Uit het kerkelijk leven.
Duurtebyslag predikanten e.a.
(Vervolg).
Hebben we de vorige week gehoord hoe de heeren Rutgers, de Wilde en en Staalman gesproken hebben in de vergadering van de Tweede Kamer, we geven nu het woord aan ds. mr. Schokking (Christ. Hist.):
„De heer SCHOKKING" — aldus het Kort Verslag — „brengt een woord van dank aan den Minister voor de indiening van dit wetsontwerp en voor het feit, dat hg wel gevolg heeft willen geven aan den ten vorige jare geuiten wensch, dat de bedienaren van den godsdienst, die salaris ontvangen uit de overheidskas, in het genot van duurtetoeslagen zouden Worden gesteld.
Ook wil spreker den Minister danken voor de wgze waarop daaraan uitvoering is gegeven en welke spreker, ondanks de critiek, ook die van den heer Kolthek, de meest juiste acht. Die uitvoering stemt overeen met den wensch van de Kerk zelf. Al heeft het wat lang geduurd, de wenschen zgn niet geheel beschaamd, niet geheel, omdat het bedrag lager is dan zg hadden verwacht. Er was naar sprekers meening vooral hier aanleiding voor een kindertoeslag, welk denkbeeld spreker bij den Minister aanbeveelt, als nog eens een duurtetoeslag noodzakelgk mocht worden. Een hooger bedrag ware hier zeer gewenscht geweest en daardoor zou het karakter van den duurtetoeslag niet verloren zgn gegaan. Spreker wil hierop grooten nadruk leggen, vooral naar aanleiding van hetgeen in de pers over dit wetsontwerp is geschreven en wat wg van den heer Kolthek hebbeu gehoord. Als het hier niet betrof een duurtetoeslag, maar een verhooging der tractementen, zou het ontwerp een pgnIgken indruk maken. Een verhooging van de tractementen met f 100 zou zijn een miskenning van de waarde van het ambt waarmee wg hier te doen hebben en met de behoeften van de betrokken personen, die in den regel een gezin hebben te onderhouden.
Het geldt hier derhalve enkel een duurtetoeslag. Daarom kan dan ook niet gesproken worden van onrecht tegenover
predikanten zonder Rijkstractement. Het Rgkstractement is hier de basis. De heer Rutgers nam het argument van onrecht dan ook niet voor zijn rekening.
Het rgkstractement is de begrenzing en de rechtvaardiging van dit ontwerp. Spreker heeft niet gelezen, dat de Minister de predikanten gelqk stelt met rqksambtenaren. Hiervan is geen sprake. Maar in het feit dat de predikanten en geestelijken rijkstractementen ontvangen, ligt, in verband met de vermindering van de geldswaarde, de rechtsgrond voor dezen duurtetoeslag. Spreker eou dit kunnen aantoonen met tal van begrootingsposten.
De heer Rutgers scheen van meening, dat hier het 2e lid van art. 171 Gw. werd toegepast. Spreker herinnert er alleen aan, dat de predikanten en geeste-Iqken zijn bezoldigd, volgens alinea 1 van art. 171 Gw. en anderen, die rijkstractemeut hebben, volgens de 2e alinea. Men kan hier dus niet spreken vaneen verhooging volgens die tweede alinea. Wanneer gewezen wordt op het verband tusschen alinea 1 en hetgeen vroeger is gebeurd, dan wijst spreker or op, dat er geen rechtstreeksch verband is • tusschen hetgeen voor de revolutie is geschied en de in 1814 vastgestelde vergoeding.
Elk onderzoek naar dit punt zal onvoldoende zgn, ook reeds omdat men niet meer kan aanwgzen welke die gronden waren. Moet spreker dus het rechtstreeksch verband afwqzen, dat er eenige samenhang is valt ook niet te ontkennen en naast de grondwetteliyke is er ook een moreele grondslag voor dezeuitkeering in hetgeen vroeger is gebeurd.
