Uit het Kerkelijk leven.
Het predikambt der toekomst.
Dr. C. B. Hylkema heeft een brochure geschreven: „Het Predikambt der toekomst". Daarin wordt als een der wegen, om uit het moeras te geraken, aanbevolen het predikambt tot op zekere hoogte (d.i. in armere en kleinere gemeenten) tot een „bij-betrekking" te maken. De Kerk staat niet meer in het midden van het cultuurleven, van het tgdsbewustzgn. De finantiëele positie van den predikant is onhoudbaar.
Daarom maar wat minder studeeren en dan trachten om er allerlei „bgbetrekkingen" bg te krggen. Dan zal het met de Kerk, die er toch zoo ellendig aan toe is, niet ellendiger gaan. En de dominé komt uit z'n ellendige positie een beetje uit.
Gelukkig is tegenover deze pessimistische en gansch verkeerde beschouwing van Dr. Hylkema reeds aanstonds allerlei protest gehoord. Neen! dét is de weg niet. Noch voor de Kerk, noch voor den predikant. Zóo gaat de Kerk heelemaal verloren en het predikambt verdwgnt.
Volgens een stuk in „de Hervorming" kroniekt Prof. H. U. Meyboom in liet Nieuw Theol. Tgdschrift (jaarg. 8 afl. 4) en heeft het dan ook over de brochure van Dr. Hylkema. Wat hij daar beweert wordt in „de Hervorming" als volgt vertolkt:
„Prof. M. beschrijft als zgn ideaal van een predikant iemand, die, na met lust en animo aan de academie te hebben gestudeerd, met een voldoende mate van kennen én kunnen z'n ambt aanvaardt. „In functie getreden dunkte het hem een ding van het hoogste belang, op den weg der studie voort te gaan, zgn talenten als kanselredenaar en catecheet te ontwikkelen en in zijn pastoralen arbeid geheel z'n hart te leggen". Dan is er, ook in een kleine gemeente, een groot genoeg arbeidsveld. „En de predikant zou terloops nog solliciteeren naar het gemeente-secretariaat of bg den dorpsgeneesheer zich aanbieden voor hulp in de apotheek? " Wat den finantiëelen nood betreft wil schr. afwachten wat „aanpakken" en de Synode zullen doen.
Maar, zwaarder dan het finantiëele bezwaar zou wegen „het geestelgk verschijnsel, dat de Kerk niet langer staat in het midden van het tgdsbewustzgn" (Dr. Hylkema), Als prof. M. echter het geheele arbeidsveld „in z'n bonte verscheidenheid" overziet, dan ziet hij het predikambt der toekomst aldus:
„Hoe ook de Kerk slinke of wasse of zich hervorme, aard en werking van het predikambt zullen steeds afhangen van het gehalte barer leden. Dat gehalte is tegenwoordig moeilgk nader te omschrgven. De tgd eener eenvoudige verdeeling in orthodox, evangelisch en modern is voorbg. Grenslijnen worden uitgewischt, over scheidsmuren worden handen gereikt. Verstand en gemoed beide laten zich gelden. Van nieuw leven getuigt dit een en ander en in zoover is het een verschgnsel dat beloften van een schoonere toekomst inhoudt. Wel verre dus van aan het predikambt als een bij betrekking een goed heenkomen te bereiden, zou ik de daarop aangelegden willen aanmanen tot verhoogde krachtsinspanning. Geen inkrimping van studiejaren, maar veeleer uitbreiding. Verplicht doctoraal . examen! Aanmoediging tot promotion! Opdat er weer een generatie van voorgangers optrede, die klinkt als een klok...." Dan de tijden die wg beleven of tegemoet gaan; „Ontevredenheid in tal van opzichten. Een algemeene honger naar het Woord des Heeren. Een afwachtend verlangen in elk opzicht. Allereerst is dus noodig een deugdelgk geschoold personeel, met prophetische gaven en bezieling".
