De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid des geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid des geloofs.

9 minuten leestijd

I.

Vele vragen houden de kinderen van onzen tijd bezig. Vragen van allerlei aard dringen zich op, stormen op ons aan; gg kunt er niet aan ontkomen; wg zoeken niet de vragen, maar de vragen zoeken ons op.

Het leven zelf legt ze ons voor den voet; er niet op letten zou zgn er over struikelen; geen aandacht eraan schenken zou beteekenen, erover vallen.

„Wat zullen wij eten, , en wat zullen wij drinken, en waarmede zullen wg ons kleeden? " De dingen van het dagelgksch leven worden voor velen een pijnlgk vraagstuk.

En waar het niet is de vraag om aan het noodigste te komen voor het levensonderhoud, is het de vraag om meer levens-genot, naar verstrooiing en weelde, die het hart vervult en de gedachten bezighoudt.

Heel het leven van onzen tgd vertoont in de practgk een materialistischen trek. En ook de Gemeente Gods ontkomt niet aan den invloed daarvan.

Haar leven verliest aan diepgang en rgkdom. Misschien — is het wel zoo heel zeker? — dat zg de roeping gevoelt, en eraan tracht te beantwoorden, de moeilgke en ingewikkelde vraagstukken, waarvoor onze tijd haar plaatst, te zien bg het licht van het Woord haars Gods, dat zg ze tracht op te lossen volgens de beginselen van Zijn getuigenis.

Maar zelfs als men van haar zou mogen verklaren, dat zij haar taak in en voor deze wereld verstaat, is het toch nog te vreezen, dat het leven der gemeente des Heeren verliest in de diepte, wat het wellicht wint in de breedte.

De actie, de volheid en onrust, de jacht van het leven laten ook daar, waar toch nog wel eerbied is voor het woord des Heeren en de vreeze Gods nog woont, de diepere vragen haast niet aan het woord komen. Velen big ven aan de oppervlakte van het geestelijk leven, en leiden ook geestelgk een vlot en gemakkelijk bestaan.

Toch is er geen meer aangelegen vraag dan die naar onzen staat voor God; dan de vraag, of een menschenkind, als hij voor het aangezicht Gods aal verschgnen, een Toevlucht en Voorspraak heeft, bij Wien hij schuilen kan, en die hem dekt met Zijne gerechtigheid.

Wanneer de Heilige Geest aan het hart werken gaat, en deze vraag doet opstaan in de ziel, zou er dan wel rust komen, «er het antwoord is gevonden, en een kind van God zeggen mag: „ik weet, mijn Verlosser leeft"?

Ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere", hg heeft een genade ontvangen, waardoor hij van het eeuwige leven verzekerd is, en roemen mag in het eeuwig welbehagen Gods, dat zich over hem heeft ontfermd.

Zekerheid te hebben van te deelen in de vrge gunst Gods, verzekerd te zijn van zgne zaligheid, en te roemen in de hoop der heerlgkheid, is er wel grooter goed denkbaar voor een verloren en schuldig zondaar?

De vraag naar deze zekerheid, houdt zij in de gemeente des Heeren nog wel vele zielen bezig? Of wiegelen velen zich in een bedriegelijke rust, zoodat men hun zou moeten toeroepen: „wee den gerusten te Zion, en den zekeren op den berg Samaria"!

Zg vreezen geen kwaad, omdat zij aan zichzelven nog niet ontdekt, en aan zichzelf nog niet ontvallen zgn. Zij hebben de waarheid Gods gehoord en stemmen haar misschien grif toe; maar verstaan hebben zg haar nog nimmer. Met God hebben zg nog niet te doen gehad.

En de zekerheid, waarmede zij zich vleien, is niet de zekerheid des geloofs. Het is een bedriegelgke, doods-gevaar-Igke rust!

Daarentegen, wanneer de vraag iemand op de ziel wordt gebonden: hoe sta ik voor den heiligen God? en de vraag naar de zekerheid der zaligheid een onontwgkbare, een nijpende levens-vraag is geworden, hoe zal dan het antwoord worden gevonden?

Het staat niet vast, dat het antwoord altijd op de rechte wgze wordt gezocht, en als een opgeschrikte, verontruste ziel het meent te hebben verkregen, dat hg het reehte antwoord heeft gevonden.

Het mag daarom niet overbodig heeten, de zeer aangelegen vraag naar de zekerheid des geloofs nog eens opzettelijk aan de orde te stellen.

Welke plaats bekleedt de zekerheid des geloofs in de orde des heils; op welken weg wordt zg gevonden; wat zgn haar kenmerken en haar vruchten ?

Ziedaar eenige vragen, die nog wel van belang zgn in kringen, waar eerbied leeft voor het Woord des Heeren, waar men zgn leven richt, althans begeert te richten, naar het uitwgzen van dat Woord. De zekerheid des geloofs is een bn uitstek persoonlijke zaak. Zg is iets, dat door den Heiligen Geest geschonken wordt aan het persoonlgk bewustzgn van de geloovigen, die iets leeren verstaan van het geloofs-vertrouwen van een Paulus, die zijn „ik ben verzekerd." durft te laten hooren, van een David die roemt „De Heere is m^n Herder, mg zal niets ontbreken", van een Jakob, die stervende zeide „op uw heil wacht ik, o Heere".

De toeeigening van de beloften, die in Christus Jezus waarachtig en getrouw zijn, is óok strikt persoonlgk, dat een ander mensch u de verzekerdheid niet kan geven. Aan de verzekerdheid en den geloofs-roem van een bevestigd broeder of zuster heeft hg riets, die zelf bezig is met deze zaak, die de beloften wel kent, maar niet zeggen durft, dat zij voor hèm zijn.

