Leestafel.
De Synode en d« kerkegoederen door Mr. L. J. van Apeldoorn, advocaat te Leeuwarden. Uitgave: Meyer en Schaafsma te Leeuwarden.
Het is nu bgna honderd jaren geleden, dat de Synode der Ned. Herv. Kerk voor 't eerst de hand uitstrekte naar het beheer der kerkegoederen. In het jaar 1824 toch nam de Synode in een reglement voor de kerkeraden de bepaling op, dat de kerkeraad „toezicht en medebestuur" zou uitoefenen over de „gemeentefondsen en eigendommen". De Koning weigerde evenwel de bekrachtiging, waarna de Synode deze bepaling liet vervallen.
Vgftig jaar later, in 1874, was de kwestie nog niets gevorderd en het was mr. de Kanter die in zgn boek , Het kerkelgk vraagstuk" schreef:
Men vergete de beheerskwestie niet langer. De Synode doe iets; zij verklare zich competent of incompetent, dan weet men, waaraan zich te houden. Maar men make een einde aan het gehaspel, dat thans de regeling dezer zaak telkens verschuift tot groot en onberekenbaar nadeel van de tallooze daarbg betrokken belangen".
Een zelfde geluid deed in 1890 prof. Cannegieter hooren, toen hg verklaarde :
„Het komt mij voor, dat, zooals de zaken nu staan, de Synode eerlang één van tweeën zal moeten doen, óf zich onbevoegd verklaren en daarmede alle gedachte aan een regeling van het beheer harerzijds voorgoed van zich afzetten óf zich bevoegd verklaren en dus terstond de noodige maatregelen nemen om langs kerkelijken weg tot eene voor de geheele Kerk verbindende regeling van het beheer te komen".
Uit dit alles, ontleend aan het woord ter inleiding van het boekje, welks titel we hierboven afsehreven, kunnen we gewaar worden, dat het gaat over de kwestie van de al of niet bevoegdheid der Synode in takt de regeling van de kerkegoederen.
Wat verwarring heerscht hierl De een is een voorstander eener Synodale beheersregeling, de ander ii er tegen. En er hangt toch zooveel van af, om in deze te weten wat nu goed en niet goed is. Temeer waar de scheiding tusschen bestuur en beheer voor de Kerk zoo groote bezwaren meebrengt. Reeds dadelijk hierom, wijl besturen onmogelgk is, indien men niet beschikt over de noodige gelden ter bestrijding van de kosten, welke daaraan noodzakelgk zijn verbonden. En wat zou het met de predikantstractementen op vele plaatsen niet veel beter gesteld zgn, indien de Synode aan de kerkvoogdijen de verplichting kon opleggen, uit hare vfiak rgke fondsen een gedeelte voor dit doel af te staan. Terwgl ook in de gemeenten zelve de scheiding tusschen bestuur en beheer somtijds leidt tot ongewenschte verhoudingen. Bij conflicten tusschen kerkeraad en kerkvoogden zijn toch de laatsten gewooclgk de meerderen, omdat nu eenmaal het sterkst is hij, die beschikt over het geld.
Voor de Kerk is het dus itan 't grootste belang om te komen tot een goede kerkelijke regeling van het beheer. Èa het is dus volkomen begrijpelijk dat zij, die aan de bevoegdheid der Synode in deze niet twgfelen, met ongeduld het talmen van het Kerkbestuur gadeslaan. Indien de Synode dan ook bevoegd is tot regeling van het beheer, dan is zg daartoe ook verplicht Maar voor haar dralen zal wel geen andere verklaring zgn, daü dat zg niet overtuigd is van hare bevoegdheid; haar eindeloos talmen scbqnt wei gelgk te staan met een onbevoegd verklaring.
Toch geven de voorstanders eener Synodale beheersregeling den moed niet op. Ook in dit jaar hebben zij voor de rooveelste maal deze zaak in de Syuode aan de orde gesteld. En met aanvankelgk succes: de Synode besloot de beheerskwestie ter hand te nemen.
Maar — zoo gaat mr. van Apeldoorn voort — voor mg staat het vast, dat de Synode niet bewegd is om het beheer te regelen. En hg maakt dan de gronden, waarop deze meening berust, openbaar. Zgn onderzoekingen naar den rechtstoestand der kerkelqke goederen vóór 1795 hebben hem tot conclusies geleid, welke in velerlei opzichten afwijken van wat daarvóór gewoonlijk als waarheid werd aangenomen. En zgn antwoord op de vraag, welke van zuiver juridischen aard is, of de Synode eene de beheerders der kerke-goederen bindende^ beheersregeling kan vaststellen, ia dan ook ontkennend.
