Stichtelijke overdenking.
Het volk, dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien ; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezulken zal een licht schijnen, Jesaja 9:1.
Licht in de duisternis.
Gods Woord is rijk aan treffende beeldspraak.
Het volle rijke natuur-en menschenleven biedt een keur van beelden en gelijkenissen, waarin Gods Geest ons op levendige en aangrijpende wijze de geestelijke dingen vertolkt. Hoe ontroerend schoon teekent ons het beeld van 't moe gejaagde hert, dat smachtend hijgt naar koele bron, het dorsten der ziele naar den levenden God. De vogelen des hemels en de leliën des velds doen dienst om te getuigen van de zorgende Hand Gods, die alles bekleedt.
Dit moet ons niet verwonderen.
Immers éénzelfde Hand heeft alles geschapen; De Schepper van den hemel is ook de Schepper van hemel en aarde, Geestelijk is ook de schepping van de aarde. Geestelijke en stoffelijke dingen liggen niet zóo ver uit elkaar als de mensch weleens meent. Daar is verband. Wij hebben hier twee zgden der ééne schepping Gods. Hoe dieper wij in deze waarheid inleven, hoe duidelyker ons Gods sprake ook uit de wereld der natuur zal tegenklinken.
Ook 't Schriftwoord, dat hierboven staat afgeschreven, wil daaraan gedacht hebben.
Hier is sprake van duisternis en licht, m en wie nu maar eenigszins met de beeld a spraak des Bijbels vertrouwd is, verstaat onmiddelijk dat hier geestelqke dingen worden aangeduid.
In de natuur is de duisternis 't benauwende, het angstwekkende, het gevaarlijke; de donkerheid beneemt ons den aanblik van de schoonheid der werken des Eeuwigen.
En dan moet gij niet denken aan dien sterdoorvonkten helderen winternacht, die als 't firmament fonkelt en schittert door myriaden van tintelende hemellichten; neen, maar aan den maan-en sterloozen stormnacht, wanneer de hemel zoo zwart is als inkt en de donkerheid angstaanjagend.
Daar hebt gq 't beeld der geestelijke verlorenheid, die 't gevolg is van de zonde. Hierdoor wordt aangeduid die toestand van schuld en ellende, waarin den mensch. wegzonk, die zouder God in de wereld is, zonder hope voor de eeuwigheid.
Neerwerpende beeldspraak!
De mensch moge zich inbeelden, dat hij rijk en verrijkt is, hier wordt hem van Godswege geleerd, , dat hij arm en blind en naakt is. O mensch, zoo wordt 't hem hier toegeroepen, misleid uzelf niet; gij voedt uw ziel met schijn; zonder God in de wereld mist gij wat u alleen gelukkig en stil kan maken; gij zijt als degenen die omdolen in den donkeren stormnacht.
Eens was 't anders. Eens baadde zich uw levensakker in een stroom van goddelijk licht. Eens , maar ach, hoever ligt dat achter u.
Kom tot inkeer. Geef u rekenschap, wie en waar gij zijt.
Het is een ontroerende, een ontdekkende en benauwende prediking, die in dat woord duisternis tot ons uitgaat. Hier is sprake van een volk, dat in duisternis wandelt, dat maakt 't niet beter. In duisternis zitten is bang, maar wandelen in die donkerheid is nog erger. En ons leven is 'n voortgaan, voortdurend in beweging; nooit rust de zweep des drijvers. Daar is geen verpoozing. Zonder oponthoud gaat 'tal maar voort; eiken dag brengt ons een schrede verder op den weg der duisternis. In de donkerheid voortgaan in gevaarvol. Wie waarborgt u dat ge 't volgende oogenblik nog op den goeden weg zgt, dat ge dan niet wegzinkt in 't zuigende ge of neerstort in den bodemloozen moeras afgrond.
Voorttreden op ongekende wegen stelt u bloot aan bange zwarten.
Zoo gevaarlijk, neen nog gevaarlijker is nu het leven zonder God en Leidsman, zonder Borg en Toevlucht. Ieder oogenblik kunt gij neerstorten in den afgrond der eeuwige verwoesting; Wie waarborgt u dat de volgende stap u niet zal verstrikken in de netten des doods? , In duisternis wandelen, voortleven zonder God en zonder hope, hoe nameloos arm. Zonder God, en dan een mensch, die om gelukkig te zqn, moet kunnen zeggen: in God is al mgn heil, mqn eer!
Zonder God in den voorspoed des levens; dat gaat nog, meent ge misschien ? Neen, lezer, dat ook niet. Dat maakt u opgeblazen, hoogmoedig, een mammonslaaf; en ge hebt toch niet genoeg van 't goed, dat vergaat!
Arm is de rgke, met al zijn goed, als hg 't niet leerde zien als gave Gods; dat geeft er alleen zijn waarde aan. De arme weduwe, die van dag tot dag uit de hand baars Hemelschen Vaders leeft, ziet in de schamele bete meer dan de rqke wereldling in al zijn goud en purper, weelde en schatten; goud is koud.
