Stichtelijke overdenking.
Mijne oogen van tranen«. Psalm 116 : 8b.
Mijn tranen willen drogen.
Toen de Prediker zich wendde en aanzag al de onderdrukkingen die onder de Eon geschieden, zag hij ook de tranen der verdrukten en dergenen die geenen trooster hadden.
Zulke tranen zijn er in onze dagen nog. O, wie zal ze tellen de vele en velerlei tranen die ook nu nog allerwege worden geschreid?
Nu kan het u niet onbekend zijn dat de tranen die daar geschreid worden in twee soorten onderscheiden kunnen worden. Daar zgn tranen die geschreid worden met het oog naar beneden, maar daar zijn ook tranen die geschreid worden met het oog naar boven. Alleen op het laatste echter blijkt het woord, dat we hierboven schreven, van toepassing te siju.
Daar zqn ook tranen die geschreid worden met het oog naar beneden. Dat zijn in de eerste plaats de geveinsde tranen. Hoe dikwijls toch gebeurt het niet dat iemand tranen schreit om van de menschen gezien te worden. En niet slechts uit natuurlijke overwegingen, maar soms worden zulke tranen OOK voorgewend als zouden zij^ de tolken wezen van een droefheid naar God.
Dan heeft men de z. g. n. slaafgche tranen. Dat zijn tranen die voortkomen uit vrees voor straf. Zulke tranen eerden b. v. geschreid door Achab toen hem door Elia het oordeel des Heeren was aangezegd, en zulke tranen worden nog niet zelden geschreid, niet het minst in h«t gezicht van den dood of als de Heere ons met andere oordeelen dreigt.
Verder zijn er ook a. g. n. outeyredenheidstranen. Dat zgn tranen die voortkomen uit ontevredenheid met een weg waarop wq door het vooraienig bestel des Heeren geleid worden. Zulke tranen worden vooral geschreid als de Heere bittere dingen tegen ons schrqft of ons leidt op wegen die tegen vleesch en bloed ingaan. Zulke tranen waren b. v. de tranen van Jezus, toen hij merkte dat de zeg der eerstgeboorte hem door Jacob ontnomen was. Niet waar, dan leien wq van hem dat hq schreeuwde met een grooten en bitteren schreeuw, gansch zeer, en op een andere plaats dat hq geen plaats des berouws vond, hoewel hij dezelve met tranen socht. Maar zulke tranen worden ook thans niet zelden geschreid. Immers wat zijn er een menschen, die als zq in hun goed of in hun bloed sehtede geleden hebben, alleen maar schreien om het verlies dat hen trof. Zq hadden het zeer gaarne anders gehad. Zq hadden dit of dat nog zoo gaarne willen behouden; zq hadden dezen of genen van hun geliefde betrekkingen nog ïoo graag het leven en nog wel een lang leven gegund, en nu is daar plotseling de dood. tusschenbeiden gekomen en heeft hun een wonde geslagen, waarvan zij meenen dat zq onherstelbaar zal zqn. Daar is een ledige plaats gekomen, die nooit meer zal kunnen aangevuld worden. O, als zq. er goed inkomen, dan zouden zq zich van wanhoop wel de haren uit het hoofd kunnen rukken. Gevoelt gij hoe zulke tranen in den grond der zaak ook niet anders sqn dan ontevredenheidstranen, tranen die geschreid worden omdat de weg des Heeren zoo hard voor ons is?
En zo zijn er ook nog tranen die geschreid worden uit medelqden, uit medelijden met het leed dat door anderen getorst, met het kruis dat door anderen gedragen moet worden. Zulke tranen waren b. v. de tranen van vrouwen op den weg naar Golgotha. Die vrouwen waren bewogen over de schrikkelqke smart die door den Heiland doorstaan moest worden. En zoo gebeurt het immers zoo vaak, dat ons tranen in het oog komen als we zien op de smart die anderen te verduren hebben. Maar gij kent het antwoord dat de Heere aan die vrouwen op den kruisweg heeft gegeven, niet waar? Ween niet over Mij, maar ween over. u zelve en over uwe kinderen. En dat'is een antwoord dat ook op onze tranen, die wij wellicht uit medelqden met hei leed van anderen schreien, van toepassing is.
