De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

15 minuten leestijd

De Kerkvisitatie. VII.

Aan allerlei opgaven, die vermelden, dat alles zoo goed, zoo best, zoo opperbest gaat, — terwgl de werkelgkheid dikwijls is, dat het zoo slecht, zoo é.llerslechtst gaat, — hebben we niets. Dat is ten slotte bedriegerij op groote schaal. Dat is maar zand-in-de-oogen-strooien. Neen we moeten de dingen hebben, zooals ze zgn. En dan moeten we weten, hoe het staat in de verschillende gemeenten met het kerkelijk-Godsdienstig leven, en wel met de bediening des Woords en der Sacramenten; met de leer en het leven der predikanten, ouderlingen en diakenen; met de onderlinge verhoudingen; met de verdeeling van den arbeid; met de belangstelling der gemeente bij de godsdienstoefeningen, ten opzichte van de catechisatie enz. enz.

Daartoe kan een rondgaand bezoek (visitatie) ter inspectie der verschillende gemeenten uitnemende diensten doen. En dan moet onderzocht worden, of de gemeente haar belijdenis getrouw gebleven is, of het karakter der Christelijke Kerk niet teloor gegaan is, of men zich voegt naar goede orde, in gehoorzaamheid aan Gods Woord.

't Gaat om de kenmerken van de ware Kerk, of die bewaard blijven.

Natuurlijk zgn daarbij allerlei vragen van statistischen aard niet uitgesloten. Allerlei opgaven in dien zin zgn noodig, welke met goeden zin kunnen worden ondergebracht in onderscheidene groepen en tabellen, opdat men ook in cijferschrift zich eenigszins den toestand der Kerk voor oogen kan stellen. Waarbij de historie moet worden geëerd, door een onderzoek in te stellen naar het archief, naar boeken en handschriften Maar met het opslaan der boeken van diakenen en het inspecteeren van effecten, en het nazien van handschriften, notulen, portefeuilles, mag niet geacht worden het voornaamste van de Kerkvisitatie verricht te zgn. Want het is ten slotte bgzaak. 't Welk zich uitnemend met de Kerkvisitatie laat vereenigen, maar wat toch nooit voor de hoofdzaak in de plaats geschoven mag worden. Welke hoofdzaak altgd weer is en blgft: de navraag en het onderzoek naar prediking en Saeramentsbediening; naar belijdenis en leven van Kerkeraad en gemeente saam.

Reeds het concilie van Trente (1545— 1563) heeft zich hieromtrent in de 248ste zitting aldus uitgesproken: „ Het hoofddoel van alle zoodanige Kerkvisitatie zg handhaving der gezonde en rechtzinnige leer en uitroeiing van ketterijen, bescherming der goeden en kastgding der boozen en opwekking van allen door vermaning en prediking tot godsvrucht, vrede en ingetogenheid: al het overige verblijve naar gelang van tijd en plaats aan het doorzicht der visitatoren" — waaraan zich Luther en Saksen's keurvorst bij het Kerkvisitatie reglement van 1527 aansloten.

Immers lezen we daar dat uitdrukkelijk den visitatoren opgedragen werd: „Mochten echter predikanten gevonden worden, van wie het bg onderzoek bleek, dat ze een dwaling in het geloof of in het hoogwaardig sacrament des avondmaals, of in den doop predikten of koesterden, zoo zal men hun aanzeggen, dat zg zich over de grenzen te verwgderen hebben en op straffe der wet zich niet meer in den lande vertoonen mogen".

Of wil men nog een kleine bizonderheid, welke toch in deze een duidelijk getuigenis aflegt? Door de Kerkvisitatoren moest bij de ambachtsheeren of edellieden dit bevel worden achtergelaten, dat zg bg uitoefening van hun collatierecht niet op bijzaken hadden te zien, maar dat zg moesten bedingen, dat Gods Woord recht gepredikt en toegepast werd.