Het is als in de gelgkenis van de wgze en dwaze maagden: de dwaze liepen, toen de bruidegom kwam, tot de wgze, die olie voor hun lampen hadden meegenomen, en vraagden: geef ons van uwe olie, want onze lampen gaan uit. Maar tevergeefs, Zg konden daarvan niet mee-geven.

Van eens anders geloof kan ik niet leven, met eens anders geloof niet voor God bestaan.

Alleen wanneer ik persoonlgk deel heb aan Christus on al Zijne weldaden, heb ik eene toevlucht, slechts dan, wanneer ik Hem ben ingeplant en een levend lidmaat van 2gn lichaam, is er voor mij behoudenis van het verderf.

En alleen wanneer ik door de werking van den H. Geest de gewisheid heb, dat al het heil, in Christus bereid voor Gods verkorenen, ook mgn persoonlijk deel is, kan ik iets vatten van dien vrede, die alle verstand te boven gaat.

De zekerheid des geloofs is, als alle zekerheid, de geheimenis van het persoonlijk leven, en wel van den wedergeborene en geloovige.

Daardoor juist is in het Protestantisme de vraag naar do heilsverzekerdheid op een eigen wijze aan de orde gekomen, en heeft zij een andere beantwoording gevonden dan de Roomsch-Katholieke Kerk gaf.

En in dat bij uitstek persoonlijk karakter dezer verzekerdheid kan er een reden te meer liggen, de vraag, die ons bezighoudt, juist in onzen tgd opnieuw aan te roeren,

In onze dagen is er een sterke aandacht voor het sociale. Door de samenwerking van een menigte van invloeden, die wij niet trachten zullen ook maar op te noemen, is in zeer breede kringen onze aandacht wakker geroepen voor de behoeften, de eischen, de nooden der gemeenschap. Men spreekt van en roept voor sociale rechtvaardigheid, sociale ontroering en wat dies meer zij.

Het heeft, als men de leuzen hoort, die worden aangeheven, er alles van, alsof de gemeenschap het één en het al is. Wanneer het al werd in toepassing gebracht en alles werkelgkheid werd, wat men aanprgst en eischt, wg zouden welhaast den hemel op aarde hebben, zoo meent menigeen.

Doch daar is in dit op den voorgrond stellen van do gemeenschap vaak een sterke overdrgving. Het is alsof de individu er niet meer is met zgn behoeften en eischen en rechten.

En wat zien wij nu, klaarder dan ooit, in onze dagen ?

Dat sterker dan misschien ooit te voren de enkele mensch tracht te leven ten koste van de gemeenschap; zichzelf met zijn persoonlijke belangen tracht te handhaven, zgn eigen persoonlijk bestaan tot maatstaf en uitgangspunt maakt van al zgn zinnen en streven.

Er is wel aaneensluiting, wel samenbinding; doch van groepen, die gelgke belangen hebben en eenzelfde doel najagen. Daarbg gaat het in den regel niet om de belangen der gemeenschap, maar van een bepaalde groep.

Van oog voor het waarachtig belang, dat van het geheel, is geen sprake. Er is wel „solidariteit", aaneensluiting met het oog op de belangen van een grootere of kleinere groep; maar de waarachtige samenbinding, de band der liefde is er niet. Aaneensluiting vormt nog geen gemeenschap.

En ook in het krachtigst verband, bg een numeriek zeer sterke groep, kan het zeer wel te doen zgn om de persoonlijke belangen van ieder afzonderlijk.

Zoo zien wg de vraag naar de verhouding van individu en gemeenschap worden tot een pgnlgk probleem. Dat er voor de gemeenschap zoo hard wordt geroepen, is allerminst een waarborg, dat de gemeenschap metterdaad wordt gediend, en niet het individu eigen belangen en oogmerken Iaat vooropgaan en uitsluitend najaagt.

Dat geeft een strgd en ontbinding, een verbrokkeling en verbittering te zien, die met huivering vervult.

Er is een wan-verhouding tusschen gemeenschap en individu, die door leuzen niet wordt weggenomen, en door het roepen voor de gemeenschap niet hersteld.

De vracht is naai den aard van den boom. De gerijpte vrucht is als de diepste wortel.

De rijpe vrucht zal wellicht zijn een ontwrichting en ontreddering, die ontstellend is; een anarchie, waarin met de belangen der gemeenschap in het geheel geen rekening meer wordt gehouden, maar het eigenbelang, zelfzucht en baatzucht hoogtij zullen vieren.

Waarom wq nu deze dingen noemen, en er, hoe kort ook, even op willen wgzen ?

Omdat de gemeente van Christus niet meenen moet, dat zg buiten den invloed blqft van dit alles.

Omdat er ook in de kringen van hen, die nog vragen naar de dingen van Gods Koninkrgk, een wan-verhouding bestaat tusschen de gemeenschap en den enkele.

Omdat de wortel hiervan dezelfde is, waaruit ook op maatschappelgk terrein de ontwrichting en verwarring, het verval en de verbrokkeling opbloeien, n, l, een anarchie, die voor het gezag van den Souvereinen God en van Zqn Woord niet wenscht te buigen.

niet wenscht te buigen. En omdat juist in het persoonlgk leven van vele vromen, juist inzake de vraag naar de heils-verzekerdheid, deze geestelgke anarchie tot allerlei afdwaling aanleiding geeft en velerlei wrange vruchten voortbrengt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De zekerheid des geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's