Stichtelijke overdenking.
Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade door de verlossing die in Christus Jezus is. Rom. 3:23 en 24.
Gelijk uit al zgne brieven blijkt 't inzonderheid uit den roerend schoonen Romeinenbrief, vooral uit ons teksthoofdstuk, dat 't den apostel Paulus vóór en boven alles te doen is om deze twee grondwaarheden op den voorgrond te stellen:
1e. 's menschen algeheele val en ellende,
2e. de volkomen verlossing en vrqe genade door Christus aangebracht, of wilt ge: een armen zondaar en een rijken Ohristus.
Allereerst teekent zijne gewgde pen ons het welgelgkend portret van den mensch. Maar o, hoe wanstaltig, hoe vreeselijk ziet het er-uit. Lees maar eens de verzen 11 tot 18, en dat 't dan maar bij Geestes licht zg met heilige ontroering, opdat 't u niet ga als dien man, ons geteekend in Jac. 2: „welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in eenen spiegel. Want hij heeft zicheelven bemerkt, en is weggegaan en heeft vergeten hoedanig hg was".
Inderdaad, wel is 't een beeld om van te schrikken, zooals de apostel hier den zondaar in al zijne afschuwelijke naaktheid en ellende voorstelt.
En om nu al die ellende te verklaren, gaat hij aldus voort: Want zg hebben allen gezondigd.
»Want", aldus de apostel. Hg wil zeggen, de reden, de oorzaak van al die ellende is deze; zij hebben allen gezondigd. De oorzaak ligt dus niet in den Heere, maar eenig en alleen in den mensch, en wel in des menschen eigen zonde, zooals die in en door ons aller stamhoofd Adam bedreven is.
Dat toch de apostel bg 't schrgven van Rom. 3 gedacht heeft aan die ont-«aggelgke geschiedenis van 's menschen val, ons beschreven in Gen. 3, is duidelgk. Hoe blgkt zulks reeds uit dat woordje: alUn. Wat 't stuk der erfzonde betreft, staan alle menschen gelgk: beide Joden en Grieken, zij allen zijn onder de zonde (vers 9), ook al beroemden de Israëlieten er zich op, dat , het voordeel van den Jood en de nuttigheid der besnijdenius veel was in alle manieren" (vers 1 en 2).
Gewis, allen hebben gezondigd: Adams val is ons aller val, dewgl wg allen reeds in zgne lendenen begrepen waren en 't zoo waar is: God heeft uit éénen bloede het gansche geslacht des menschen gemaakt (Hand. 17:26), zoodat heel dat bloed, heel dat menschengeslacht gezengd heeft.
Adam viel en wij in hem.
Ontzettende toestand I Vraagt ge toch: met welk gevolg? zoo antwoordt de apostel: „en derven de heerlgkheid Gods."
Weet ge wat hg bedoelt? 't Blijkt uit Rom. 5:2, waar hg van de gerechtvaardigden getuigt, dat zij roemen in de hope der heerlgkheid Gods. Wij hebben er dus onder te verstaan, gelgk terecht de Kantteekenaar van onze St. Vert, opmerkt: t eeuwige leven.
Eigenlijk blgkt zulks reeds uit 't woord, dat de apostel hier voor derven bezigt, een woord ontleend aan 't beeld, zoo vaak door Paulus gebruikt, n.l, van de loopbaan der Grieken en Romeinen. Daarin heette 't van zoo menig snelloopend jongeling; zij derven, dat is zij komen ten achter in den wedloop, waardoor zg kwamen te derven de verwelkelijke lauwerkroon, den prgs der overwinning. Alzoo bereiken allen, die gezondigd hebben en nu daar heen snellen op het pad der zonde, niet de hemelkroon, maar moeten missen die heerlijke kroon des eeuwigen levens, en dat, terwgl de Heere den monsch schiep om eeuwig met en nabg Hem te leven in storelooze zaligheid.
Hoe ontzaglijk niet waar, en dat door eigen schuld, door vrg-en moedwillige ongehoorgaamheid.
Ja, we moeten nog verder gaan, de waarheid is nog vreeselgker: reeds hier! aan deze zgde des grafs mist de mensch alle waar leven, ja de heerlgkheid, hem eens door Zijn Schepper geschonken en op de heerlijkheid van zijnen Gpd gelijkend. Ge begrijpt, wat we bedoelen. Door zijn zondeval mist hg 't beeld en de gelgkenisse Gods. Dat toch is niet maar onzuiverder geworden, maar verloren gegaan, gansch en al.
Wel spreekt art. 14 onzer Ger. belijdenis van „kleine overblijfselen" doch niet om daarmede te ieeren, alsof er nog iets goeds in den mensch zou zijn overgebleven, maar alleen om hem alle onschuld te benemen. Gewis, we zijn aan de verloren penning gelijk, waarop niets meer van 't beeld des keizers te zien was vanwege 't stof, dat haar geheel overdekte. Derhalve: dood in zonden en misdaden, zóo geestelgk dood en blind, dat we niets vermogen te zien van Gods heerlgkheid.