„Uit den nood der tg den zal het vroeg of laat geboren worden", zegt Dr. Hylkema van z'n gewijzigd, met bg betrekkingen bezwaard predikambt. Tegenover dezen noodkreet van een „ongewettigd pessimisme" stelt Prof. M. het vertrouwen „dat uit de tyden van crisis, die wg doorworstelen, het godsdienstig gemeenschapsleven gelouterd en hervormd weer zal te voorschijn komen".
We zgn het in deze meer met Prof. Meyboom eens dan met Dr. Hylkema.
Ook onder öns moet dat woord worden overgenomen: „allereerst is dus noodig een deugdelijk geschoold personeel, met prophetische gaven en bezieling".
Neen geen „ongewettigd pessimisme".
Ons volksleven.
Pas hebben we cgfers meegedeeld rakende het Kerkelijk leven. En het waren in-droeve cqfers, zoowel uit het midden der Herv. Kerk-te Amsterdam, als ook uit de Geref. Kerk aldaar. Het groeit niet. Het gaat achteruit. Het gaat hard achteruit.
Nu kregen we weer een reeks van cijfers onder de oogen. Ook uit Amgter^ dam. Maar nu meer. ons volksleven rakende. Ook niet moedgevend. Integendeel. Bewijs van verval in huis en maatschappij.
Het artikel dat hierop betrekking heeft vonden we in „De Voorzorg." Daarschrgft Prof, Slotemaker de Bruijne als volgt:
Het Amsterdamsch Bureau voor de statistiek heeft een vergelijking op allerlei punten ingesteld tusschen den toestand in de hoofdstad vóór vijf en twintig jaren en dien toestand thans.
Daardoor beschikken wij over belangwekkende cgfers. Wg grijpen er een vijftal uit:
1893 1918 Inwoners 446.000 644.000 Huwelgken 3.104 5.269 Geboorten 14.632 13.681 Sterfte 8.183 10.182 Kindersterfte 2.388 947
Hieruit blijkt eerst de groote groei, die in vrigwel alle steden wordt waargenomen. Dat hg niet in ieder opzicht een vooruitgang beduidt voor het volksgeheel, is reeds meermalen opgemerkt. De trek van het land naar de stad beduidt een overgang naar minder rust en meer gejaagdheid, minder frissche lucht en meer genotgelegenheid.Tweenadeelen. Hg beduidt zeker ook meer kans op ontwikkeling, wat ongetwijfeld een voordeel is. Zoo loopen hier stofifelgke en sanitaire, geestelgke en zedelgke vragen door elkaar.
Maar het is om dat onderwerp ons thans niet te doen. Slechts twee dingen vatten wg aan met het oog op deze cijfers. Eerst iets sociaals; althans ligt het voor een belangrijk deel op sociaal gebied. De sterfte is toegenomen maar niet in dezelfde verhouding als de toename der bevolking aanwgst. Zeer ruim gezegd is de bevolking geklommen van 4 op 6, de sterfte van 4 op 5. Dus ia de sterfte afgenomen. Zeer scherp valt dat bg de kindersterfte in het oog. Zg is niet eenmaal in het cgfer vooruitgegaan, laat staan in de verhouding. Zoo alles ware gelgk gebleven in verhouding, zou het cgfer voor de kindersterfte in 1918 ruw geschat 3400 moeten zgn; het is 900. Een zeer belangrgke vooruitgang derhalve.
Velerlei sociale maatregelen zullen hier goed hebben gewerkt: woning, voedsel, geneeskundige dienst en zooveel meer. Uitnemend werk.
Maar nu de keerzijde: hoe staat het met den zedelijken kant der bevolking ?
Die' vraag is even gewichtig, omdat de waardg van den mensch niet af hangt van zgn lichaam en wgl ook zgninner-Igke rust zgn levensvreugde met den besten gezondheidstoestand niet verkregen wordt.
Wat sociaal vooruitgaat doch geestelgk of zedelijk niet, gaat niet vooruit. Deze overtuiging staat onder christenen muurvast.