Om dan aan te toonen welke tegenwoordig de rechtstoestand der kerke goederen is, gaat mr. van Apeldoorn de ontwikkelingsgeschiedenis van den rechtstoestand k dier goederen na, waarbg hij zich bepaalt tot de provincie Friesland, omdat s hg daarmee 't best op de hoogte is en zijn betoog mist op deze manier dan toch niet alle waarde voor de andere provincies En voor Friesland treedt de onbevoegdheid der Synode het duidelgket aan het licht.
Wat is nu het eigendomsrecht van de kerke-goederen?
Want de vraag, wie als eigenaar van de kerke-goederen moet worden beschouwd» is voor een juiste beoordeeling van de beheerskwestie van overwegend belang In 't algemeen toeh heeft de eigenaar het recht zgne goederen te beheeren, zonder inmenging van anderen. Mocht de Synode hiervan doordrongen zgn, dan bestaat er gegronde hoop, dat zg alle pogingen om het beheer te gaan regelen zal laten varen.
Dat de kerke-goederen eigendom zgn van , de Kerk" is, zoo zegt mr, van Apeldoorn, niet de gangbare meening. Dr. Kromsigt c.s. mogen dat meenen, toch is het niet juist. Ook is niet juist (zooals prof. Cannegieter voorstelt) dat de gemeente eigenares is. De rechtstoestand der kerkelgke goederen zoowel vóór als na de Reformatie beantwoordde aan wat wg stichtingen noemen. En de vraag is nu maar of daarin sinds de Revolutie van 1795 verandering is gekomen. Men beweert soms van ja (zoo b.v. prof. Cannegieter) maar mr. v, A. zegt, dat er niets in den eigendomstoestand veranderd is, zelfs niet in het bezit.
Vóór de Reformatie hebben de inkomsten der kerkegoederen gestrekt ten behoeve van de uitoefening van den Katholieken eeredienst. Met de Reformatie echter had de Overheid de Gereformeerde religie geproclameerd als de ware christelijke religie. Het gevolg biervan was geweest, dat voortaan de inkomsten der kerkegoederen uitsluitend voor die religie moesten worden gebruikt. Maar in den eigendom der goederen was hierdoor gieene verandering gekomen; alleen de bestemming had zich gewijzigd
Zoo bleef het tot 1795. Toen liet de Overheid het tot dusverre door haar ingenomen standpunt, krachtens hetwelk alleen de Gereformeerde religie als de ware gold, varen. Voortaan waren alle godsdiensten voor haar gelgk en.nu moesten de inkomsten der kerkegoederen ook aan endere gezindten komen dan aan de Gereformeerde, 't Welk ook bg de Staatsregeling voor het Bataafsche volk, in 1798, in beginsel wordt erkend; terwgl de Staatsregeling van 1801 dat bestendigd heeft.
De kerkegoederen bleven stiehtingigoederen, en sindsdien heeft de wetgever daarin geen verandering gebracht.
Is alzoo een betoog geleverd over het eigendomsrecht van de kerkegoederen en bewezen dat het geen eigendom van , de Kerk" en ook niet van , de gemeente" is, maar itichtingsgoederen zgn, in den breede wordt dan de geschiedenis van het beheer dier goederen nagegaan.
Vóór de Reformatie geschiedt de benoeming van de „Kerkvoogden" in Friesland — welke provincie in 't bizonder behandeld wordt — door de parochianen die „schotschietende huizen of ploeggangen" in eigendom of gebruik hadden; door „eigen erfden", „hóevenbezitters", terwgl de Kerkvoogden rekening en verantwoording moeaten doen, zoo noodig, aan de wereldlijke Overheid; het Hof van Friesland, Krachtens een ordonnantie van het Hof van Friesland van het jaar 1542, welke tot het einde der 18de eeuw is blijven gelden, was voor verkoop van goederen de toestemming van het Hof noodig
Na de Reformatie zijn het de eigenerfde boeren, zonder onderscheid van religie, die de Kerkvoogden benoemen; onder hen trof men vele Papisten en Mennonieten aan, terwgl de Gereform. religie hare aanhangers meer telde onder de „Koters", die in deu regel geen hoeve en ook geen stemrecht hadden, noch in de beroeping van predikanten, noch in de verkiezing van Kerkvoogden.
Eerst in 1647 werden de Katholieken van die verkiezing uitgesloten ; maar de Doopsgezinden bleven daartoe gerechtigd. De Gereformeerde gemeente als zoodanig stond geheel buiten het beheer. H«t waren ook niet hare goederen die beheerd moesten worden. De eigenaars van schotschie ende huizen hadden het beheer krachtens eigen recht. De Overheid had het toezicht en jaarlgks moest van het beheer van de kerkegoederen rekening en verantwoording worden gedaan aan het College van Gedep Staten. De beheersorganisatie stond van onder tot boven buiten alle kerkelijk verband.