Ja, „verloren, voor eeuwig verloren", zoo moesten we vol bange vertwgfeling uitroepen, indien we bg 't licht des Heiligen Geestes in dat ontïaglgke en toch der waarheid zoo getrouwe portret, door den apostel in Rom. 3 geteekend, ons eigen beeld geteekend zagen en hg ons niets anders te brengen had, dan wat ons wordt aangezegd in vers 23: Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlgkheid Gods.
En toch, hoe ontzaglgk ook die waarheid zg: „en derven de heerlijkheid Gods", de aan zichzelf ontdekte ziele zou moeten erkennen: Heere, 't is rechtvaardig, want tegen U, U alleen, o God, heb ik gezondigd.
Maar dan ook kan de zielekreet niet worden onderdrukt: is er dan niet eenig middel om deze straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?
En ziet, nu is 't in ons tweede tekstvers, dat onze apostel, als getrouwe verkondiger van den vollen raad Gods, daarop een heerlgk afdoend antwoord geeft.
Waar hg bg ons lete tekstvers stond als op den berg Sbal, om te doen hooren 't wee, den vloek ov^-^^sn goddelooze, daar is 't ons als zien we hem bg ons 2e tekstvers staan op den Gerezim, om van hem te vernemen een woord van rgken zegen.
Daar toch spreekt hij van eene allergewichtigste zaak, heerlgk te meer, dewgl zij vooraf gegaan wordt door een gansch verpletterend woord.
Staan we er een oogenblik bij stil. Mocht 't maar zijn met een heilbegeerig harte!
Allereerst spreekt de apostel van rechtvaardiging; hg toch zegt: „en worden gerechtvaardigd." Wat hij bedoelt, weet ge: Er zgn er uit 't doemschuldig menschengeslacht, die de Heere voor rechtvaardig verklaart, dat is vrg spreekt van schuld en straf, hunne zonde, zoowel erf-als dadelgke zonde, hun niet toerekent, ja met hen handelt, alsof zij zelf alles hadden volbracht wat Zgne gerechtigheid eischt. Tevens bestaat de rechtvaardiging als vrucht dier vrgspraak, zoo merkt W. à. Brakel naar waarheid op, in het inzetten, inwijzen in 't recht ten eeuwigen leven.
Hoe heerlijk, niet waar? Zoo vermag toch nog een doemschuldige te verwerven de heerlijkheid Gods.
Vraagt ga nu: maar hoe kan dat? Zoo antwoord ik, niet met voorbijgaan van Gods recht, want 't is zoo waar:
Gerechtigheid Gods zal bestaan. Ook al zou alles en allen moeten vergaan.
In de tweede plaats antwoord ik: op zulk een liefdevolle wgze, dat de eeuwigheid voor de gerechtvaardigden niet te lang zal zijn, om daarvoor den Heere groot te maken in hun lied.
Hoort namelijk, wat de apostel ons verder zegt: „door de verlossing die in Christus Jezus is."
Ziedaar in een paar woorden ons verkondigd de groote hoofdinhoud, de kern des evangelies.
Daar is alzoo Eén machtig om te verlossen, en wel zulk Eén, van wien met recht de profeet mocht getuigen: En men noemt Zgnen Naam Wonderlijk. O, alles, alles is hier wonderlgk. Wbnderlgk reeds als we zien op den persoon des Verlossers; van allen toch, die uit vrouwen geboren zgn, is Hg de eenige, van Wien niet geldt dat ontzaglijke: allen hebben gezondigd, dewijl Hij is de eeuwige en eeniggeborene Zone Gods, ontvangen van den Heiligen Geest. Wonderlgk ook, als we letten op Hem, die dezen Verlosser zond: God, wiens heilig recht geschonden was. Zoo ook, als we 't oog slaan op hen, die Hij kwam verlossen: gansch doemwaardigen.
Wonderlgk niet 't minst als we bedenken, tegen welken prgs Hg kwam verlossen, dat is loskoopen uit de macht van Satan, hel en dood. Die toch was geen zilver of goud, maar Zgn eigen leven, Zgn hartebloed. Die losprgs was noodig, noodig voor God den heilige, maar ook genoeg, volkomen genoeg. Wat toch is het geval? De Heere rekent den Zgnen die borggerechtigheid van Christus, door Diens losprgs, dat is door Diens zoendood verworven toe, volkomen toe, zóó volkomen, alsof zg zei ven voor hunne zonden hadden betaald.