Maar genoeg, ge merkt nu wel dat er verschillende tranen zqn die geschreid worden met het oog naar beneden. Maar nu staan daar tranen tegenover die geschreid worden met het oog naar boven en dat zijn de tranen waarvan de dichter van Psalm 116 getuigen mocht dat gijn oogen er van gered waren.
Ach die andere tranen die geschreid worden alleen om de gevolgen der zonde.
Zoo is het met de geveinsde tranen. Als de menschen het niet meer zien, hebben zij opgehouden te vloeien.
Zoo - is het met de slaafsche tranen. Als de oordeelen Gods weer afgewend zijn dan zijn zulke tranen weer weg.
Zoo is het met de ontevredenheidstranen. Als we aan het verlies en aan het gemis weer gewoon zijn, dan wordt daar vaak om wat we verloren geen traan meer gestort, zoo selfs dat anderen vaak sieggen: hoe is het mogelqk dat die heete tranen, die toen sóó overvloedig vloeiden, zóó spoedig weer verdrogen konden?
En zoo is het tenslotte ook met de meewaardigheidstranen. Als wij het leed van anderen niet meer zien, dan blijkt het o zoo vaak uit het oog uit het hart te wezen, en hebben wij dan het eene oogenblik soms geweend met de weenenden, dan kunnen we toch vaak het volgende oogenblik weer blijde zijn met de blqden.
Maar zoo is hst nu niet met die tranen die door de werking van Gods Geest aan het oog, al is het alleen maar aan het zielioog, worden ontperst en die dan geschreid worden over zonde en schuld. Als we zulke tranen leerden schreien als David geschreid heeft toen hq gekneld lag in banden van den dood, daar de angst der hel hem allen troost deed missen, dan is er hier beneden niemand die deze tranen kan drogen, dan blqken zelfs ome beste vrienden niet zelden zulke moeilqke vertroosters te zqn.
Maar omdat we 't dan beneden niet vinden kunnen, daarom wordt dan ook het schreiend oog naar boven gericht.
Job zegt: mqn oog druipt tot God. De dichter van Psalm 39 roept het in den berqmden Psalm uit »daar 'k schreiend U mqn leed vertoon." En de dichter van Psalm 56 verstond er ook iets van als hq bad: leg mqn tranen in Uw flesch. Zqn ze niet in Uw register? En ziet, zoo is het nu met ieder aan wiens tranen niet een natuurlqke, maar een geestelijke oorzaak ten grondslag ligt. Als zq hier beneden tevergeefs naar troost gezocht hebben dan komt daar met een betraand oog een roepen tot God. ., Och. de wereld blijkt meer en meer onmachtig om ook maar één traan te drogen die als een traan van waarachtig berouw aan het oog is ontperst.
Zeker, de wereld heeft wel middelen om geveinsde tranen te drogen, de wereld heeft middelen genoeg om tranen te drogen die uit vrees worden geschreid. De wereld biedt immers afleiding genoeg; zq heeft zelf* in deze ernstige tqden middelen genoeg om uw oog af te leiden van de oordeelen Gods die als een stroom over de aarde gaan. Ook heeft de wereld middelen genoeg, om, als gq uit ontevredenheid schreit, u weer tevreden te stellen. De wereld kan u zoo gemakkelijk en vaak weer zoo spoedig het leed doen vergeten, het bittere leed dat gq misschien zelf hebt geleden of dat gij misschien ook anderen lijden zaagt. •
' Maar wat de wereld niet kan ? De wereld kan de tranen niet drogen diet gq géschreid hebt als zondaar voor God. De wereld kan het leed niet verzachten dat daar.geleden wordt door die ziel die zich zelf onder Gods recht verloren en dus verbroken ziet liggen.