Spreker zal daarop echter niet nader ingaan. Het ia voldoende hier het karakter vast te stellen van den duurtetoeslag. Een heel andere quaestie is natuurlijk het al of niet uitkeeren van traktementen aan de predikanten uit 'sRqks kas. Naar het schqnt wil de Minister deze zaak weder aanhangig maken. Waar de Kerken hierbij in de eerste plaats zijn betrokken en de Minister een bespreking met de Kerken wil laten voorafgaan, is het beter om over deze zaak niet nu te spreken. Er zijn aan deze veel meer kanten dan alleen die van de financiën. De heer Rutgers heeft er straks op gewezen, dat hierbij de vrijheid der Kerken is betrokken, mcmr & r volgt geen noodzake beperking der vrijheid uit het geven van steun vAt de overheidskas aan de Kerk voor de versterking van het godsdiensti levên. Het is mogelijk, dat die vrijheid wordt beperkt daardoor, maar noodzakelijk is dit niet.
Bovendien is er naast de vriiheid der Kerk nog de vrijheid van den predikant. Hier zou spreker de vraag raken in hoeverre de Staat belang heeft bij een zodanige versterking van den goisdienstz door dienaren der Kerk, die vrij staan. Minder vrg ten plattelande dan in de groote plaatsen, dat geeft spreker toe.
De heer Kolthek wil vrgheid van godsdienst, maar bestrqdt de Kerk. Dat is het wat men zich zelf en anderen altijd tracht wijs te maken. De anderen strooit men er echter geen zand mede in de oogen. Achter de actie tegen de Kerk zit de actie tegen den godsdienst. Als gezien wordt, dat de Kerk het bolwerk is van het kapitalisme, dan bewijst dat voor den heer Kolthek niet alleen, dat hq weinig in de Kerk komt, gelijk hier wordt opgemerkt, maar dat hg weinig weet van hetgeen binnen de Kerk geschiedt. Als de Kerk meer steun had van de kapitalisten, ware de positie der predikanten niet zooals die is. Als de menschen kapitalist worden, keer en zij den regel aan de Kerk den rug toe. Ook van de historische begeerlqkheid der Kerk is geen sprake. Als het daarom ging, dan handhaaft spreker, tegenover de heeren Kolthek en anderen die steeds voor alles uit de staatskas willen putten, dat die Kerk steeds vrijwillig in allerlei nooden heeft voorzien.
Het kost geen moeite om hier op de schatkist een beroep te doen voor allerlei dingen, en dan nog een trap te geven aan de Kerken die geheel vrijwillig voorzien in de nooden van zoovelen, ook van zoovele die ongelukkig zijn geworden door de propaganda van den heer Kolthek en de zijnen. De Kerk helpt niet met groote woorden maar met daden.
Nog een enkel woord over den bijslag op de pensioenen der emeriti-predikanten. Aanvankelgk wilde de Minister daar niet aan, later is hij van standpunt veranderd en daarvoor zegt spreker hem dank. Waar zoovelen van een zeer klein rgkspensioen moeten leven en zg niet op andere wijze in hun onderhoud kunnen voorzien, hoopt spreker dat het wetsontwerp tot verhooging der pensioenen niet te lang meer zal uitblgven".
Dit woord eert den emeritus-predikant. En het maakt vrg wat beteren indruk dan hetgeen de emeritus-predikant Kruyt sprak.
Maar eerst luisteren we even naar den heer Kolthek, die zich de echte Sociaaldemocraat (s.d. en dus niet s.d.a.p.) noemt, en met den heer Kruyt doorgaans gezellig bq den heer Wgnkoop in het bankje zit.
We lezen in het Kort Verslag als volgt: „De heer KOLTHEK zegt, dat waar bq de bespreking van het wetsontwerp over het verleen en van een krediet aan Frankrijk, is opgemerkt, dat het moeilqk was om zich daartegen te verzetten, omdat het dan den schqn zou hebben van gebrek aan courtoisie jegens Frankrqk, dit ook geldt van dit ontwerp.
Spreker verzet zich daartegen niet, omdat hq den kerkelij ken dienaren de verhooging van f 100 niet gunt. Hun toestand eischt voorziening. Maar hg verzet er zich tegen, dat het langs dezen weg gebeurt en dat de Staat treedt in de plichten der kerkgenootschappen jegens hun dienaren.
