De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid des geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid des geloofs.

9 minuten leestijd

IV.

Eén der weldaden van het genade verboüd is het geloof, dat de Heilige Geest wekt waar de wedergeboorte is gewerkt. Deze is het eerste. De ehristelgke religie, de waarachtige kennis Gods, het ware zaligmakend geloof, ze zijn slechts dddr, waar die levenwekkende daad der wedergeboorte van God is uitgegaan; wanneer Zijne stem is doorgedrongen tot in het hart van den in zichzelf dooden zondaar, en hem tot het leven heeft geroepen, is er een levende en levensaanraking tusschen God en de ziel.

Doch er ligt veel, althans er kèn veel liggen, tusschen deze eerste roerselen van het geestelijk leven en de volle verzekerdheid des geloofs.

Wedergeboorte en geloof en geloofsverzekerdheid zijn ieder voor zich weldaden van het genade-verbond, ieder op zichzelf aan werkingen van den H. Geest te danken, maar zóó, dat zij met elkaar in nauw verband staan, en ook in onze voorstelling niet los van elkaar mogen worden gedacht.

Het is natuurlgk niet ondenkbaar, en niet onmogelijk, dat de wedergeboorte en bet geloof door een groote tijdsruimte van elkander zijn gescheiden. Maar zou het waarschijnlijk zijn, en regel?

Zeker, het leven kan sluimeren, het kan latent zgn, en in geen enkel verschqnsel zich openbaren. Het kan wonder-veel gelijken op een starren, kouden dood.

Ook in het natuurlijke. Van twee boomen naast elkaar kunt gg in den vollen wintertijd niet zonder meer zeggen, of zg dood of levend zijn. Uiterlgk, op het gezicht, zijn ze in geen enkel opzicht van elkaar te onderscheiden. Het kan zeer wel zijn, dat de ééne dood en de andere levend is. En zelfs wanneer ge wist, wanneer men u verzekerde, dat slechts één der beide nog leefde, en gij moest den dooden boom zonder nader onderzoek aanwijzen, zoudt ge, één kans op de twee, u gemakkelijk kunnen vergissen.

Zou dit nu altijd zoo big ven? Of zou de tijd niet aanbreken, dat het leven openbaar werd, en de dood aan den dag kwam? Zonder twgfel.

Wanneer gij maar weet te wachten op den rechten tijd, zal de werking van het leven zich onvermijdelijk en onmiskenbaar openbaren.

Straks wordt het lente. De lucht wordt zoeler, de atmosfeer wordt mild. De zonnestralen krggen meer kracht en de stijve aardkorst ontdooit.

Dan wordt het ook wel duidelijk, waar leven is, en waar de dood heerscht.

In den stam van den levenden boom komt, onzichtbaar, een dringen en stuwen van levenssappen, door de levende wortels opgezogen uit den bodem. Er komt als een ritseling des levens; de knoppen gaan zwellen, nieuw blad ontplooit zich, de bloesem breekt open. Een weelde en pracht van jonge levenskrachten treedt aan het licht.

Als het leven er is, en de voorwaarden zgn aanwezig, onder welke dat leven kan ontwikkelen en opbloeien, dan zal het leven ook openbaar worden; het zal in levensbewegingen aan den dag komen.

Pas dit nu toe op het leven der wedergeboorte, en ge zult verstaan, waarom in den regel het geloof, dat op de wedergeboorte volgt, er niet dooreen groote tijdsruimte van zal gescheiden zijn.

Men kan wel de wedergeboorte omschrijven als de iaplanting van het geloofs-vermogen; maar vergeten mag niet, dat een vermogen als werking aan het licht komt, zoodra de voorwaarden daarvoor zgn gegeven.

Een pasgeboren kind, dat zonder lichaamsgebrek ter wereld komt, is er op aangelegd, en heeft het vermogen, te ademen, te zien, te hooren enz. Welnu, al die vermogens beginnen te werken, zoodra de gegevens ervoor aanwezig zgn. De ademhaling begint op het oogenblik, dat de zuurstof der lucht de longen binnendringt. Gansch het levens-proces zet zich voort in overeenstemming met de levens condities, waarin het jonggeboren leven zich bevindt.

En is er soms een over-bezorgde moeder, die twijfelt, of het kindeke zijn gehoor-vermogen wel heeft, alras kan zij gewaar worden, dat een plotseling g«luid het schrikken doet; een echok vaart door het teere lichaam, en een schreien bewijst, dat deze gewaarwording niet weldadig is.

Waakt soms in het ouderhart de angst op, of het kind niet blind kon zijn, dan blijkt immers spoedig de aanwezigheid van het gezichtsvermogen, wanneer een licht voor de oogen wordt gehouden. Aanstonds reageert het oog op den lichtprikkel, het gezichtsvermogen bewijst zijn aanwezigheid uit zijn werking.

Zoo nu is het, in het algemeen, ook ten opzichte van het geestelijk leven.

Het is God de Heere, die de dooden levend maakt, en de dingen, die niet zgn, roept alsof zij waren. De stem Zijner almacht is het, die ten leven wekt. Hij maakt een hoorend oor en een ziend oog.

Maar zou nu, indien dit leven er is, de levensbeweging niet openbaar worden ? Als de atmosfeer, de levens-voorwaarden aanwezig zijn, die het leven der wedergeboorte doen groeien, zou dan de levendgemaakte als een doode blijven?

Als de levens-betrekking met Christus door de inplanting in Christus gelegd is, zou dan de trekking des levens de ziel niet tot Hem zich doen keeren?