De Revolutie bracht verandering. Alle mannen boven de 20 jaren werden stemgerechtigd verklaard, zonder onderscheid van „geboorte, gegoedheid, godsdienstbegrippen of bedrgf." De „kapitalisten" waren van de baan geschoven in naam van de „democratie." Het onderscheid tusschen bestuur en beheer werd hierbij gehandhaafd. De lidmaten der Geref. gemeente kregen het recht van beroepen van een predikant uit een nominatie van 3 personen, door den Kerkeraad op te maken. Maar de Geref. gemeente als zoodanig stond buiten het beheer. De kerkegoederen waren ook geen eigendom van de Kerk, maar van zelfstandige stichtingen, waarvan het beheer was opgedragen aan „alle manspersonen zonder onderscheid van godsdienst, welke in die stad of in dat dorp woonden."
De scheiding tusschen bestuur en beheer il ook gebleven van 1804—1823. Terwgl de beroeping der predikanten werd geregeld door de Synode, werd het beheer der kerkegoederen geregeld door het Departementaal Bestuur, zonder eenig protest van de zgde der Kerk. Het werd nu gevoerd door Kerkvoogden, die nu benoemd werden door en rekenplichtig waren aan de floreenplichtigen van den Herv. godsdienst, wonende in of buiten het dorp, waar de verkiezing moest plaats hebben.
Het Algemeen Reglement van 1816 bracht geen verandering in het beheer. Het droeg aan de Synode op „het hoogste kerkelijk bestuur", maar gaf haargreenerlei bevoegdheid ten aanzien van het beheer. Dat werd afzonderlgk geregeld Kerkvoogden moesten worden benoemd door de floreenplichtigen, die geen lidmaten van de Herv. Kerk behoefden te zgn en ook niet behoefden woonachtig te wezen in het dorp, waarin de verkiezing van Kerkvoogden moest plaats hebben; ook de Kerkvoogden konden buiten het dorp wonen.
Zooals de Koning dus het beheer van èodere stichtingen geregeld heeft, heeft hg ook gedaan met de kerkegoederen; met beroep op „een regt, door de Souvereinen dezer landen sedert de Reformatie onafgebroken uitgeoefend".
Het Kon. Besluit van 9 Febr. 1866 St.bl No. 10 luidt een nieuw tijdvak in ten aanzien van het beheer der kerkelgke goederen. Men wilde de Herv, Kerk gelijke vrijheid verzekeren als door andere gezindheden genoten werd en men wilde de rechtstreeksche tusschenkomst van den Staat doen ophouden in zake het beheer.
De feitelijke gevolgen hiervan zgn bekend, In Friesland hebben bijna overal de floreenplichtigen het veld geruimd en is het beheer in handen gekomen van door de Hervormde gemeenten gekozen Kerkvoogden ; 't welk zeer zeker in 't belang der Kerk is.
Maar de vraag is nu maar, of de Hervormde gemeente, die de regeling van het beheer voor zich heeft opgeëischt, ook bewiizen kan of zg daartoe gerechtigd is. En dat betwgfelt mr. van Apeldoorn ten sterkste. De rechtbank heeft in de kwestie van Oosterend (1876) geen onderzoek ingesteld naar het eigendomsrecht van de kerke-goederen.
De conclusie van mr. van Apeldoorn is dan ook: dat de gemeente na, 1 Oct, 1869 rechtens evenmin aanspraak kon maken op het beheer of de regeltng daarvan als daarvóór Zg heeft echter omstreeks het jaar 1880 feitelijk dat beheer in banden gekregen. Nu zg het eenmaal heeft, zal wel niemand haar daaruit kunnen verdringen, omdat er niemand is die rechten op dat beheer zou kunnen doen gelden.
Alles dus kort samenvattend kan gezegd worden:
De kerke goederen zgn geen eigendom van de Kerk, noch van de Herv. gemeenten. Ze zgn eigendom van stichtingen.
Er is altgd scheiding geweest en gebleven tusschen bestuur en beheer. Allerwegen worden de kerke-goederen beheerd door een college van Kerkvoogden, dat buiten de bestuursorganisatie staat, en geenszins door den Kerkeraad, die de gemeente alleen vertegenwoordigt voorzooveel hare geestelijke belangen betreft.
Hieruit volgt de onbevoegdheid van de Synode tot regeling van het beheer als vanzelf.
We behoeven niet te zeggen, hoe belangrijk deze populaire studie van mr. van Apeldoorn is, die ons hier in dit boekje „de Synode en de kerke-goederen" gegeven wordt, waarvan we slechts enkele dingen vluchtig hebben aangestipt.
Men koope vooral in deze dagen dit boekje en men bestudere deze kwestie rustig om er straks op onze kerkelijke vergaderingen mee voor den dag te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's