De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid des geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid des geloofs.

9 minuten leestijd

III.

Het meest persoonlijke, dat er in het leven van Gods kinderen ia, hun geloofsverzekerdheid, komt zeer licht in onze beschouwing, en ook voor de practgk van het geestelijk leven scheef te staan, wanneer de rechte samenhang tusschen den enkele en de gemeenschap uit het oog wordt verloren of verbroken.

Van ouds in dit in de gereformeerde theologie verstaan, die immers, en terecht, nadruk legde op de beteekenis van het genade-verbond.

En daarbg werd niet alleen gedacht aan het eeuwig vrede-verbond, gesteld en gesloten in den raad des Drie-eenigen, maar ook aan hetgeen als uitvloeisel en verwerkelgking hiervan werd gezien in de geschiedenis der openbaring, endoor de eeuwen heen aan het licht treedt in de Kerk van Christus.

Door de werking van den H. Geest bestaat de Kerk, worden in haar midden de weldaden van het genade-verbond toegepast en genoten; de H, Geest houdt het leven der Kerk in stand door de verkondiging van het Woord en de bediening van de sacramenten.

Zoo werd het verband tusschen de gemeenschap en den enkelen geloovige in het oog gehouden en op de rechte waarde geschat.

Met name bij Calvijn komt dese voorstelling tot haar recht. Wat anders toch zou hg willen naar voren brengen dan deze waarheid, wanneer hij bijv. zegt: „Er is geen andere ingang tot het leven dan wanneer de zichtbare Kerk zelf ons ontvangt in haar schoot, ons 'baart, ons voedt aan haar borst, kortom ons beschermt onder haar hoede en bestuur, totdat wg, het sterfelgk vleesch afgelegd hebbende, den engelen gelijk zullen zgn .... Buiten haar schoot is geen vergeviug der zonden te hopen, noch eenig heil, gelijk Jesaja (37 vs. 32) en Joel (2 VS. 32) getuigen. Hiermede stemt ook Ezechiël overeen (13 vs. 4), wanneer hij betuigt, dat zij in het boek van het volk niet zullen geschreven worden, die God van het hemelsch leven uitsluit. Gelijk daarentegen zij, die zich tot de oefening der ware Godzaligheid bekeeren, gezegd worden hun naam te schrijven onder de burgers van Jeruzalem." (lnst. IV:1, 4).

Elders, bg Gal. 4 vs, 26, waar gesproken wordt van het Jeruzalem, dat boven is, als van de moeder der geloovigen, toekent hij het volgende aan: gHet hemelfch Jeruzalem, dat zijn beginsel van den hemel heeft, dat is de moeder der geloovigen. Zij heeft toch het on verderfelijk zaad des levens, dat haar is toevertrouwd, waardoor zg ons vormt, ons koestert in haar moederschoot, ons voortbrengt aan het licht; zij ook heeft melk en spgze, waarmede zij die uit haar geboren zijn, bij voortduring voedt... Ongetwijfeld, hij die weigert een zoon der Kerk te zijn, verlangt tevergeefs God tot een Vader te hebben. Want niet anders dan door den dienst der Kerk verwekt God zich kinderen".

En om nog een uitspraak verder te noemen, dia wel de waarheid van ons beweren bewijst: „hoe zou er zaligmakend geloof zijn, dan voor zooveel God ons inlijft in het lichaam van Christus? "

Hierin staat Calvijn geheel op den bodem der E. Schrift en trekt hij eenvoudig de lijnen door, die zich in de geschiedenis der openbaring afteekenen.

Aldoor komt het uit, dat God organisch werkt, en niet atomistisch, niet de toebrenging van den eenen eu anderen individu, maar de lijn en de samenhang van het genade-verbond wordt voor onze oogen afgeteekend, en in dien samenhang soms de figuur van éen van Gods kinderen.

Toen God Zgn verbond had opgericht met Abram, was dit van kracht voor den aartsvader en zijn nageslacht. Het verbond werd niet weer eens van nieuws opgericht met Izaak, en later nog weer eens met Jakob. „U en uw zaad na u", zoo luidde de verbonds-belofte, welke de Verbonds-God gaf en gestand deed.

En dit gaat door voor heel het genadeverbond. Het is er, van Godswege, krachtens Gods genadige beschikking, vóór de enkele geloovige er is.

Duidelijker nog dan onder Israël komt dit uit bij het genade-verbond in zijn Nieuw-Testamentische gedaante.

Het Bonds-Hoofd, de Middelaar, is immers de Christus. Hij is het Hoofd Zgner Kerk; zij is de bruid, aan den Bruidegom gegeven en toegebracht. De betrekking van de gemeente tot haar verheerlijkt Hoofd is organisch.

Dit komt uit in de wijze, waarop de Christus zelf over Zijne geloovigen spreekt. Zij zijn de ranken. Hg ia de wijnstok. Zij worden dus niet als de noten aan een kerstboom aangebonden, maar zgn vruchten, gedreven en voortgebracht door en in verband met de levens-kracht van wortel en stam.

Wanneer Hij in het hoogepriesterlgk gebed voor de Zijnen bidt, geldt Zijne voorbede niet alleen hen, die Hem op dat oogenblik Hem toebehooren, maar verder ook „allen, die door hun woord in mij gelooven zullen", Joh. 27 vs. 20v.

Het rechte beeld voor het wezen en den groei der gemeente des Heeren is niet de opeenhooping of opstapeling der samenstellende deelen, maar de levenseenheid en de wasdom van het organisme. Zóo zeer zelfs, dat Petrus, de geloovigen vergelijkend bij een geestelijk huis, deze beeldspraak aanvult door hen te noemen „levende" steenen.