En nu blgkt opnieuw, van hoeveel beteekenis voor den enkele de gemeenschap is; hoe ook hier de gezondheid en het krachtig leven van het geheel de levens-en bestaans-voorwaarden schept, voor den enkele, voor den groei, den opbloei, de gezonde ontwikkeling van zgn geestelijk leven onmisbaar.

De Kerk des Heeren is de sfeer, waarin dit leven thuig behoort, waar het wordt gewekt en verzorgd.

Want de Kerk, het lichaam van Christus, heeft het Woord haars Gods.

In haar midden wordt dus Zijne gerechtigheid en Zijne liefde uitgeroepen, zij doet wet en evangelie hooren; zg heeft de verkondiging van oordeel en van genade; zij komt in den naam haars Gods met Zgne eischen en beloften.

Daaraan is de werking verbonden van den H. Geest. En zou nu de levendgemaakte niet hóóren, als de stem Zijner ontferming roept; zou hij er geen acht op geven, als Zijne gerechtigheid hem terneerslaat? Zou hij zichzelven, „zijn aangeboren aangezicht", gelijk Jacobus het uitdrukt, niet opmerken, wanneer hem de spiegel der wet wordt voorgehouden, en het licht der heiligheid des Heeren hem tegen straalt? Zou hij niet gaan zien, wie hg is in zichzelven ? De koestering der liefde Gods, zou hij ze niet gewaar worden; zou de kilte zijner ziel er niet onder versmelten, en zijne dorheid wgken voor de ritseling en het uitbreken van het leven ?

Het zijn en het bewustzijn vallen niet samen. Het leven is er, voordat het bewustzgn van het leven er is. Maar het levensbesef zal toch zonder twijfel ontwaken en toenemen, waar het leven eenmaal is.

De boom rekt zijn takken omhoog naar het licht, de bloem heft haar kelk op naar de zon, het dier zoekt de koestering der zonnewarmte.

Zou dan de Ievendgemaakte ziel de verkwikking der teedere ontfermingen Gods niet opzoeken, niet groeien onder de koestering Zijner vrije gunst?

De Heere God speelt toch niet met de Zijnen, in grilligheid en willekeur? Als het Hem in Zgn welbehagen behaagd heeft, eene ziel ten leven te roepen, zou Hg dan Zijn werk aan die ziel niet big ven doen ? Hij laat toch niet varen de werken Zgner handen! Het welbehagen des Heeren zal door de hand van den knecht des Heeren gelukkiglijk voortgaan.

Zoo leert het ook de gereformeerde belijdenis.

De Dordtsche leerregels erkennen ten volle de almachtige en vrq machtige werking Gods in de wedergeboorte, welke zij met de H, Schrift noemen een „vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de dooden en levendmaking", en waarvan zg getuigen, dat „God haar zonder ons in ons werkt". Zg spreken van „een gansch bovennatuurlgke, eene zeer krachtige en tegelgk zeer zoete, wonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking, die in hare kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of opwekking der dooden",

En hoe nauw naar de voorstelling der Dordtsche vaderen wedergeboorte en geloof samenhangen, blijkt ten duidelqkste uit hetgeen dan op deze uitspraak volgt: „zoo, dat al degenen, in wier harten God op deze wonderbare wijze werkt, zekerlgk, onfeilbaar en krachtig wedergeboren worden en metterdaad gelooven".

Dit geloof is een gave Gods; al is het, naar de Dordtsche leerregels het juist uitdrukken, „dat de mensch door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert", toch niet zoo, als zou het aan den vrgen wil des menschen van God worden aangeboden; ook niet zoo „dat God de macht alleen om te gelooven zou geven, en daarna de toestemming tot het metterdaad gelooven van den vrijen wil des menschen zou verwachten", maar dat „Hg, die daar werkt het willen en volbrengen, ja alles werkt in allen, in den mensch teweeg brengt beide den wil om te gelooven en het geloof zelf".

Ten volle willen wij met de H, Schrift en de beliijdenis de almogende werkzaamheid Gods erkennen, die door den H, Geest de Bewerker is zoowel van de wedergeboorte als van het geloof.

En evenzeer wenschen wij, gelijk ook de Dordtsche leerregels dat doen, het verband in het oog te houden tusschen wedergeboorte en geloof.

Men kan de wedergeboorte noemen de inplanting van het geloofsvermogen Maar vergete dan daarbg niet, dat zulk een vermogen, afgescheiden van zgn werking, slechts een product onzer voorstelling is, en zgn aanwezigheid zal doen blqken in zijne werkingen, zoodra de levens condities daarvoor aanwezig zijn.

In den regel zal iemand, die wedergeboren is, die leeft binnen den kring van het Verbond Gods, die onder de beademing is van het levende Woord Gods, de levensopenbaring doen zien, de levens-bewegingen laten merken, die van deze wedergeboorte blijk geven.

Hiertoe behoort, als één der door den H. Geest gewekte werkingen, ook het geloof.

In den regel zal uit de wedergeboorte het geloof voortvloeien. Gelijk ook Calvgn het uitdrukt, wanneer hij spreekt van „het geloof, waardoor al degenen, die door God tot Zijne kinderen zijn aangenomen, het bezit ontvangen van het Koninkrijk der hemelen".

Zielkundig is het, naar wg meenen, niet juist, een groote tgdsruimte aan te nemen tusschen wedergeboorte en geloof.

Voor de juiste schatting van wat het geloof is, is dit van groote beteekenis. Terwgl verder de vraag naar de zekerheid des geloofs, gelijk ieder begrgpen zal, op het allernauwst eamenhangt met de andere: wat is het geloof ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De zekerheid des geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's