Deze hoofdzask op de kerkvisitatie heeft ook Calvgn vastgehouden in zgn Ordre sur la visitation, zijnde een afzonder-Igk hoofdstuk van zijn Kerkorde (Ordonnances ecclésiastique de Génève 1541) en aanstonds ook ten onzent heeft men, zelfs vóór men een eigenlgke Kerkvisitatie had, daarnaar gegrepen, toen men voor de classicale vergaderingen instructie gaf, om aan eiken predikant te vragen omtrent zijn gemeenteleden „ofse van eenige ketterye aangevochten worden? en ofse twgffelen aan eenig stuk der Leer? " (Hooyer, Kerkel. wetten voor de Hervormden in Nederland 1846 pag. 87 enz.)

Handhaving der leer en zorg voor een goede en getrouwe bediening des Woords en der Sacramenten werd als het eerste en het voornaamste geacht — door Rome, door Luther, niet minder door Calvgn. En van de eerste jaren af, dat de Hervormde, Gereformeerde Kerk hier te lande bestaat, is het nooit anders geweest.

Was 't daarom ook niet, dat op elke classicale vergadering ieder predikant bij toerbeurt een korte predikatie moest houden, : ^aarover de anderen dan moesten oordeelen, om, waar noodig, te verbeteren en te vermanen.

En om hierin toch zoo ernstig en nauwkeurig mogelijk toezicht te kunnen houden, deed men reeds op de Synode van Wezel den voorslag, dat de classicale vergadering beurtelings in de verschillende gemeenten van het ressort zou gehouden worden „opdatde vergaderinge te naarstiger moge onderstaen de gelegenheydt van yder Kercke in 't byzonder, wat ordre daer gehouden wordt in de Leere" (Hooyer blz. 51).

Te Middelburg bepaalde men in 1581, om oorzake die gemakkelgk te bevroeden is, dat de predikanten op de classis niet meer vrij zouden zijn in hun tekstkeuze, maar een opstel moesten voorlezen over een tekst, dien de classis hun aanwees (Hooyer blz. 217) en in art. 4Ö van de acte der Nationale Synode te 's Gravenhage lezen we, dat ook „de Classis, daar zulks nood is, de vrgheid sal hebben eenig haarder dienaren van de eene class, vergadering op de andere te authoriseeren, om opzigt te nemen op de Leere en het leven der predikanten" (Hooyer blz. 275) en de Prov. Synode te Ulrecht bepaalde, dat „Ghecommitteerden der Synodi, Ixun altemet zouden laten vinden op eenighe dorpen daer zij 't oirbaerlyck vinden, omme den Predicanten aldaer onvoorsiena hare predi-«atie te hooren en te vernemen boe sy haer is haer geheele Bediening, leer ende leven gedraghen". (Hooyer biz. 413). Maar deze maatregelen bleken op den duur niet voldoende om de geestelqke orde^'in de Kerken te handhaven en onze Geref. Kerken moesten er toe komen een wezenlgke Kerkvisitatie in te stellen „daertoe dienende, dat de zuiverheid der Leere en alle goede gerechtigheid inde gemeenten Gods onderhouden worde"; (Haagsehe Synode 1586, art. 40 van de Acta) of zooals de Dordtsehe Synode van 1619 in art. 44 van haar Kerkorde bepaalde „dat de classis eenige barer dienaren sal authoriseeren om in alle kerken van de steden soowel als van het platteland alle jaar visitatie te doen" om dan toe te zien of „Leeraars, Kerkeraden en Schoolmeesters haar ampt getrouwelgk waarnemen en blijven bg de suyverheydt der Leere" Hooyer bl. 454).

Waar dus een Kerkvisitatie zou wezen, waarbg de hoofdzaak, om allereerst te waken voor de rechte bediening des Woords en der Sacramenten, naar achteren geschoven is, of met andere woorden, waarbij niet vóór alle dingen een onderzoek wordt ingesteld naar leer, belijdenis en leveii van kerkeraad en gemeente, zulk eene Kerkvisitatie zou geen Kerkvisitatie wezen in den zin, zooals onze Geref. Kerk dat altijd, in overeenstemming met Luther en Oalvgn en Knox en anderen bedoeld heeft, en het zou een bedenkelqke afbuiging wezen van den rechten weg.

"Waarbq dankbaar kan worden geconstateerd, dat ook na 1816 in onze Herv, Kerk aan deze Ign, zq 't dan meer in theorie dan in practgk, niet ouduidelgk is vastgehouden. Waarvoor ten bewgs kan worden aangehaald art. 12 van het Regl. op de Kerkvisitatie van 1822 en art. 12 van het Regl. op de Kerkvisitatie van 1858.