Wat leeren nu de cijfers in dit opzicht? Want zij leeren iets.
Men zou allicht meenen, dat het zede-Igk peil aan onze waarneming ontsnapt, dat dit zich zeker in statistische gegevens niet vastleggen laat. Het is toch anders.
Men lette op het cgfer voor de huwelgken. Dit is geklommen meer dan het bevolkingscgfer. Al weder ruw gezegd, zou een zelfde verhouding voor 1918 niet 5200 maar 4700 huwelgken aanwijzen. Het zou iets waard wezen om te ontdekken, waaraan dit hooger cgfer is te danken. Is het alleen, omdat er meer menschen trouwen ? Of... is het óók, omdat dezelfde menschen meer trouwen, d.i. omdat het aantal echtscheidingen en nieuwe huwelgken toeneemt?
Het zou tweeërlei beduiden. Eenerzgds, dat velen door hun huwelgk diep worden teleurgesteld; wat een groot leed in zich bevat. Maar anderzijds, dat men met weinig verantwoordelgkheidsbesef den gewichtigen stap waagt, omdat men er toch wel weer af kan. Men kan 't eens probeeren Dit zou een groote zedelgke daling beduiden.
Maar hieromtrent kunnen wg slechts vragen; zekerheid geven de egfers hier niet. Dat doen zg wel op een ander punt. Men zie de geboorte-cigfers.
Terwgl het aantal huwelgken klimt van 3100 op 5200, daalt het aantal geboorten van 14000 op 13000. Bij gelgke verhouding zou het, gezien de toeneming der huwelgken voor 1918 hebben bedragen 24.540. Een val van 24 op 12. Een teruggang tot bijna de helft.
Dat kan niet alleen uit die zeer algemeene oorzaken zgn te verklaren, waardoor in bepaalde perioden altgd het geboortecijfer daalt, terwijl het rijst in andere perioden.
Hier moet gewilde en opzettelgke onvruchtbaarheid in het spel zgn.Wat een zee van zedelgken teruggang beduidt.
Het beduidt een vervorming van het huwelijksleven, die op de intieme verhoudingen neerdrukkend werken moet en het stuk vrede weer met een hoeveelheid vermindert. Het vermindering van volksenergie, omdat het beduidt, dat men een gereedliggende taak — die van kinderopvoeding — niet op zich nemen durft of kan.
Het beduidt alzoo zedelgke verslapping. Een teruggang, in egfers hier uitgedrukt, waarmede wij niet worden verzoend door den hygienischen vooruitgang, die uit de andere egfers blgkt. S.d.B.
We behoeven hieraan niet veel toe te voegen. Wat is het verval in het midden van ons volksleven groot! Wat staat het treurig in de huisgezinnen. En uit de huisgezinnen wordt de maatschappg opgebouwd.
Zoo het gezin is, zoo is het volk. Mocht ons volk toch eens oogen krggen om te zien en mocht het eens bekennen, dat de Heere God is en niemand meer, om Hem dan ook van harte te dienen en te vreezen naar Zijn Woord.
Dat zou tot zegen wezen. Maar nu zoekt men den vloek en het verderf.
Ook hier weer een nieuwe roepstem voor de Kerk, om toch te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden des volks; en een getrouwe getuige van Jezus Christus te zgn temidden van al het gebeuren in het midden van ons Vaderland.
Die God verlaat heeft smart op smart te vreezen, maar die den Heere vreest zal zegening beërven.
Gereformeerde Zendingsbond.
Woensdag 15 Oct. hield de „G.Z.B." zijn veertigste algemeene vergadering in het hotel Jans te Hilversum.
De voorzitter, dr. De Lind van Wijngaarden, opende om 10 uur de vergadering, die vrg goed bezocht was, las Rom. 8:28—39 en ging daarna voor in gebed. Ds. Beekenkamp las de notulen, welke ongewgzigd werden goedgekeurd.