En in den nood der tegenheden beteekent zonder God zonder Trooster en Toevlucht, tot wien ge u kunt wenden om hulp. De menschen zijn 't lied uwer klachten zoo spoedig moe, maar de Heere zegt: in de benauwdheid zal Ik bij u zijn.
Gelukkig de mensch, wiens oog er voor geopend wordt, dat hij in duisternis wandelt.
Want van nature leeft de mensch als een slaapwandelaar, onbewust van 't gevaar dat hem bedreigt.
Tot dat God hem richt, door Zgn licht; dat is reddend Licht.
Denk u 'n reiziger, in de onbekende bergstreek verward door de vroeg invallende duisternis. Een onweder breekt los; ijlings spoedt hij zich voort om beschutting tegen het noodweer te zoeken in het naaste dorp. Masr de duisternis is zoo groot, dat hij niet bemerkt heeft dat hij van den weg afraakte en op 'n diepen afgrond toeliep. Opeens schiet een vlammende bliksemschicht door 't donker zwerk en toont hem den afgrond, die aan zijn voeten gaapt; deze lichtflits doet hem ten zeerste ontstellen, maar is nochtans zijn behoud, want nog één stap verder, en hij was verloren.
Zoo doet God den lichtstraal Zijns Geestes vallen in 't nachtzwarte zondaarsleven en toont hen 't dreigend gevaar; 't ontrust en beangstigt hen, maar is toch zijn aanvankelijke redding; dan durft hij geen stap verder zonder God, en hij roept: Heere, help mij, ik verga. God geeft ons een oog om de duisternis te zien ; Hij rukt den blinddoek van de oogen, en ontdekt ons door de lichtflits Zgns Geestes de diepe ellende, waarin wg verkeeren als wij zonder God voortleven.
Alles ontzinkt dan den menseh; zijn deugd en werk, zijn vroomheid en gerechtigheid, zijn kracht en wgsheid, zijn geluk en voorspoed, zijn vrienden en liefhebbers, en hem blijft niet anders over dan de monsters van zonde en schuld, van dood en hel, wier verzengende adem hem brandt in 't aangezicht.
Zg wandelde in duisternis, maar opeens straalde een groot licht, dat heel den omtrek verlicht als de dag, dat de gevaren blootlegt en de zwakheid doet gevoelen, en dan verdwijnt dat licht. Dat „groote licht", dat als een bliksemflits 't pad verlicht, doet 't met één blik zien, dat de mensch niet rijk en verrgkt is, maar arm en blind en naakt. Merk op, lezer, dat er nu in de tweede plaats sprake is van degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods; wandelen is wonen geworden.
De zondaar zinkt neer, als hij ziet welke gevaren hem bedreigen.
Hg kan niet verder. God houdt hem staande. Die lichtflits werpt hem neer; als Saulus op den weg naar Damascus. En als straks dat lioht weer verdwgnt, dan is zgn nacht nog zwarter; dan is 'teerst echt duister, de duisternis is aangegroeid tot schaduwe des doods; de mensch weet zich dood in de zonde en misdaden ; hij voelt zich des doods schuldig ; daar woont hij, dat beduidt, hg durft niet verder, hij weet niet waarheen. Vroeger ging dat nog wel; hg vertrouwde op eigen kracht en wgsheid, hg zou er zich wel doorslaan. Maar nu zgn alle rietstaven gebroken; ze hebben hem de handen doorboord. Hg wil vluchten, maar kan nergens heen. Daar ligt hg neer, bij den gapenden afgrond; Heer', waar dan heen ?
Alles ontbreekt hem; totdat hg uit dien groeten nood leert zuchten tot den Heere. Straks licht de morgenstond aan ; nu gaat er een licht over hem sehgnen; nu geen groot licht meer, maar een schijnend, een blijvend licht; dat groote licht, die vlammende straal van 't ontdekkend Geesteslicht, sterft straks weg en doet de duisternis aangroeien tot schaduwe des doods, waarin hij moet omkomen en ondergaan; maar... die zijn leven verliest, die zal 't behouden; 't tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft, dat brengt vrucht voort.
Op Gods tijd daagt 't licht, dat niet meer ondergaat; 't vangt aan als de morgenschemering, die de dingen in vage omtrekken uit den schoot der donkerheid doet voorttreden de blindgeborene zag de menschen eerst aan als-boomen.
Zoo begaat ook de herboren zondaar menige vergissing, maar 't licht blijft, 't schijnt voort; 't groeit en klimt hooger, en wordt al helderder, o dat is de Zonne der Gerechtigheid, de heilige Christus-Zonne, die al hooger klimt en nooit meer ondergaat.
Welgelukzalig de mensch, die bij dat schijnend licht zgn weg mag gaan.