In het eerste Reglement lezen we toch : „Daarna overgaande tot het doel der Kerkvisitatie, zal men vragen

1. ten opzigte der predikanten, eerste vraag: of zq onberispelijk zqn in leer en wandel?

2. ten opzigte der ouderlingen, eerste vraag: of zg zijn onberispelijk in belijdenis en wandel?

3. ten opzigte der diakenen, eerste vraag: of dezelve onberispeliik zijn in belqdenis en wandel? "

En van het Reglement, dat de Synode van 1858 in haar zitting van 7 Augustus arresteerde, luidt "de aanhef:

„De voorzitter, tot de visitatie zelve overgaande, stelt een onderzoek in .... betreffende al de leden of zij bezwaren hebben, rakende de belijdenis en den wandel van iemand hunner medeleden."

Natuurlijk valt het geen oogenblik te ontkennen, dat m 1816, ook in de kwestie van de Kerkvisitatie, het streven heeft voorgezeten om de gewestelgke deelen onzer Kerk, door centraliseering van bestuur, tot één geheel saam te smelten, waarbij een bizondere zucht naar reglementair en administratief optreden kwam, maar onder al dat reglementair en administratief gedoe, met statistieken en tabellen, is toch niet geheel uitgewischt, wat van ouds de hoofdzaak der Kerkvisitatie is geweest n.l. om mee daardoor te waken voor de prediking des Woords, voor de bediening der Sacramenten, voor de zuiverheid der leer; voor het welwezen van de Kerk dus, zoo nauw verbonden aan de leer en het leven der ambtsdragers.

En er valt daarbg helaas! ten zeerste te klagen over onze Synodale organisatie, waar zg ook hier in theorie wel nog vasthield aan de gereformeerde beginselen, maar in de praktgk toonde, dat haar de handhaving en de toepassing dezer beginselen geen ernst was, waardoer zij zelve de kracht der goede bepalingen ontzenuwd heeft en er toe meegewerkt heeft, dat eigenlgk heel de Kerkvisitatie geen Kerkvisitatie meer was.

En hierin nu moet meer met ernst betracht worden, waar het in beginsel toch eigenlijk allereerst om gaan moet. {Wordt vervolgd).

Het kerkelijk vraagstuk.

Dr. J. Riemers Jr. te Leiden zond aan „de Nederlander" het volgende schrgven:

Ter toelichting van het reeds gepubliceerde voorstel van het comité inzake de oplossing van het kerkelgk vraagstuk moge het volgende dienen.

Toen er verschillende vertegenwoordigers der rechterzgde in de Hervormde Kerk een en andermaal bijeenkwamen in de eerste maanden van dit jaar, waren er axiomatische punten, waarmede men natuurlgk rekening moet houden. In de eerste plaats moet de oplossing van het kerkelgk vraagstuk, indien die mogelgk is, aitgaan van de Kerk zelve, en heeft geen enkel comité, hoe ook saamgesteld, het recht, of de verplichting, die oplossing te beproeven. De commissie was en is zich daarvan wel bewust, dat zg enkel kan adviseeren, samenwerking zoeken, lijnen aangeven, eenheid bevorderen. Het verdere is niet haar taak, maar taak der Kerk.

Dan was er nog een tweede punt, waarvan de commissie zich wèl bewust is: een volledige, of officieele vertegenwoordiging van alle gemeenteleden der rechterzgde vormde zij niet. De mees ten, die op haar vergaderingen het woord voerden, konden dit alleen doen namens geestverwanten, en hadden lang niet altijd officieele opdracht of officieel mandaat.

Toch werd er telkens en telkens weer overleg gepleegd met geestverwanten, en stap voor stap werd afgebakend op een terrein, waarvan men bg het begin duidelijk erkende, dat het, indien niet onbegaanbaar, dan toch hoogst moeilijk te bewandelen zou zgn.