Welke zijn de gronden waarop deze duurtetoeslag wordt toegekend? De Minister zegt in de Toelichting, dat er het vorig jaar om gevraagd is. Zqn overwegingen om op die vraag welwillend in te gaan, daaromtrent laat de Minister ons in het duister. Het voornemen is nu om aan 3426 dienaren der kerkgenootschappen een toeslag te geven op het deel van hun loon, dat zq uit de staatskas krijgen. Spreker gunt hun dit, maar wil weten waarom het geschiedt - — want het betreft hier ook het geld, bijgedragen door menschen, die deze 3426 menschen liever vandaag dan morgen uit hun ambt zouden zien verdwgnen.
Er moet een reden zijn. Dat de predikanten in nood zitten, is geen reden voor een douceurtje want er zijn duizenden in ons land, die het even noodig hebben, maar geen recht kunnen doen gelden.
Waar de Memorie van Toelichting ons derhalve omtrent de motieven en den rechtsgrond in het duister laat, moeten wij in de Memorie van Antwoord daarnaar zoeken, want bij het afdeelingsonderzoek zijn daarover ook door spreker vragen gesteld.
Tegen de historische kerkelijke begeerigheid, die straks bij monde van den heer Rutgers aan het woord was, die wenschte dat de bqdragen ook gegeven zouden worden aan de dienaren der Kerken, die geen band met den Staat hebben....
De heer RUTGERS : Ik heb juist het omgekeerde gezegd.
De heer KOLTHEK heeft dan den vorigen spreker in dit opzicht verkeerd verstaan. In het Toorloopig Verslag is lijke in elk geval de vraag wel gesteld om ook aan de predikanten van de Kerken, en die nu geen rgkssteun ontvangen, dezen te geven, doch dat heeft de Regeering afgewezen.
De Minister zegt letterlijk :„In het karakter van den duurte-Vtijalog ligt, zijns inziens, de grond vonr gelijkstelling — ten aanzien van het genot dezer uitkeering — van de door oo den Staat gesalarieerde bedienaren in van den godsdienst met de rgksambtenaren."
Maar wq hebben hier onlangs nog een regeling voor den duurtebijslag voor de rijksambtenaren aangenomen, later uitgebreid tot de onderwgzers. All de Minister dan een soortgelijken duurtetoeslag wil geven, dan moet hq niet k komen met een afzouderlqk wetsontwerp.
De Minister komt echter met een geheel aparte regeling.
Zijn stelling dat de kerkelqke leeraren Staatsambtenaren xijn en de vergoeding, die zg van de Overheid krqgen, traktement is, is aanvechtbaar. Spreker mengt zich niet in de kerkelqke quaestie, waarover de heer Kruyt zal spreken, doch de Minister is er niet in geslaagd de stelling, in het Voorloopig Verslag aangevochten, n te verdedigen. De Minister heeft den tekst van art. 171 Grondwet, 1ste lid, over zich, want daarin wordt gesproken van tractementen. Maar als die tractementeu volgens de Grondwet, zqn bepaald, mag men die niet verhoogen. Wel is waar zgn de bedragen niet genoemd, maar het ia gefixeerd op het door de bedienaren van den godsdienst genoten wordende tractement.
De heer DE VRIES, Minister van Financiën: Dan moet u het tweede lid lezen.
De heer KOLTHEK heeft dit gedaan, maar meent dat de Minister enkel spreekt op grond van het eerste lid. Als de Minister nu spreekt van tractementen en van gelijk recht op duurtetoeslag als voor de rgksambtenaren, dan begrgpt spreker niet waarom de Minister zich verzet tegen verhooging van die tractementen. Dan is toch een duurtetoeslag een zeer weinig zeggend middel, waar wq niet staan voor een tijdelqke duurte, maar voor een blqvenden toestand. De Minister moet dus komen met een voorstel tot tractementsverhooging, maar daartegen verzet de Minister zich.
In de Memorie van Antwoord zegt bq immers:
„Geheel in tegengestelde richting zou hig zich bewegen, wanneer hij, zooals sommige leden gaarne zouden zien, het daarheen zou trachten te leiden, dat de Rgkstractementen van kerkleeraren algemeen werden verhoogd. Medewerking tot de indiening van een hiertoe strekkend voorstel kan dan ook niet van hem worden verwacht".