Groot is 't goed, dat God voor Zijn volk heeft bereid. Welk een rijkdom: Licht is leven; 't verdrijft de schaduwen des doods; Christus getuigt van Zichzelf: Ik ben het Leven, die in Mg gelooft, zal leven, 't Ware leven is de verzoening met God, de herstelling in Zijne zalige gemeenschap, O, verlaat u op Hem, die de doodsschaduwen verandert in morgenstond, Heere is Zijn naam. Door 't land der doodsschaduw leidt u 't schgnend licht van de Zonne der Gerechtigheid.
Licht is blijdschap ook; als droefenis ons treft, maken wij 't donker in onze huizen, ten teeken van rouw. Hoe somber is 't in dat halfdonkere klaaghuis.
Maar in 's levens hoogtij werpen wg luiken en vensters open, en doen 't licht instroomen in ons huis, want wg zgn blijde. Ware, eeuwige blgdschap is er alleen in dat leven, waarover Christus' Zonne is opgegaan.
Licht baart ook genezing; de medische wetenschap verricht wonderen van genezing door het licht. Door bestraling met het louterend zonnelicht worden soms de meest hardnekkige wondeplekken of krankheden genezen. O, dat licht dat afstraalt van de Zonne der Gerechtigheid brengt genezing voor de wonden der zieke. Die Heilzon doet wonderen. Zg heelt gebrokenen van harte, en Zij verbindt ze in hunne smarte, die in hun nooden en ellenden, tot Haar zich ter genezing wenden.
Licht geeft ook veiligheid, 't Boos en misdadig gebroed schuilt weg onder de vlerken van den nacht, 't bespiedt en bespringt u in duistere plaatsen.
O, als Christus over u lichten mag, laat dan de hel vrg woeden; maar zij woedt niet in het licht; zg ontvliedt den morgenglans van Christus' Werk; zg is krachteloos en machteloos tegenover al degenen, die met heel hun hart bij Christus schuilen, als den Heere hunner gerechtigheid.
Licht is ook gerechtigheid; de werkers der ongerechtigheid schuwen het licht; maar die waarlgk en in oprechtheid den naam van Christus noemt leert afstaan van alle ongerechtigheid.
Het is onmogelijk, wie Christus met een waar geloof is ingeplant, dat hg niet zou voortbrengen de vruchten der dankbaarheid.
En eindelijk. Licht is eeuwige heerlijkheid: als de apostel de schoonheid beschrijft van 't nieuwe Jeruzalem, dan zegt hij ook: en aldaar zal geen nacht zgn; daar is 't eeuwig Licht; die stad behoeft zon noch maan, want de heerlijkheid Gods is haar Licht en 't Lam is haar Kaars.
De Heere is mijn Licht, mgn Heil, wien zoude ik vreezen!
Lezer, dat alles nu is in den Christus Gods, Wiens komst in het vleesch wij straks weer zullen gedenken. Het is adventstgd. Wg zijn in de weken van voorbereiding, opdat wij in de rechte gestalte zullen opgaan naar Bethlemens kribbe. Wij lèeren onze kinderen in deze dagen zingen: hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gg zijn begroet? O, leve deze vraag biddend en kinderIgk ook in ons hart! Daar is oorzaak voor.
Het is niet hetzelfde, hoe wg opgaan, met welke begeerte en overleggingen, naar Efrata's velden. Ach, gij kunt gemakkelijk zoo gaan, dat engelen en herders, kribbe en stal, u niets te zeggen hebben; als gg gaat met 'n zelfgenoegzaam, eigengerechtig, wereldschgezind hart, dat zijn even zoovele struikelblokken voor 'n ziele-zegenend Christus-feest, Hg wil, dal wij tot Hem zullen komen met wonden, die genezen; met tranen, die gedroogd; met zonden, - die verzoend; met schulden die gedelgd moeten worden; tot Hem, als tot den Algenoegzamen Heiland van zondaren.
O, toone ons dan de lichtflits van ontdekkende - Geestes-genade, dat wg verloren zgn in schuld en zonden; sluit uw oog daar niet voor; 't is waar, dat „groote licht" beangstigt, maar 't redt ook van een wis verderf; 't nagelt u vast aan de plek, wear gij staat, 't werpt u neer en ontlokt u den noodkreet om gena; heer Igk, want gij hebt te doen met een God, die zegt: op uw noodgeschrei, doe ik groote wonderen.
Als u die lichtflits neerwierp, 't was om u te redden; gij moet 't zelf erkennen, dat ook gg eertgds, als de anderen, voortdarteldet langsdegevaarlgkste paden, onbewust, als 'n slaapwandelaar in een dakgoot, als een die sluimert in den top eener mast,
O, nu leidt Hg u voort door het land der doodsschaduwen naar den stralenden morgenstond van den eeuwigen dag. Aan 's Heeren hand gaat 't door den nacht tot den morgen, door den dood tot leven; o gaan wg dan |aan Zijn hand naar Efrata's velden.
Ja, laat ons gaan naar Bethlehem Met 'n hart, dat schreit om Hem, Die van 's hemels lustwarand Neerdaalt naar dit schaduwland!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's