Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN.
De jongelui trokken dan samen naar „De Polen, " en daar scheidden ze.
Drie dagen na hun bezoek was Mina 's morgens nog zóó goed, dat niemand vooreerst aan een spoedig verscheiden geloofde, zelfs haar vader niet, toen ze hem zoo pas nog had gezegd, dat deze dag haar laatste zou zgn. Want opzittend in haar bed, schonk ze zelf nog melk uit haar kannetje in den drinkbeker en dronk het uit.
Om vier uur 's namiddags verzocht ze aan moeder, vader en Willem te roepen, en toen alle drie voor haar bed stonden, sei ze:
„Nu is 't mign tgd, nu zal ik altgd bg Hem zgn."
Ze vermaande Willem, om den Heere na te wandelen, en troostte haar ouders, en Willem ook, met het eeuwig wedersieu en samenleven in de volle gemeen schap met den Heere Jezus Christus. Dan gaf ze alle drie de hand ten afscheid, en — zij vouwde de handen, sloot de oogen, boog het hoofd.....
Zij had haar laatste woord gesproken. De knecht werd haastig om den dokter gezonden — dit toch was geen sterven I — en toen deze kwam, vond hg haar — gestorven.
Doch de ouders beseften daarvan nog niets. Mina toch lag op haar bed, en ze leefde met Jezus, zooals ze nu al dagen met Hem had geleefd. Wat was er dan nu veranderd?
's Avonds kreeg Ombra de tijding van 't overlgden, en met een glimlach, vermengd met iets als jaloerschheid, zei ze: „Wel, wel! is Mien nu al thuis."
Ombra zag nu haar leven, als een reis naar huis, een reis aan 't einde waarvan ze altgd bg haar Jezus zou zgn. 't Zou een lange, lange weg zgn door donkerten en schaduwen, zelfs al vond ze langs dien weg allerlei aardsche geneugten, want het was de weg naar huis, en nergens dus op dien weg zou ze thuis zgn. Overal en altgd zou ze zich voelen een zwerveling, reizend van oord tot oord, om nergens te verblgven, en nergens ooit weer terug te keeren; altgd zich vreemdelinge wetend, uitziend naar den torenspits van haar eeuwige woning, nooit missend het heimwee naar den Eenen, wiens liefde eeuwige liefde is.
Voorzeker kende ze langs den weg van schaduwen en donkerten de lichtflikkeringen van den eeuwigen glans, de geestelgke gemeenschap met haar Jezus, en hoe heerlgk dat ook was, en hoe 't ook haar verkwikte, 't waren toch maar spranken van het licht, droppels uit den Oceaan der eeuwig levende volle liefde, waarnaar haar groote ziel met brandend begeeren smachtte. Jezus zelf, in zijn volle hemelsche heerlgkheid, moest ze hebben, bezitten, niet slechts bg stonden, maar stoorloos; en ze moest Hem hebben niet maar in en met haar geest, maar als in haar handen, rustend aan Zgn Goddelgken boezem, met haar oogen Hem altgd ziende in zijn hemelsche majesteit, met haar ooren altgd hoorend de liefdevolle macht Zijner wondere woorden.
Zij geheel moest hebben Jezus geheel. Aan minder dacht ze niet. En omdat alles op weg huiswaarts slechts ten deele zou zgn, zou 't hunkeren en smachten blijven tot den laatsten tred.
Maar dit pad móést ze afleggen, dit pad, gebaand door God zelf, en ze zou er moeten ontmoeten, wat Hg er beschikte, en 't zou alles haar ten goede zijn. En zoo ging ze, met een hoopvollen blik in 't eeuwige en een open oog voor 't tgdeIgke de toekomst tegemoet, zich gevend aan de leidende hand haars Gods.
Wat had ze Wgnand lief! Wat was hij voor haar een goede, trouwe jongen! Zij leefden één zieleleven, doch zg sprak haar innerlgk ervaren uit, en hg hield het zijne gedoken, om 't beter te kunnen bezien en er bij 't licht der Schrift wijsheid uit te garen. Daarom had hg altgd nog licht, als haar lampje scheen uit te gaan; en bg zijn licht hervond ze zoo vaak, wat ze meende verloren te hebben.
Over trouwen hadden ze nog niets bepaalds gesproken, en dat zouden ze nog wel een tgdje zoo gelaten hebben; doeh God zelf scheen nu, door de omstandigheden, daarover tot hem te spreken. Wijnands oude baas te Termole was vrij onverwacht gestorven, en de weduwe wilde nu liefst van de zaak afzgn. Kinderen bezat ze niet, en daarom had ze gedacht aan Wgnand, en hem per brief verzocht, spoedig eens bg haar te komen. Hg was er nog dezelfde week heengegaan, had den voorslag van de vrouw met blijdschap aangehoord, en — aangenomen op voorwaarde, dat Ombra er ook genoegen mee nam.
Er was echter heel wat meer geld noodig dan waarover ze met hun beiden te beschikken hadden; op eenige hulp van haar vader te rekenen, zou dwaasheid geweest zijn.
„Weet je wat, Wgnand Ik zal er eens met oom en tante over spreken; goeden raad krijg ik er zeker."
Hg vond dat goed, en ze hadden zooveel hoop op genoegzame hulp vanhier of daar, dat ze nu niet maar van trouwen spraken, doch er tamelgk vast op rekenden.
Ombra ging dus eens naar oom en taate, om er over 't nieuws te spreken.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's