Stichtelijke overdenking.
Dies Hij zeide, dat Hij ze verdelgen zoude, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheur voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijne grimmigheid af te keeren, dat Hij ze niet verdierf. Ps. 106:23.
Staande in de bres.
Dies Hij zeide, dat Hij ze verdelgen zoude, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheur voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijne grimmigheid af te keeren, dat Hij ze niet verdierf. Ps. 106:23. In Israels heiligdom stond een gouden reukofferaltaar, waarvan telkenmale de wierookgeur hemelwaarts steeg.
Onder deeen vorm werd het levende gebed voorgesteld. Gelqk die wolkjes opstegen naar boven en alles vervulden met hun geur, alzoo zoude het gebed opstqgen tot voor den Troon.
De man Gods noemt het in Ps. 141: „mqn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mgner handen als het avondoffer." Opschoone wijze wordt het in de berijming aldus weergegeven:
Mqn beê, met opgeheven handen, Klimm' voor Uw heilig aangezicht Als reukwerk, voor U toegericht, Als offers, die des avonds branden.
De gebeden, die opstqgen van het gouden altaar, zqn als reukwerk in den hemel.
Voorzeker - eene kostelijke waarheid, en toch zou ze kunnen worden misverstaan. Vandaar moet er eene opmerking aan worden toegevoegd.
Dit reukofferaltaar stond binnen in het heiligdom. Om dat te kunnen bereiken moest eerst het koperen altaar gepasseerd, waarop eiken morgen en lederen avond een lam ten brandoffer werd gebracht.
M. a. w. wie op de rechte wgze tot het reukoffer zal naderen, moet hebben gezien op het offer dat voor zijn zonde werd gevraagd.
In dat lam schuilt de verzoening. Eerst moet het offerdier het leven laten geheel, de laatste droppel bloeds vergoten, ja nog meer, het vuur moet het ganschelijk hebben verteerd, dan pas mag de offeraar naderen tot het altaar met zqn wierook.
Behoeft deze waarheid nu nog breeder toegelicht?
Daar stijgt geen reukwerk op naar den hemel, daar klimt geen gebed op voor den Troon, of het zal zijn achter het geslachte Lam, achter den Gekruiste, al pleitende op Zqne Borg-en Middelaarsverdienste.
Van elke plaats, buiten de schaduw van Golgotha, kaatst de hemel het terug. Daarentegen achter het Lam bnige zich gereedelijk de biddende knie. Al zijn het nog zulke stamelklanken — de kleinste wierookwolkjes klimmen ook op — ze worden zekerlqk gehoord. Het geheim kan u niet verborgen big ven: omdat ze neder worden gelegd op het goud van Christus' Middelaarschap.
Daar is een biddende Hoogepriester voor den Troon, die al de gebeden nederlegt voor Gods aangezicht.
Hebt ge dit wel eens rgkelijk overwogen? Johannes spreekt daarvan in zijne openbaring:
„En daar kwam een andere Engelen stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en Hem werd veel reukwerk gegeven, opdat Hij 't met de gebeden aller heiligen zoude leggen op het gouden altaar dat voor den Troon is."
De doorboorde handen leggen het reukwerk neder op het gouden altaar, ziehier het geheim hoe een stamelklank van beneden doordringt tot in het heiligdom,
We willen uit het Woord onzes Heeren u dit nader toelichten en wel aan de hand van den Psalmist.
Israel had zijn God vergeten. Het staat er letterlgk: „zij vergaten God, hunnen Heiland, Die groote dingen gedaan had in Egypte, wonderdaden in het land van Cham, vreeselqke dingen aan de Schelfzee."
Ge zult zeer denkelijk wel weten, op welk tqdstip dit woord doelt. Als ge deze geschiedenis eens lezen wilt, moet ge opslaan Exodus 32.
Mozes is met den Heere boven op den berg en het volk met Aaron bezig te dansen rond het gouden kalf. De Heere spreekt tot zgn knecht, tot Mozes: »ga naar beneden, uw volk, dat gq uit Egypte] and opgevoerd hebt, heeft het verdorven."
Let eens op deze woordenkeus. De Heere zegt niet: Mijn volk, maar uw. Het is alsof Hij Zich afwendt, Zich van hen losscheurt. Dat volk heeft het verdorven. Zij hebben het zich waardig gemaakt allen tezaam dat Ik ze verdelge. En Hij schijnt ten volle tot het kwade besloten, immers Hg spreekt: laat mq toe, dat Mgn toorn tegen hen ontsteke en hen vertere.
En wat is nu Mozes' scheur: Hij buigt zich neder met deze bede: , o Heere, waarom zoude Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, hetgeen gq uitgevoerd hebt? Waarom zou de Egyptenaar zeggen: zij zijn uitgeleid om door Zijne hand gedood te worden. Gedenk toch aan Uw verbond, aan wat Gij aan Abraham, aan Izaak, aan Israel gezworen hebt."
Hebt ge in dezen bidder al een anderen Bidder herkend? Wat een kostelijk pleidooi! Hier wordt reukwerk verzameld in het gouden wierookvat.
De Heere zeide te zullen verdelgen, evenwel Mozes, Zgn uitverkorene, week niet. Ziet, daartoe was hq door den Heere verkoren om een pleiter te aqn voor een doodschuldig volk. Hij was de van God bestelde man om in de bres te staan.
Hier staat in den tekst: in de scheur voor Zijn aangezicht. Ge moet het u zóó voorstellen. Daar was vanwege de ademtocht Zqner heilige lippen, als door het alaan van een zwaard, eene opening in de gelederen gekomen. Velen vielen, meerderen zullen vallen, ja wie zal kunnen uitgezonderd?