Spreker vindt daarin tegenspraak. Zyn het tractementen die die leeraren geniet uit 's Rijks kas, dan moeten wij aansturen op verhooging daarvan. Waarom wil de Minister dat niet? Hij wil de verplichting afkoopen omdat hq is voorstander van de scheiding van Kerk en Staat. Zoolang wij die nog niet hebben, blgft het karakter van het tractement en moet de Mmister dus een voorstel doen tot verhooging der tractementen. Dat is ech in het systeem onlogisch. Krqgen wq daarentegen een duurtetoeslag dan moet die geregeld zijn als voor de rijksambtenaren.
De Minister geeft verschillende bezwaren hiertegen. Er wordt geen rekening gehouden met het maximum-salaris of het aantal kinderen. Waarschijnlqk, lezen we, heeft het geen practisch resultaat om dit alles te onderzoeken.
Als een Kamerlid komt met waarschijnlqkheden, bq gebrek aan juiste gegevens, wordt hij niet au serieux genomen. Spreker wil dergelijke argumenten dan ook niet van de regeeringstafel aanvaarden.
Behalve deze formeele bezwaren heeft sprekers partij het prindpieele butwaar, dat zij voorstandster is van de volledige scheiding van Kérk en Staat. De Staat heeft met de Kerk nlets temaken. Bovendien staat de Kerk, als bolwerk, in dienst van den kapitalistischen Staat. De godsdienst moet vrq zijn; de Kerk bestrijden wij als één der bolwerken vanhet kapitalism De Kerk moet niet bestendigd worden.
Met sprekers goedkeuring zal geen een uit de staatskas beschikbaar worden gesteld voor de Kerk".
We kunnen ons indenken, dat ds. Schokking na zoo'n hatelijke en dwaze redeneering er toe kwam om dat heer eens even onder handen te nemen, bizonder over dat „geen cent voor de Kerk" en die andere tirade „de Kerk is het bolwerk van het kapitalisme."
Maar menschen als Kolthek en Kruyt storen zich niet veel aan afstraffingen.
Nadat ds. mr. Schokking gesproken had vroeg de s.d.a.p.-er SCHAPER het woord. Het „Kort Verslag" meldt daarvan:
„De heer Schaper heeft niet de bedoeling om over deze quaestie een grooten boom op te zetten, al zou hq lust hebben om in te gaan op het betoog der heeren Kolthek en Schokking. Waar de eerste gezegd heeft, dat de Kerk het bolwerk is van het kapitalisme, moet spreker dat ontkennen. Spreker behoeft maar te wijzen op het aantal predikanten die tot de Sociaal-democratische partq zijn overgegaan en waarvan wq éen exemplaar in ons midden hebben, die ook, voor hij lid der Kamer was, zich op politiek gebied nog al heeft kunnen weren en daarvan een ruim —-spreker zegt niet een goed '— gebruik heeft gemaakt."
De Voorzitter verzoekt een medelid niet te qualificeeren gelqk de heer Schaper deed.
De heer SCHAPER zegt geen kwaad van hem. Hq wil wel zeggen, dat het merkwaardig is, dat de heer Kruyt daar nog zit, als men weet, dat hg jarenlang dienst heeft gedaan voor f 1000 per jaar. Men moet dan vragen: hoe ziet hij er nog zoo goed uit?
Evenzeer vereet hq zi«h tegen de bewering van den heer Schokking, dat godsdienst en Kerk éen zqn.
De heer Schokking: Dat heb ik niet gezegd.
De heer SCHAPER: Het had er toch veel van. U hebt gezegd, dat men de Kerk bestrijdende, ook den godsdienst bestrgdt. Kerk en godsdienst hebben weinig met elkander te maken. Het is de vraag of zij iets met elkander te maken hebben. In beginsel!