Van den aanvang af hebben èn Luthér in Calvijn deze organische opvatting op den voorgrond gesteld, en daarmee de individualistische wgze van zien der Weder doopers en andere geestdrgvers bestreden.

En ook in onzen tijd is het noodig, de gedachte van het genade-verbond niet te verwaarloozen. Op allerlei terrein woekert het individualisme, vaak onder den «chgn en de leuze van het tegendeel. Wanneer dat ook op kerkelgk gebied en op het terrein van het geestelijk leven voortgaat en in steeds toenemende mate het geval is, kan dit niet anders dan tot schade zgn van den gezonden groei van dit leven, en er toe bijdragen het inzicht in de waarheid der H. Schrift steeds meer te vertroebelen.

Het sociale, het gemeenschaps-element in de christelijke religie komt eerst tot zgn recht, wanneer er oog is voor het organische in het doen Gods, wanneer de gedachte van het genade verbond niet wordt verwaarloosd, en in de practgk het organisch leven der Kerk gezond en krachtig is.

Voor den enkelen geloovige is dit van dt grootste beteekenis. Daarom is de kerkelijke vraag er niet louter ééne van theoretisch belang, en verder betrekkelgk onverschillig.

Neen, de krankheid en ellende van het kerkelijk leven drukt noodzakelijk ook den enkele.

Nooit mag een geloovige, zoowel voor*, het ontstaan als voor den groei, zoowel voor de gezondheid als voor het verkwijnen '' van zijn geestelgk leven, losgedacht of losgemaakt van de Kerk, die als - moeder en voedster, gelijk Calvijn het uitdrukt, door de werking van den Heiligen Geest hem baart en koestert.

Het geheel is er vóór den enkele; uit het geheel komt de enkele voort, van het geheel is hij afhankelgk voor ziju leven, zgn groei en zgn welstand.

Dit sluit echter niet in zich een ontkenning of miskenning van het eigen werk Gods, dat aan een zondaar moet geschieden, zal hg waarlijk deel hebben aan het leven, dat in het geheel klopt, dat voor het geheel tot heil is, dat uit de volheid van het heerlijk Hoofd der Kerk toevloeit,

In geenen deele! Aanvang van alle toepassing des heila aan den enkele is de wedergeboorte. Dat hierbij de sfeer des verbonds van beteekenis is, behoeft geen betoog. De voorbereidende genade doet het hare, en God zal meestal de verkorenen doen geboren worden in een kring, waar het Woord wordt geëerd en gehoord, waar Zgn Naam wordt gevreesd.

Evenwel, „genade is geen erfgoed". En zonder zaligmakende genade komt het ook bg hem, die in de kennis der H. Schrift is opgevoed, en onder de prediking van het Woord leeft, niet tot geloof.

Bg de uitwendige roeping moet de innerlgke komen, waa, rdoor de zondaar tot het leven wordt geroepen, naar de stem zijns Gods, die in het Woord Gods tot hem komt, waarlgk gaat luisteren, haar op zich persoonlijk gaat toepassen.

Zonder wedergeboorte dus geen geloof. „Niemand kan", gelgk Calvijn terecht opmerkt, „gelooven, tenzij hij uit God geboren is".

Zonder geloof geen heils-verzekerdheid. En zonder wedergeboorte geen geloof.

Daar nu de heiis-verzekerdheid een zekerheid des geioofs is, gelgk wij hopen uiteen te zetten, is het van belang, zich er klaar rekenschap van te geven, wat het geloof eigenlijk is.

Wanneer het wezen en de beteekenis van het geloof verkeerd wordt gezien, komt onvermijdelijk ook de vraag naar de zekerheid des geioofs scheef te staan.

En ieder zal moeten toegeven, dat een verkeerde beantwoording van deze vraag voor den bloei en den wasdom van het geestelijk leven der kinderen Gods en voor het smaken van den waarachtigen vrede hunner ziel ernstige gevaren moet opleveren.

En gaan wij nog een stap verder terug, dan is het noodig, voor een recht inzicht in het wezen des geioofs volgens de H. Schrift en de oorspronkelijkreformatorische opvatting, de vraag te stellen naar de verhouding tusschen geloof en wedergeboorte. ''

Eerst de wedergeboorte, dan het geloof. ' Niet alleen logisch, voor ons denken, in de bespreking van de orde des heils.

Maar ook feitelijk, in tgdsorde. Bewustzijn is er niet zonder zijn.

Zoo is er ook geen bewustzijn van de beteekenis van Christus zonder een ingeplant zijn in Hem; geen hooren en op zichzelf toepassen van de woorder en beloften Gods zonder een hart dat, levend, een oor, dat hoorend gemaakt is.

Hiermede is natuurlgk niet gezegd dat geloof en bekeering door een groote tijdsruimte van elkander moeten geschëiden gedacht worden. Het kan natuurlgk zijn, dat eerst op later leeftgd het geloof. tot helderheid komt, en zich van zijn. bezit bewust wordt. Maar het kan evengoed het geval zijn, dat een wedorgeborene, tot het leven geroepen ziel van der jeugd aan de gaven der genade Gods aanvaardt en in het geloof zich toeeigent. Regels hiervoor zgn niet te stellen.

Want wie zou den Allerhoogste den weg kunnen vöörteekenen ? Hij is vrij en vrijmachtig in Zgn doen.

Maar wij mogen toch zeggen, dat God een God van orde is. En waar Zgn verbond wordt erkend, als een verbond van genade in Christus op de rechte waarde wordt geschat, waar Zijn Woord in getrouwheid wordt gepredikt, daar zal ook vaak in den geleidelgken weg uit de wedergeboorte het geloof opbloeien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De zekerheid des geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's