgemerkt dat hier niet van de dorstigen sprake is, maar van den dorstige. De Heere bemoeit Zich met ieder der Zgnen afzouderlgk. De zonde heeft in alle menschen wel een algemeenen trek, n.l. allen zgn van den Heere afgeweken, maar die algemeenheid •openbaart zich in elk hart weer in haar bijzondere boosheden en neigingen. Daarom is het van beteekenis dat de Heere aan den dorstige geeft te drinken, elk afzonderlgk Zgn lafenis biedt. Het kan voor een die zich een verlatene en vergetene waant tot veel vertroosting zgn dat er van den goeden Herder staat, dat Hij uitging om ééa verloren schaapje te zoeken. Waarlijk, de grootheid Van Hem, Die het begin en het einde van alles is, verhindert Hem niet om Zich met den enkele bezig te houden. Laat niemand meenen, dat Hg naar het gebed van een enkel nietig sterveling niet zal hooren. Al zouden er duizenden tegeligk bidden, elk moet afzonderlgk bidden; anders heeft het gebed dier duizenden geen waarde. Als er velen den lof des Heeren vermelden, moet ieder het doeU; met zgn eigen stem, met zijn eigen hart. Het individueele, het persoonlgke maakt juist de kracht uit van het Koninkrgk des Heeren.
Den dorstige sal de Heere geven uit de fontein van het water des levens voor niet. Hier is toch bedoeld de dorst naar de gerechtigheid, waarvan de Heere Jezus zegt: zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zg zullen verzadigd worden. De psalmist denkt aan het hert dat schreeuwt naar de waterstroomen. Alzoo, zegt hg, schreeuwt mgn ziel tot u, o God. Mgn ziel dorst naar God, naar den levenden God.... Toch is de psalmist niet iemand die den Heere nog niet kent. Hij mag toch God zgn rotssteen noemen en de menigvuldige verlossing zgns aangezichts. De dichter ia dus een rgk begenadigde, die van veel goedertierenheid des Heeren spreken kan. Maar hieruit blgkt dat dit met zich meebrengt een dorsten naar God. Wie veel van den Heere ontvangen heeft, verlangt des te meer naar Hem. Een heilige onvoldaanheid is het kenmerk van het ware geloofsleven. Hoe hooger het leven klimt, des te machtiger wordt de drang naar rgker leven. , Niet dat ik het gegrepen heb", zegt Paulus, „maar ik jaag er naar of ik het ook grgpen moeht, waartoe ik ook van Christus gegrepen ben". Ook Paulus was een dorstige. De vreeze Gods gaat saam met den dorst naar God.
De aanraking met het eeuwige doet het verlangen geboren worden dat alleen in het eeuwige zijn bevrediging vindt. Als Gods Woord het zonde-besef in den mensch wrocht, was daar de aanraking met Gods gerechtigheid. Voor de heiligheid des Heeren beefde de ziel. Van te voren was er geen besef van zonde en schuld. Maar nu openbaarde zich God. Door Zgn Woord, door Zijn Geest. God gaf iets van Zich Zelf te zien, maar juist daardoor werd naar het meerdere begeerd. Licht roept naar meer licht; waarheid naar meer waarheid. De mensch kan bg de ontdekking niet leven. Hg moet bedekt worden. Hij kan in de zonde-kennis geen rust hebben. Hij moet zonde-vergiffenis smaken.... Och, wg weten in het gewone leven niet wat dorst is. Maar denk aan den koortslgder; aan den woestijnreiziger, die dagen aaneen geen lafenis vond. Hg vergaat van dorst. «Mijn ziel bezwgkt van verlangen", zegt de psalmist.
Zoo blijft de Heere aan het geven. Zalig als wij niet anders willen doen dan ontvangen. De Heere openbaart Zich, geeft Zich, opdat de ziel naar Hem zal dorsten. Hij geaft Zich, om meer van Zich te geven. God geeft Zich Zelf in Zgnen Zoon. Vandaar dat een ieder, die Christus als zijn Zaligmaker kennen mag, niet anders dan in Christus wenscht gevonden te worden, niet hebbende de gerechtigheid die uit de wet is, maar de gerechtigheid die uit het geloof is.... Er blgft verlangen naar God, zoolang als Gods kind hier op aarde leeft. Hoe meer genade in hem werkzaam is, des te armer wordt hij in zich zelf, des te inniger is de zelf-aanklacht, des te lager klinkt de toon, waarin hij over zich zelf spreekt, des te meerheeft hg Jezus noodig, des te meer dorst hij naar Diens gerechtigheid. De pelgrim heeft dan het doel van zgn tocht meer voor oogen, Jerusalem, dat boven is. En het lied van Israels tempelgangers leeft in het hart:
Och, moeht ik in die heilige gebouwen, De vrye gunst, die eeuwig Hem bewoog, Zgn lieflgkheid' en schoone dienst aanschouwen.
Als aan een dorstige water gegeven wordt, ontvangt hg precies wat hg noodig heeft. Al zoudt ge hem overladen met allerlei gaven, hij zou u zeggen: wat helpt mg dit al? Daarmede wordt mgn dorst niet gelescht. Zoo weet de Heere aan een mensch precies te geven wat hg noodig heeft, tot bevrediging van zgn innig ziels verlangen. Het êene noonigel En dit is te zitten aan Jezus' voeten, om alleen van Zgn werk te leven; om dan ook te zeggen: Qode zg dank voor Zgn onuitsprekelgke gave. Want in Hem is ons geschonken wgsheidvan God, rechtvaardigheid, heiligheid en eene volkomene .verlossing.
Uit de fontein wordt door God gegeven. God blgft aan het geven. Hg geeft uit een fontein die altgd geeft. O, laat hier elke arme zondaar denken aan den rgken Christus. Zoo gewillig als een fontein haar water opstuwt, gedreven door een verborgen kracht, zoo gewillig is Christus om armen rgk te maken. De eeuwige liefde Goda is de verborgen kracht. En zooals een fontein niet slechts eiikele druppelen naar boven drgft, maar een stroom, zoo is er ook. overvloed van heil, van rechtvaardiging en verlossing tot in eeuwigheid voor allen die in Christus gelooven. Wees dan maar arm, o arm volk van God. Rgk zgt ge door Hem, Die de fontein van het water des levens is. En uit de fontein geeft God u Zijn eeuwige liefde. Hij geeft om meer van zich te geven. Steek dan het hoofd omhoog, Gg zult de eerkroon dragen. Door Hem, door Hem alleen, om 't eeuwig welbehagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's