Maar wat nu de wereld niet kan, dat heeft de.Heere gedaan. Alle dingen dié mogelqk bij God. God alleen is machtig om de tranen te drogen die Hij Zelf eerst door Zijn Geest aan het oog heeft ontperst. En de Heere doet dat door het weenend oog te ontsluiten voor Hem die zelf ook eenmaal sterke roepingen en tranen heeft geofferd aan Hem, die Hem uit den dood kon verlossen. Ja, de eenige weg om tranen te drogen is de weg in Christus, de weg in Hem die het gezegd heeft: »Mqn oogen zqn bezweken en ik heb geweend in het vasten mijner «iel." Het ie immers alleen om dat weenen dat Christus gedaan heeft dat de Heere nog in gunst nedersiet op al de tranen die door Zijn volk worden geschreid. En zoo is het alleen om de tranen die Christus gestort heeft dat er nog altoos een volk is dat het met den dichter kan zingen:
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei. Veranderd in een blqden rei.
En die troost mag men voor Gods Kerk steeds ten deele zijn. Immers ook de zoetste troostbeker blqft hier op aarde altoos nog met alsem gemengd. Maar straks zullen zij verlost worden van alles waarover hier ook na ontvangen genade telkens nog weer zovèèl tranen moeten worden geschreid. Dan toch, als de dag hunner volkomene vertroosting gekomen zal zqn, dan zal in vervulling gaan wat Jesaja reeds voorspeld heeft: „de vrijgekochten des Heeren sullen wederkeeren en tot Zion komen met gejuich en eeuwige blqdschap zal op hun hoofd wezen; vroolqkheid en blijdschap zullen zq verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden". Of wilt gij hetzelfde in' dé taal van - den ziener op Patmos, den Jesaja van het Nieuwe Verbond? »Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte. Want het Lam dat in het midden van den troon zal ze weiden en zal hun een Leidsman tot levende fonteinen der wateren zijn en.... God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen".
Zalig voorrecht als ook uw tranen dan door God zelf gedroogd zullen worden. Maar gij hebt het gehoord, dat hangt er vanaf of uw weenend oog naar beneden dan wel naar boven is gericht, of het op de dingen der wereld dan wel op den Heere gevestigd mag zijn.
Ach, tranen hebben wq allen wel eens geschreid. En vooral als gq wat gemoedelijk aangelegd sijt, dan zou het kunnen wezen dat gij telkens weer tot tranen bewogen zijt. Maar daar zijn zooveel tranen die nooit verder komen dan de doek, waarmee zq afgedroogd worden.
Daar zijn zooveel menschen die ook te midden van hun tranen de vreugde der wereld beminnen en van de zonde geen afstand kunnen doen.
Zqt gq misschien nog aan dezulken gelqk? Hoort dan het ontzettende woord dat tot u gesproken moet worden: Wee u, die nu lacht, want gq ault treuren en weenen.... O, dat gij dan eens mocht bedenken dat alleen uit het zaad der waarachtige droefheid de vrucht der hemelsche blqdschap zal kunnen voortkomen.
Of leeft daar waarlqk in uw ziel een droefheid naar God? Zijn de tranen die gq schreit tranen over uw zonde en schuld? Zqn die tranen voortgekomen uit het besef dat gij God Zqn eer hebt smaadheid hebt aangedaan? O, dat uw weenend oog dan werd ontsloten voor Hem, die het in den hof van Gethaemané uitriep: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe. Alleen in Zijn tranen toch zult gq ook voor uw ziel vinden kunnen sieraad voor a«ch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest.
Of hebt gq 't door't geloof in Christus ervaren dat uit de traan de lach, dat uit den nacht de dag, dat uit den dood het leven bloeit? Hebt gq 't ook in uw eigen leven ervaren'dat in Chriatus de belofte vervuld is: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich? Ook dan moet gq er maar op rekenen dat er in het jammerdal. dezer wereld aan de tranen der verdrukten en dergenen die geen trooster hebben, nimmer een einde zal zijn.
Maar laat dan te midden van al het leed dat gq hier wellieht te torsen hebt, het lied van den dichter u tot vertroosting zijn:
Die hier bedrukt met tranen zaait. Zal juichen, als hq vruchten maait; Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal Gaat weenend voort, en zaait het al; Maar hq zal, zonder ramp te schromen Eerlang met blqdschap wederkomen, En met'gejuich, ter goeder uur, Zqn schoven dragen in de schuur.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's