Ohristus' gerechtigheid is daardoor de hunne even zoo zeker en even gelgk, als 'Adams zonde ook de hunne was. Wilt ge het nog een weinig toegelicht. Welnu, herinner u dan wat we lezen van de beide zielsvrienden David en Jonathan: David trok aan, het kleed van Jonathan en deze wederkeerig trok zich Davids kleed aan. Hetzelfde nu geschiedt in geestelgken zin tusschen Ohristus, den Bloedbruidegom en Zijne duurgekochte bruid. Ohristus wilde dragen haar zwart kleed der zonde als 't Lam Gods, opdat Hg haar nu zou kunnen bekleeden met den mantel Zgner borggerechtigheid.
't Is juist met 't oog op wat Christus voor de Zgnen deed, dat God de Vader hen als gerechtvaardigden aanneemt en dat 't nu niet meer van hen blijft gelden: „en derven de heerlgkheid Gods."
Alles toch wat zg in den eersten Adam verloren, vinden ze in en door den tweeden en beteren Adam: Christus Jezus terug.
En dat op welken grond? Luister, hoe de apostel in dubbele bewoordingen dien grond aanwgst, door 't Gode ter verheer-Igking uit te jubelen: om niet uit Zijne genade.
En ja, zoo is 't. Heel het werk der zielezaligheid is vrge, souvereine genade.
Genade is, dat God de Heere nog uit dat diepgevallen menschengeslacht een volk verkoor. Zich ten eigendom.
Genade, dat Hg Zgn Zoon wilde zenden tot zulk een geheel eenigen Verlosser.
Genade is 't, wanneer Hg door den Heiligen Geest een zondaar komt te ontdekken aan z'n verloren toestand en aan Ohristus' onmisbaarheid.
Zoo zal 't ook enkel genade zgn, wanneer een heilzoekende ziele Ohristus komt te omhelzen in en door het geloof, en daarna bewaard wordt bg de verkregen verlossing.
Ongetwijfeld, „wie roemt, roeme in den Heere alleen."
Er is niets in den mensch, waardoor hg verlossing waardig zou zgn, er is ook niets door hem tot verlossing gedaan. Hg toch is uit en van zichzelven onmachtig, ja onwillig.
En daarom is 't zoo waar, zoo heerlgk waar, wat de apostel daar zegt; En worden om niet gerechtvaardigd uit Zgne genade door de verlossing die in Ohristus Jezus is. Dat toch is de belijdenis, jade zalige zielsbevinding van al Gods volk en kinderen.
Kan dat laatste ook van u gezegd worden? O zeker, die waarheid te belijden is ook noodig, maar, nietwaar, belijdenis is nog niet genoeg, op zielservaring komt 't ten slotte aan.
De groote vraag zal deze moeten zgn: geldt dat tweede tekstvers ook voor ons zelven ?
Ongetwgfeld, wel de ontzettende waarheid in ons eerste tekstvers uitgedrukt. Maar helaas, velen ontkenen 't, terwgl er ook menigeen is, die 't wel erkent met den mond maar niet met 't hart.
Wee, wee dezulken. Indien dit zoo blgft, is er voor, hen geen troostwoord dan dit 6êne: en derven de heerlgkheid Gods.
Heil evenwel die bekommerde zielen, die in 't droeve beeld des zondaars, door den apostel in dat Rom. 3 geteekend, zich zelf hebben herkend. Voor hen is ons tweede tekstvers vol van vertroosting.
Allereerst dit troostwoord; God rechtvaardigt. En dat juist wie? Wel, Hij is 't, die den goddelooze rechtvaardigt.
In de tweede plaats dit troostwoord: Er is Eén, die kan zeggen: „Ik ben 't, die in gerechtigheid spreek en maehtig ben om te verlossen."
In 'de derde plaats dit troostwoord: 't Is alles om niet, uit Zgne genade.
O, ware 't anders, dan juist was 't onmogelgk om zalig te worden.
't Eenige wat noodig is, is dit, als een gansch verlorene en hulpelooze te vlieden tot Dien eenigen en volkomenen Zaligmaker, pleitende op enkel genade en geen recht.
Och, dat uw beeld nog eens wierde dat van Esther, toen ze uitriep: „alzóó zal ik tot den Koning ingaan. Wanneer ik dan omkom, zóó kom ik om."
Want weet ge, wat zoo heerlgk is? Omkomen aan Jezus' voet is onmogelijk.
Dat weten zij bigde te getuigen, die in Christus zich gerechtvaardigd weten voor den Heere.
Hoe groot is hun voorrecht, maar ook hoe duur hunne roeping, om nu te roemen in 's Heeren genade, te spreken tot anderen van die vrije genade en te betoonen steeds meer door een Godewgd leven, dat ze tegen zoo duren prgs zgn gekocht en verlost.
Nog maar een korten tgd gestreden en zie, dan zullen ze de eerekroou dragen om dan zonder einde met al de verlosten den Heere groot te maken voor dat eeuwige wonder aan hen geschied, in gewis de grondtoon wel wezen zal:
Door ü, door U alleen. Om 't eeuwig weIbehagen.
Wat zal dat zalig zgnl Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's