Spreker was zeer geneigd om aan die predikanten die f 100 te geven, die zij zoozeer noodig hebben. Hq heeft zich lang beraden wat hij zou moeten doen. Wat het beginsel betreft, moeten we niet vergeten, dat Kerk en Staat moeten gescheiden worden. Daarvoor gaan steeds meer stemmen op. En spreker brengt hulde aan het standpunt van den heer Rutgers, die tegen dit ontwerp zou stemmen als het bqdragen bracht voor de Gereformeerde predikanten.
Deze zaak moet op den duur afgereekend worden als er tenminste iets te rekenen valt. Als daarin bq Grondwetsherziening moei worden voorzien, dan rijst bij spreker de vraag of dit vraagstuk ook niet in de aanstaande Grondwetsherziening moet worden betrokken.
De vrees komt bij spreker echter op, dat als wq nu die f 100 geven, de band nog wordt versterkt. Wanneer zal dat bedrag van f 100 weer worden teruggenomen? De duurte zal voorloopig blqvend zqn en nu kan het wel zijn, dat bq de afrekening ook deze f 100 zullen worden verdisconteerd.
Daarom aarzelt spreker of hij in beginsel zqn stem aan het ontwerp kan geven.
Het is eigenlqk een schande, dat een dergelqk wetsontwerp noodig is. Er zgn rijke Kerken en anders rqke lidmaten, die best kunnen zorgen, dat d« predikanten beter worden bezoldigd. Enkele doen het. Spreker wqst b.v. op hetgeen de classis-Suoek geschiedt en wat is medegedeeld en in het Weekblad der Nederlandsch Hervormde Kerk. Het is ook hi w»8r als met andere gevallen, waarin men voor geestelijken arbeid weinig waardeering heeft. In een der dorpen waar de verhooging van het tractement van den predikant aan de orde kwam, zei een der boertjes met een bqbel tekst, dat men er voor zorgen moest, dat de predikanten ter niet te vet worden.
Men protesteert tegen deze uitdrukking, maar met bq belteksten kan men dit heel mooi zeggen.
De dominé zei zeer handig, dat de kruidenier dan óok niet te vet moest worden.
Wat doen we nu? Allemaal f 100 wordt er gezegd. Iemand met f300 inkomen per jaar krijgt f 100 eu iemand met f 10.000 krijgt ze ook; koopt er misschien een Sint Nicolaas cadeau voor voor zijn kinderen. Dezerzijds is gevraagd of men eerst onderzoeken wilde wat de Kerk zelve kon doen. Er zijn rijke gemeenten, die niets doen. Ds boeren hebben het voor hun zaligheid en stichting blijkbaar niet over.
In beginsel zgn spreker en de zijnen dus er tegen, doch óok ter wille van de ractische uitwerking kunnen zg hun stem niet aan het ontwerp geven."
Voor variatie en tegelijk om de stem van alle partijen te hooren, nemen we vervolgens over wat mr. Oud gezegd heeft. e. Het Kort Verslag geeft dit:
De heer OUD zal niet diep ingaan op het t gesprokene. Hij meent wel dat de Minister gelijk heeft, wanneer hij zegt da de traktementen worden verleend op g van de historische vergoeding en dat, w de geldswaarde is achteruitgegaan, er reden i» voor een duurtebijslag op dez gelijk op andere traktementen.
Spreker gelooft, dat dit standpunt van den Minister volkomen juist is en hij onderschrijft dit gaarne.
Een tweede punt waarop de aandacht moet worden gevestigd is, dat in tal van redikantsgezinnen bittere nood heersch Spreker wijst op een advertentie, voorkomende in L'Union fraternelle. In di weekblad wordt een oproeping gedaan ten bate van een predikantsgezin, dat in bittere omstandigheden verkeert en waarvoor al dadelijk een bedrag van f 1000 noodig was om uit de schulden te komen.