De Hulpvereenigingen Bussum, Leiden, Hilversum—'s-Graveland, Veenendaal, Zeist, Utrecht, Oldebroek, Huizen en Kralingen waren vertegenwoordigd.
De uitslag der verkiezing was als volgt: Herkoien als bestuursleden ds. G. H. Beekenkamp en ds. S. van Dorp, en gekozen als bestuurslid, in de plaats van ds. J. J. van Ingen, die niet meer in aanmerking wenschtete komen, bij tweede vrge stemming ds. F. Kgftenbelt; herkozen als lid der prop. comm. ds. J. de Bruin; herkozen als mederedacteur van „A. V. V.", ds. P. V. Toorn; herkozen als leden der Regeeringscomm. ds. J. O. Klomp, en de heer P, O. van Es; gekozen als lid der redactie van „A.d.V.", G. Lans, die ook gekozen is ala bibliothecaris, in de plaats van ds. J. J. van Ingen, die had bedankt.
Als leden van de commissie tot het nazien van de rekening van den Penningmeester zgn gekozen ds. G. Enkelaar, ds G. J. Koolhaas en ds. J. H. Gunning.
Bg afwezigheid van ds. Bieshaar las ds. Klomp het verslag van den zendingsdag voor, waaruit bleek, dat het voordeelig saldo bedraagt f3057, 41.
De algem. penningmeester, deed rekening en verantwoording van zijn financieel beheer over 1918, dat in de voorjaarsvergadering niet volledig kon, omdat de laatste staten van Indië toen nog niet waren ingekomen; het voordeelig saldo is f2220, 70.
De heer Vermooten sprak over het niet plaatsen van advertenties voor den zendingsdag en vond dit een verkeerde zuinigheid.
De penningmeester wekte op tot geven met het oog op de groote kosten voor de uitzending van zendeling P. Zijlstra en het klimmen der uitgaven.
Niets meer te behandelen zijnde, sloot de voorzitter deze vergadering, waarna door ds. De Geus werd voorgegaan in dankgebed.
Klokke twaalf uur verlieten allen de vergaderzaal en begaven zg zich naar het station van de Gooische stoomtram, om naar Huizen te gaan, waar de afvaardiging en inzegening als zendeling van den heer P. Zglstra zou plaats hebben. In het Oranjeweeshuis te Huizen.
Door de welwillendheid van het Bestuur van het Oranjeweeshuis waren reeds vóór half twee zeer velen saamgekomen in een der ruime zalen van f genoemd weeshuis, die door de goede zorgen van den weesvader en de weesmoeder uitnemend was ingericht voor dit doel.
Na de pauze opende dr. De Lind van Wijngaarden als voorzitter des bestuurs, klokke half twee het plechtig samenzijn, belegd tot afvaardiging van den heer P. Zglstra, en liet zingen Ps. 68 : 10, waarna hg Psalm 23 voorlas, en daarna voorging in gebed.
Naar aanleiding van Openb. 6 sprak dr. De Lind van Wgngaarden een ernstig en passend openingswoord, wgzende op de noodzakelijkheid om den blik achterwaarts, binnenwaarts en voorwaarts te werpen, zoo voor den „G.Z.B." als voor den heer Zglstra, tot wien Z.Eerw. zich in het bijzonder richtte, alsook tot zijn echtgenoote. Na deze toespraak las de secretaris, ds. Beekenkamp, de vragen voor, waarop de heer Zglstra bevestigend antwoordde, aan wien vervolgens een bgbel werd overhandigd.
Hierna hield de afgevaardigde zendeling een toespraak, waarin uitkwam, dat reeds op jeugdigen leeftijd de begeerte om zich aan de zending te geven, was opgekomen bg hem, en dat hg overtuigd was, dat de Heer%tot hem had gesproken : „Ga henen r' Vertrouwend op dien Heere, ging hg heen, geloovend, dat de Heere hem niet beschamen zou. In zgn openingstoespraak werden met dankbaarheid herdacht: ds. J. Rauws, dr. A. M. Brouwer, dr. F. J. Fokkema, dr. N. Adriani, dr. de Lind van Wijngaarden, van wie hg onderricht had ontvangen, en ouders en familie.
