Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 55)
Zijn vrouw was wel niet wild, doch ze moest toch maar in 't krankzinnigengesticht, anders verliep de winkel ook nog, en dat ware wel de grootste ramp van de wereld.
En wat moest hg nu met die kleine kinderen aanvangen? — Waren ze maar oud genoeg om hem te helpen en mee te verdienen !
Gelukkig hadden Wijnand en Ombra hier den man leeren kennen, en zig ontfermden zich over de kleintjes.
HOOFDSTUK XIX.
Wijnand en Ombra hadden nu vier kinderen, allen meisjes; met de drie van Roosje er bij was het huis er vol. Maar hoe lief de kinderen ook samen waren, Ombra voelde haar ziel vol jammer over haar lieve zuster, en haar leven was nu een gedurig terugkeerende treurnis, soms gemengd met wrevel tegen den man, die zijn vrouw had vermoord. En nu vergat ze haar Jezus, die de treurigen troost, niet; nu had ze wel tien plekjes, waar ze telkens alleen kwam om haar ziel uit te storten voor den Eenige, dien ze altijd gereed wist, om naar haar te luisteren.
Roosje's toestand was haar een oorzaak van aanhoudende smart, en de smart dreef haar immer naar haar Heere en God. En dan stond ze soms te wikken en te wegen, of ze die smart zou afbidden, of dat ze er den Heere voor zou danken.
Willem keek naar zijn vrouw bqna niet om, want hg kon niet van huis. En Ombra ging immers toch vaak genoeg haar bezoeken !
Ja, ze ging er vaak heen, en soms met haar man. Roosje werd immer stiller en wezenloozer en herkende weldra Ombra zelfs niet meer. De dokter zei, dat ze niet zou herstellen, maar ook niet oud zou worden.
Gelukkig, dat het best ging met de tuinderg, want er was nu veel inkomen noodig. WilUm betaalde wel iets voor zijn kinderen, maar zoo schriepig, dat Wijnand en Ombra 't soms liever weigerden. Doch om de kinderen van Roosje bewaarden ze maar liefst den vrede. Vader Hofkamp kwam nu en dan na.ar zijn kinderen en kleir. kinderen zien, doch ging steeds Willems deur voorbij. Moeder kwam slechts zelden, omdat ze er den tgd niet voor had, maar of vader, of moeder kwam, altijd klaagden ze over de krapte, en kregen van Ombra immer wat goeds mee naar huis.
Vader had het nu druk, omdat hg alles alleen moest doen; hij huurde nu maar weinig land, doch moest ook voor den pot zorgen, omdat moeder nog altijd heele dagen met negotie den boer op was. De oude slavin begon geheel krom te groeien en werd zoo mager en rimpelig, of ze verdroogde, maar haar gelaat behield steeds den bevroren lach, en daarom meenden de menschen, dat ze altgdnog vol levenslust was, en wisten ze niet, hoe de moeiten des levens haar wegknaagden.
Ombra was nu een heelen tgd niet bg Roosje geweest, omdat haar bezoek eigenlijk geen beteekenis meer had; 't was als het gaaa naar een graf. En toen eindelijk besloten was, dat ze toch nog eens zou gaan, kwam er bericht, dat de patient was gestorven.
Ombra had soms overlegd, of 't niet alleen voor Roosje, maar ook voor haar zelf niet beter was, dat de Heere dat arme kind tot zich nam. Die altijd knagende weemoed zou dan ophouden, als ze wist, dat haar zuster van dit smartelijk lijden verlost en altijd bij den Heere zou wezen. En nu was ze gestorven, en Ombra voelde 't wel als smart, dat ze haar lieve Roosje nooit meer op aarde aou zien, maar genoot toch ook van 't weten, dat haar goede, lieve zuster verlost was van groot leed, en dat zij haar terug zou vinden bg haar Jezus.
Ea toen naderde de dag der begraving, en vader kwam, en moeder kwam, en — vader weende over zgn jongste dochter. Ombra had hem wel, als hij dronken was, vroeger zien schreien, maar nuchter nooit. Nu voor 't eerst, en die tranen van vader waren haar big deze smart 't liefste, 't troostrijkste, wat ze zich op aarde kon denken. En 't jammerde haar dan plots niet meer om haar zuster, maar om haar vader, en snikkend viel ze hem om den hals, haar gelaat tegen 't zgne, en de oude man jammerde als een kind. 't Was of die twee alleen op de wereld waren en zich daarom aan niemand behoefden te storen, en Ombra troostte haar vader en zei:
„Vader, Roosje is bij haar Jezus. Wij schreien, maar zij zingt nu, want haar leed is ten einde".
„Ja, ja. Ombra! ik weet het, ik weet het, " zei hg snikkend en liep de deur uit.
Oom Johannes kwam ook mee te begraven. Ombra had daarover wel gedacht, maar niet durven hopen, dat hij zou komen. En zoodra ze hem zag, werd ze blijde, want nu zou dit somber bedrijf slechts de bolster zgn, waaruit het heerlijkste, wat haar ziel behoefde, zou te voorschgn en in haar bezit komen. Want — oom Johannes zou nu wel bidden!
Totdat de kist gesloten zou worden, had Ombra gehoopt, dat haar vader oom zou verzoeken, om eerst te bidden, doch ze zag nu wel, dat daarvan niets kwam.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's