Spreker heeft intusschen eenige bezwaren ' tegen de wijze waarop deze duu bijslag is geregeld. Feitelijk moet sprek grief gaan tegen de Synodale Commissie der Hervormde Kerk, die déze regeling in overweging heeft gegeven. Het uitgetrokken bedrag zou veel meer nuttig effect kunnen hebben als het geld beter werd verdeeld. De betrokken predikanten zijn er dan ook geenszins mee tevreden, hoewel dit in de Memorie van Toelichting wordt gezegd. Althans de predikanten der Ned. Herv. Kerk zqn niet tevreden over de regeling. Hoe zijn de traktementen der predikanten geregeld? Zij hebben in de eerste plaats een Èijkairaktement, het laagste is ƒ6, het hoogtie is ƒ2280, dat in Den Haag wor betaald. Nu heeft een predikant naast dit Rijkstraktement ook een gemeentetraktement, maar dat is niet in alle gemeenten het geval.
Dat gemeentetraktement verschilt zeer. Er zijn gemeenten met hooge gemeente Igke traktementen en lage Rgkstrakte menten en omgekeerd, De rgke gemeenten zijn die met pastoralia; de predikanten die daarvan genieten zgn door de veel hooger pachten die de lander gen opbrengen vooruitgegaan. Spreker geeft enkele voorbeelden met cijfers. Het hoogste traktement dat genoten wordt van den predikant te Hoornsterzwaag, n van f 10.000. Het is dus geen goede regeling om aan deze menschen duurtetoeslag te geven, dat men niet geeft aan mbtenaren met meer dan f6000 traktement. Er zgn predikanten met in het geheel f1200 inkomen, b.v. die te Akersloot, die ook maar f 100 toeslag krijgen.
Spreker wijst er den Minister op, dat de Kamer hem - bij deze een krediet eeft, niet een stelsel voteert. Waarom geen regeling volgens het Rijkstraktement ? Men krqgt dan een hoogen bijlage daar, waar dat traktement hoog is en dus het gemeentelijk traktement laag. De Minister volgt dat systeem bq de pensioenen ook. Die worden bepaald op en grondslag van het Rijkstraktement, met een minimum van f 600 en een maximum van f2000. Het is hier ook aangewezen: een percentage, met een inimum en een maximum, met een grens.
De Minister noemt het zoo moeilijk m de tractementen der predikanten te eeren kennen, maar die heeren hebben och geen vrgstelling van aanslag in de Rijksinkomstenbelasting ? Van iederen predikant heeft de Minister toch een aanslag in de Rijksinkomstenbelasting?
Ten slotte wil spreker nog een vraag stellen. De Minister heeft uitgetrokken voor iederen predikant, die Rgkstraktement geniet, f 100 duurtetoeslag. Nu zgn er in de Nederl. Hervormde Kerk 1628 redikanten, maar er zijn 173 vacatures aarvoor is de duurtetoeslag ook uitgetrokken; maar wat gebeurt er met dat geld ? krqgen de ringen dat ? Beter zou spreker -het vinden, dat te verdeelen onder de minst bedeelden".
De heer OUD die vóór stemde was dus tegen de wijze waarop hel geld over de predikanten verdeeld wordt. Er zijn predikanten met f 10, 000 inkomen en er zijn er met f 1200. Moeten nu die „rijke" dominé's ook f 100 duurtetoeslag hebben, waar de landerijen zooveel meet opbrengen dan vóór den oorlog? Maat omgekeerd is f 4000 in den Haag zooveel meer dan f 8000 op de Veluwe? En waar een hoog rqkstractement is, die soms de gemeentelijke toelage niet onbelangrijk, terwijl bq een laag rqkstractement niet altijd een hooge plaatselijke salariëering is. Daarom blqft een andere regeling dan de Minister voorstelt ook weer aan zooveel moeilijkheden onderworpen.
Wij vermoeden dat daarom dan ook de Synodale Commissie tot dit haar advies is gekomen en de Kamer ook daarom de methode van den minister niet afkeurde.
Luisteren we nu een oogenblik naar den emeritus-predikant ds. Kruyt, chrigten-socialist zijnde.
Het Kort Verslag geeft ons dit te lezen:
De heer KRUYT heeft tegen dit wetsontwerp principieele en practische bezwaren. Het eigenaardige van dit ontwerp is, dat het principieele en het practische door elkander loopen. Het groote principieele is, dal de scheiding van Kerk tn Staat door deze regeling ernstig gevaar loo Spreker kan zich hiervoor beroepen op de Memorie van Antwoord, waarin wordt t gezegd, dat het denkbeeld van scheiding rond van Kerk en Staat, onder voor beide aar partijen billgke voorwaarden, gezette overweging verdient en dat het 's Ministers e, plan is om de kerkelijke besturen voor te stellen, dat punt met hen te bespreken.