Voor het schijnbaar zoo gewichtige, in werkelgkheid zoo banale argument, dat men alles in de Kerk maar moet laten geworden, omdat alleen Oods Geest reformeeren en vernieuwen kan, ging men niet uit den weg. Juist omdat Gods Geest alleen orde en nieuw leven scheppen kè, a, werd er om de leiding van dien Geest herhaaldelijk en ernstig gebeden, maar nu ook vertrouwd, dat zelfs indien het resultaat louter negatief zou blijken te zijn, de „weg der saiddelen" moest betreden worden. „We kunnen voor onze kringen geen garantie geven, maar we hebben een uitgangspunt en moeten practisch werk doen."

Op de vergaderingen was op sommige cardinale punten groote, verrjissende eenstemmigheid. Zoo waren allen hst er over eens, dó, !; de kerkelijke toestanden belemmerd werden op den bloei van het kerkelijk leven. Voorts, dat er geen principieel bezwaar zou zgn, verschillende auanceering en vertegenwoordiging van verschillende zienswgze naar evenredigheid te bevorderm, wanneer niet de houding tegenover de vraag: „wat dunkt u van den Christus? " een prineipieele tegenstelling vormde. Maar ook was men het erover eens, dat deze prineipieele tegenstelling inzake de Ohristusbelgdenis verdekt wordt en verscholen gaat door de verschillende wordingstoestanden, die met name ook onder de vrijzinnigen waargenomen worden.

Eenparig was men ook van meening, dat eventueel herwaaredern nooit finantieele schade zouden mogen lijden vanwege een overtuiging, welke zij reeds hadden toen zg in de Herv. Kerk lidmaat of ook predikant werden. En dat de finantieele afwikkeling van de verhouding van Kerk en Staat spoedig moet tot stand komen zoo dat maar eenigszins mogelijk is, omdat het historische moment daarvoor is gekomen.

Ten slotte verbond men zich om ter wille van waarheid en eerlijkheid in het kerkelgk leven met alle kracht er voor te g veren, dat de belgdeniskwestie en die der richtingen in de Kerk openlijk aan de orde zal worden gesteld; en dat

Kerk in de toekomst als Belijdenis-Kerk of als open Kerk zal moeten gelden; dat in elk geval onmogelijk moge worden het beroep op verschillende regels uit het Kerkelgk Reglement, waaruit elk beginsel en elke richting kan afleiden, wat zg er uit afleiden wil, en waaruit men diametraal tegengestelde beginselen kan aflezen.

Overigens waren de meeningen vaak zeer verschillend. Sommigen meenden, dat men zou kunnen volstaan met een verzoek aan de Synode om een Constituante. Anderen wilden voorshands alleen de finantieele afwikkeling met den Staat geregeld zien. Weer anderen hielden het ervoor, dat men eerst van elkander moet weten, wat men als Christus-belgders aan elkander heeft, vóórdat men om een Constituante kan vragen. Ook waren er, die eenvoudig zouden willen vragen: reorganisatie der Kerk door afschaffing van het veto. Synode van 45 leden enz., om het materieele dan aan de toekomst over te laten. Herinnerd werd ook aan het woord van Hoedemaker: als men iemand, die lang in gipsverband gezeten heeft, op zgn beenen zet en voortzweept, dan breekt hij weer zgn been en dé, n nog erger dan de eerste maal!

Ten slotte waren allen eens, dat het goed sou zgn, de vrijzinnigen te polsen, en hun te zeggen: er komt onder ons orthodoxen bij alle verschil van opinie wel degelgk geestelijke eenheid als realiteit tot ons bewustzgn; de nood der tgden is daartoe aanleiding. Wilt gij formeel met ons meewerken in 't belang van waarheid en orde, opdat bijeenkome wat bijeenhoort en vereenigd worde wat God vereenigd heeft, doch zóó dat niemand ooit om zgne overtuiging, hoe het dan ook g-aan moge, finantieele schade Igdt? Wilt ge samenwerken tot het totstandkomen van meer ware en meer democratische toestanden in ons kerkelijk leven?