Hierna voerden achtereenvolgens het woord: ds. J. Steenbeek, namens de Indische commissie; dr. N. Adriani, ds. N. van Schouwenburg namens het Class. Bestuur van Amsterdam, en de Ned. Z. v., de heer Weisz namens de broedergemeente, ds. B. N. B. Bouthoorn, zwager van een zendeling, ds, G. Lans en de heer Montenberg namens de Z. V. te Leiden.
Na het zingen van Ps. 121:4 sloot ds. J. 0. Klomp deze aangename samenkomst met dankgebed.
Na een pauze van ruim een uur vereenigden ruim 50 dames en heerenzich aan een door de zorgen van de weesmoeder in orde gebrachten maaltgd, waarvoor ieder haar alle lof toebracht. Ds. B. J. van Heijningen sprak aan tafel hartelgke woorden tot den jongen zendeling en den „G.Z.B."
Ds. H. A. Heger ging daarna voor in dankgebed, terwiijl de voorzitter met gebed had geopend.
Aan het einde deelde ds. G. H. Beekenkamp mede, dat ds. G. Lans de benoeming 'tot predikant-director van den „G. Z. B." had aangenomen, hetgeen door allen met groote ingenomenheid werd vernomen.
In dê kerk.
Om 51/2 uur was het ruime, schoone, schitterend verlichte kerkgebouw geheel gevuld.
Na het zingen van Ps. 133 : 1, begeleid door schoon orgelspel, ging dr. de Lind van Wgngaarden, die inmiddels den kansel beklommen had, voor in gebed, waarna hij een uitnemend openingswoord sprak naar aanleiding van Rom. 8 : 31b, daarin wijzend op de heerlijkheid, Gods Woord in zgn volheid te laten spreken. Onder het zingen van Ps. 89 : 7 verliet dr. de Lind van Wgngaarden den kansel en betrad de Huizer pastor loci, ds. J, H. F. Remme hem, die een schoone, gloedvol uitgesproken bevestigingsrede hield over 1 Thess. 5 : 24, en daarna tot de eigenlgke bevestiging van den heer Zglstra overging. Na het „ja, ik van ganscher harte", knielde de jeugdige zendeling neer en hief de gemeente aan Ps. 20 : 1, terwijl hem de handen werden opgelegd door ds. J. H. F. Rename, dr. D. de Lind van Wgngaarden, ds. W. Zijlstra, ds. G. H Beekenkamp en ds. J. C. Klomp.
Toen orgel en gemeente zwegen, sprak ieder hunner een tekst uit. Daarna werden den bevestigde de handen opgelegd door de predikanten P. Kuylman, A. M. den Oadsten, N. Warmolts, G. Lans, B. N. B. Bouthoorn, H. A. de Geus, H, A. Heger, M. B. Verkerk, die eveneens ieder een tekst uitspraken.
Hierna betrad ds. W. Zglstra, vader van den zendeling, den kansel, die in een hartelgke toespraak zich richtte tot de gemeente van Huizen, het bestuur van den „G. Z. B.", dr. Adriani, ds. Remme en zgn zoon, die, nadat gezongen was Ps. 105 : 24, een toepasselijke rede hield naar aanleiding van „Uw koninkgk kome!" Onder het zingen van Ps, 145 : 4 verliet de heer Zijlstra den kansel nam ds. Remme nogmaals die plaats in om met dankgebed en 't laten zingen van Ps. 72 : 11 het samenzign te doen eindigen.
Voorwaar een heerlijke dag voor den „G.Z.B." en allen, die met dien Bond medeleven. Ruste 's Heeren zegen op den arbeid van dien dag en doe Hg hem ten goede komen aan Zgn Koninkrijk!
De collecte voor den „G, Z. B." bedroeg f 194.05.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's