De Minister is in deze dus sprekers geestverwant in zoover hij den laatatm band tusschen Kerk en Staat, dat is de financiëele wil doorsnijden.
Als dit een overeenkomst is met den t. Minister, dan is er ook een klein verschil. Spreker acht de scheiding urgent, t de Minister staat er platonisch tegenover.
De Minister geeft terstond f 100 duurtetoeslag en wil dan met de Kerken gaan spreken. Gaan de besprekingen vlot en komt de scheiding, wat dan nog? Dan krijgt men in de Kerk nog niet den gewenschten toestand. De wetgevende machine hier werkt nog bliksemsnel tegenover die van de Kerk.
De Minister moest niet onmiddellijk f 100 geven, maar dadelgk de kerkelijke besturen bijeenroepen. Men heeft niet altiyd zulk een goed moment voor het opruimen van een misstand. Als men dit ontwerp aanneemt, dan komt ei vooreerst niets van. Verwerpt men dit ontwerp, dan zal de Minister eens zien hoe snel de kerkelijke besturen te mobiiseeren zijn.
Met genoegen hoorde spreker van grondwetsherziening in alzienbaren tgd, Hg vraagt een ernstig begin met deze zaak. Wat de Minister zich voorstelt, geeft daarvoor geen waarborg.
Dat is sprekers hoofdbezwaar tegen dit ontwerp. Hij geeft daarmede een raad die in het voordeel is van beide partqen,
Dit wil volstrekt niet zeggen, datspr. den betrokken personen iets misgunt, doch hij ziet er in, dat een geweldige - crisis voor de Kerk op de lange baan - wordt geschoven. Hoe verward de toestand is, daarvan kan men zich als leek geen voorstelling maken. Wat de heer Oud heeft medegedeeld, is nog maar een deel. Voor de Kerk is de gelijkenis van toepassing juist in de Kerk, dat de een rijk gekleed en rqk gevoed en overdadig leven dat kan en dat de ander als een bedelaar aan de deur blijft staan. De Minister maakt door zijn wetsontwerp, dat ook een andere gelijkenis toepasselijk wordt, nl., wat baat het of men een nieuwen lap gaat zetten op een oud kleed, want het een zal het ander bederven.
Ook hetgeen de heer Oud heeft gezegd, is voor spreker een prikkel zich tegen het ontwerp te verzetten. De Synodale Commissie heeft zich van deze zaak gemakkelijk afgemaakt en den ouden toestand bestendigd. De kerkelqke organen echter moeten juist de misstanden uit den weg ruimen.
Spreker onderschrqft volkomen hetgeen de heer Rutgers heeft gezegd, n.l. dat het wetsontwerp is een aanklacht tegen de Kerken, zelf, maar men moet daarbij billijk zijn.
Want een lichaam als de Nederd. Herv. Kerk, al gevoelt dit nog zoo de aanklasht s. van den heer Rutgers, kan toch geen verbetering brengen, want er zqn weer autonome kerkvoogdyen. Er moet een groo opruiming worden gehouden. De Minister moet de kans op verbetering niet bederven door als een St. Nicolaas te gaan lag strooien.
Spreker wil ook niet vooruitloopen op een bespreking met de Kerken, evenmin als de heer Schokking. Maar de Minister loopt er op vooruit door het geven van f 100.
Dat de Kerk ie een bolwerk van kapitalisme is, is geen woord te veel. De Kerk is toch in wezen kapitalistisch; zq trekt haar geld uit rente, zelfs uit woeker, want het hangt van de hoogte van de rent af
wat woeker is, en wie zal zeggen hoe hoog die mag zijn.
Spreker zegt dit als emeritus-predikant en heeft het in zgn kerk gezegd even vrq als hij hier wgst op de euvelen van den kapitalistischen staat, omdat hg ook als predikant vrq is geweest om te wqzen op de euvelen van de Kerk".
{Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's