Vrijzinnigen van verschillende nuanceering, en ook vertegenwoordigers der Evangelische richting werden nu uitgenoodigd, en kwamen op 16 Mei te Utrecht bijeen. Op die vergadering werd ook dit gezegd:

Juist het beginsel van ons orthodoxen (Rom. 4 : 25 was genoemd), onze liefde voor onsterfelgke zielen maakt dat er geen vrede kan zgn, wanneer in één en dezelfde Kerk een diepe klove is, al tracht men die ook te verdonkeremanen. De Kerk is belgdend, óf ze is spreektribune. Als ze belgdend is, geldt dit den geest.en de hoofdzaak van de drie ormulieren van eenigheid. Men constateere eerlijk, dat de klove er is, en dat degenen, die niet bij elkander hooren, moeten uiteengaan. Wil men een modus viveadi met einddoel van uiteindelijk uiteengaan, best. Wil men den huldigen toestand bestendigen, of wil men het niet ? Verder werd gezegd :

Wij hebben behoefte aan verdraagzaamheid, maar we gelooven aan geen levende eenheid buiten den levenden Christus. Er is behoefte aan geestelijke affiniteit bij alle kringen, en die wordt juist in de Kerk onmogelijk gemaakt. Van moderne zgde werd o a. gezegd:

„Persoonlijk vind ik den toestand in de Kerk inderdaad onhoudbaar, 't Is geen onverdraagzaamheid van de orthodoxen, als zij zoo spreken als vorige sprekers gedaan hebben. We komen hier niet samen tot een vredesconferentie, maar om den strgd te regelen. Ware het mogelijk, dan moet een georganiseerde Kerk de belgdenis aangeven, waarbij het beginsel van de autonomie der gemeenten moet worden toegepast. Persoonlgk houdt deze spreker vast aan het Christendom als verlossingsgodsdienst. De vraag is nu: zal men ten slotte kunnen aanvaarden een zeer ruim kerkbegrip, of moet er scheiding komen ?

Alleen reeds uit deze aanhalingen ziet de lezer duidelijk, dat drie wegen werden genoemd: een zeer ruim kerkbegrip, scheiding, of een modus vivendi met einddoel van uiteindelijk uiteengaan.

Maar om deze dingen kerkelijk te kunnen behandelen, moet eerst een noodof branddeur aanwezig zijn. Vandaar het voorstel der commissie, waarvan reeds is melding gemaakt.

Ik voor mij zie de eenig mogelijke uitkomst in den derden weg. De toestanden zijn te veel in wording om een scheidingslijn tusschen rechtzinnig en vrijzinnig te kunnen doortrekken. Toch ligt daarachter een geweldig verschil van principe, niet formeel slechts, maar in levensrealiteit: Jezus alleen! Of: algemeen e religiositeit: vrije vroomheid. Zullen zich deze beginselen vrij kunnen openbaren, dan moet er komen een afzonderlgk zich constitueeren van diegenen, die voor een belijdende Kerk weinig gejoelen. Als gedoopten, die historisch 'wettig in de Herv. Kerk zgn opgenomen, mogen zij niet door overmacht genoodzaakt worden, „er uit te gaan" en finantieel nadeel te Igden. Men late de zoodanigen toe, binnen het formeele verband der Herv. Kerk vrije kringen te vormen, die materieel staan buiten het bslgdenisverband, en naar orthodox gevoelen materieel buiten de Kerk; maar waarin de kracht of onmacht van hun principe zich kan doen gelden. De Christus belijdende gemeente kan dan onbelemmerd als Herv. Kerk zich ontplooien, en zou zich gesteld zien voor de roeping, aan de dissentieerende medeleden, de dissenters, te toonen, welk een macht ten leven, ook voor de Kerk, in hun bslijdenis ligt besloten; terwijl aan de toekomst onder de leiding van Gods Geest kan worden toevertrouwd, of uiteengaan dan wel hereeniging tot diepere eenheid uiteindelijk resultaat zou wezen.

En .., mocht het resultaat het tegenovergestelde zgn, en moesten de voorstanders der belijdende Kerk in de minderheid zgn, en als bezwaarden genoopt in vrij gemeen te verband zich te constitueeren, dan zouden zij, juist als minderheid, meer dan ooit zich bewust zijn dat naar historiseh recht en naar de continuïteit des Geestes, de band met de aloude Christelijke Kerk bij hen verbleef. Want de Hervormde Kerk is geen vondst van menschen, maar zij is des Heeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's