Daar treedt de Borg naar voren. Hij stelt zich in die scheur, in die gaping, waar het zwaard op inloopt. Hq spreekt: tref mij maar.
Hebt ge nu zeer duidelqk gezien, lezer, van Wien deze Mozes het spiegelbeeld is?
In de scheur voor Zijn aangezicht heeft hq post gevat en daar is de grimmigheid afgekeerd. We weten hoe Mozes gespaard bleef; alleen om Hem van Wien Hg de type zijn mocht. De grimmigheid werd afgekeerd. Daar werd verzoening gevonden.
Wat is dit een wondere weg, vindt ge niet? Van de zqde van het volk niet anders dan zonde en ongerechtigheid.
God vergeten niet alleen, maar Hem smaden. Van Gods zijde: »laat Mij toe, dat Mqn toorn ontsteke."
Evenwel Hq, in Wien Zich de liefde Gods zoo heerlgk openbaart, laat niet af.
Ten ware. Daarin ligt heel de heerlgkheid van de behoudenis. In de scheur voor het aangezicht van den Heilige stelt Zich de Christus Gods. Voor den rechterstoel des
Wat valt hier veel te leeren uit deze geschiedenis.
Wat een heerlqke uitkomst had deze voorbede van Mozes voor zgn schuldig volk, niet waar?
Zou dit voor Gods kinderen niet een spoorslag mogen zgn, in het algemeen, om hun gebed te vermenigvuldigen.
Daar is zooveel te vragen. In onze dagen wordt zoo telkens gesproken: „wat is het toch droevig met ons volk gesteld! Hoe ver is het al met ons gekomen! Alles schijnt weg te zinken."
Mgn broeder en zuster, zoo de Heere u deze oogen gaf om te zien en deze ooren om te hooren, waar bracht hetu?
We zullen de allerlaatsten zijn om te ontkennen dat de breuke groot is, die geslagen werd in ons midden, maar verstaat ge 't nu ook, dat dit een gevolg is van onze zonde. En laat nu maar alle nadruk gelegd op „onze." Wg hebben vergeten de groote dingen, de wonderdaden in ons midden.' Ziet, daarom heeft de Heere geslagen. Staan wij in de bres in die scheur voor Gods aangezicht?
'k Weet haast al van te voren wat ge zeggen zult: „ik .daar ? ik durf haast voor" mijzelven niet te pleiten.]' Och, mqn vriend, wanneer gg naar het reukofferaltaar uwe gangen zult richten, ga dan eerst pleiten op het brandoffer. Ziet op dien Uitverkorene, op dien eenig-Beminde des Vaders, laat van uit de schaduw dezer plaats uwe gebeden oprgzen.
Wat is dat volk, dat den beteren Mozes als pleiter heeft, toch zalig te roemen. Al de grootheid. Hem voorgesteld, heeft Hij afgewezen. Zijne grootheid ligt alleen in het behouden der Zijnen,
In onze dagen is de verwarring, niet gering. Met eene driestheid, welke doet huiveren, wordt verdedigd: zonder Borg wel tot God te kunnen naderen. De gebeden worden opgezonden uit naam van een schepsel. Tot het heiligdom wordt een weg gezocht, welke niet door den voorhof loopt. Men heeft Ohristus als Plaatsbekleeder niet noodig.
En toch blqft het gelden: ten ware Zijn Uitverkorene in de scheur voor Gods aangezichte gestaan had. Als wij Ohristus niet kennen als onzen Heiland, a; ls wij onszelven niet leerden zien als doemschuldig, gewis, het einde zal zgn als de ontmoeting Jehu's van Israels koning: het is verraad.
De Borg wordt u nog voorgesteld. Het schuldige behoort bg Hem. Als gq schuldig zgt geworden geheel, als gg zeggen moet: „bij dat schuldig Israël behoor ook ik, vlak aan den voet van den berg waarop de Heere mg Zijne grootheid toonde heb ik mq omgekeerd en gezocht naar goden zooals ik zelf verkoos. Voor een god van eigen maaksel heb ik mgn gansche zqn ten offer gebracht. Voor wat mqn dood inhield zou ik mgn leven hebben gegeven.
„Als Gg, o Heilige Israels, met mg richten wildet, zoo ware het ten eenenmale verloren."
Wanneer dit de taal uws harten zijn mag, gelooft dan op grond van's Heeren onbedriegelgk Woord, dat daar staat in | dé scheur voor Gods aangezicht een Borg, Die niet wijken zal. Al zegt ook de Duivel: verderf hem, Heere; al zingt ook uw vleesch in koor mede: Hg heeft gelijk — wat zich van des Pleiters lippen voortdurend laat hooren is dit: „indien Gg, Heere, hunne zonden niet vergeven zult, zoo delg Mg uit Uw boek. Voor Mqn volk is de scheur voor Uw aangezicht door Mgn kruis toch gedempt".
Laat dezen troost u niet rooven. Schuil maar alleen achter Hem,
De heiligheid des Heeren mag u dikwerf verschrikken, Zijn onkreukbaar recht u vaak beklemmen, achter uw Borgzijt gg veilig. Wie het opgaf voor Hem, heeft het gewonnen.
Gods toorn zou verdelgen ten ware Zgn Uitverkorene er niet stond. Hg staat er en blgft er staan, tot de laatste Zqner kinderen is ontkomen.
Moses móest het op den berg nog zien, in eene klove, onder de schaduw van Gods hand. Hg zag den Heere slechts van achteren; straks zullen, die Zgne verschijning hebben liefgehad, Hem zien in het blinkend aangezicht, in Zgne volle heerlijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's