De zekerheid des geloofs.
VI.
Het geloof, dat zich op het Woord Gods richt, kent de waarheid zoowel van de wet als van het evangelie^ van de belofte der genade niet minder dan van den eiseh van 's Heeren gerechtigheid.
Deze beide mogen, naar de gereformeerde opvatting, niet gescheiden worden.
Alleen wannéér men met beide rekent, komt het geloof in zgn volle en ware beteekenis tot zijn recht.
Niet: het evangelie alleen; nog minder: de wet uitsluitend; maar beide hebben beteekenis in de openbaring, hebben daarom hun plaats in het Woord Gods, hun middellijk aandeel in de bekeering en het geloof.
In het genade-verbond immers gaan zij altgd samen; indien de genadige belofte er niet was, zou het ook geen verbond der genade zijn. Indien de genade niet voorop ging, zou het niet het verbond zijn van dien God, van Wien Johannes zegt: , God is liefile."
De Souvereine God, de Schepper van hemel en aarde, de Gebieder van al wat leeft, laat niet af van den eisch Zgner volmaakte gerechtigheid. Indien Hg dat deed, zou Hij niet zgn, die Hij is: de vlekkeloos Heilige, de volmaakt Rechtvaardige.
Doch die eisch Zgner gerechtigheid en die belofte Zijns heils, ze gaan in het genade-verbond als hand aan hand.
En daarom, men schelde ze niet, en erkenne de plaats, den ouderlingen samenhang van beiden ook in het leven des geloofs.
Niet zonder reden zegt onze Catechismus, dat God het heilig evangelie, d. i. de bigde boodschap des heils, eerst zelf in het Paradgs geopenbaard heeft. (Zond. 6).
En hoe is dat geschied?
Zóó, dat de belofte voorop ging. Over de slang werd de vloek uitgesproken. Ea van de dreiging van den Heilige tegen den menseh, indien hg het gebod zou overtreden, viel niet één woord ter aarde.
Maar toch, vóórdat het aardrigk vervloekt werd om des menschen wil, had reeds over den hof de klank der heilsbelofte getuigd van de Ontfermingen des Heeren.
Vóórdat het oordeel over de moeder aller levenden werd uitgesproken, en Adam met het vonnis des doods uit het Paradijs verdreven, was in beider ziel de troost gedruppeld der belofte van het evangelie, die alle beloften van heil in zich besloot.
En zoo ging het door gansch de geschiedenis der openbaring heen.
Het gericht van den zondvloed komt niet om de aarde te verdelgen, voordat en zonder dat Noach, de prediker der gerechtigheid voor een af keerige wereld, de toezegging heeft van het heil, dat hem voor de golven van het gericht zal bewaren.
En wie is het, die beeft voor de dreiging van het schrikkelijk oordeel? Niet de hardnekkige wereld, die voortgaat als te voren; , zij aten en dronken, zg huwden en gaven ten huwelijk; zg kochten en verkochten, " tot den dag waarop Noach in de ark ging, en de zondvloed hên verslond, die met de gerechtigheid des Heeren hadden gespot.
En de geredde, de begenadigde, Noach met de zijnen, zg hebben de gerechtigheid des Heeren erkend, er voor gebeefd, omdat zg de stem Zijner belofte hadden vernomen, en tot het verbond der genade behoorden.
En Israël, het volk Gods als volksgeheel? Zgn zelfstandig bestaan reeds is een getuigenis en openbaring van het genadeverbond.
Toen de Heere aan Mozes verscheen, en hem de opdracht gaf van Farao het vertrek der kinderen Israels uit Egypte te verlangen, zeide Hij tot Mozes: , Tk ben de God uws Vaders, de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jakob."
En evenzoo: „Ik heb het gekerm der kinderen Israels gehoord, die de Egyptenaars in dienstbaarheid hebben, en Ik heb aan mijn verbond gedatht." Ex. 3 vs. 6; 6 VS. 4.
In Zgne trouw aan het met Abraham opgericht verbond verlost Hg het volk uit de slaverng.
En nu komt wel in de aan Israël gegeven ordeningen de heiligheid des Heeren sterk op den voorgrond; toen de wet werd gegeven bg den Sinaï, beefde het volk vanwege de teekenen Zqner gerechtigheid en heiligheid, die daar openbaar werden.
Maar boven die wet van den Sinaï, onder welker eischen ieder zondaar beïwqken moest, en die den vloek uitspreekt over een ieder, die niet blijft in alles dat geschreven is in het boek der wet, staat toch als opschrift: „Ik bende Heere uw God, die u uit Egypteland uit het dienathuis uitgeleid heb."
Aan Israël wordt des Heeren heiligheid openbaar, en Zgne rechtvaardigheid bekend gemaakt; maar niet los van de ontfermingen Gods, waaraan het volk herinnerd wordt telkenmale wanneer het de wet hoort.
En zoo ook staat immers te midden van het volk het heiligdom opgericht, waar, in het heilige der heilige, de genadevolle tegenwoordigheid van den Heilige Israels een geweten zekerheid is.
Wel is waar verborgen, ontoegankelijk achter den voorhang, maar daar was toch ook de dienst der offeranden, daar was toch de hoogepriester, die met het bloed van het offerdier voor Gods aangezicht verscheen, in den naam en in de plaats van heel het volk, en die, uit het binnenst heiligdom teruggekeerd, den zegen van den God des verbonds, den God des ontfermens op het volk legde.
In den dienst der schaduwen trad dus wel de eisch van Gods gerechtigheid op den voorgrond, zóó sterk, dat Paulus spreken kan van „een bediening der | veroordeeling", een „bediening des doods"; doch dit werd zg vooral door de eigengerechtigheid van het Jodendom, dat waande aan den eisch van Gods heilige wet te kunnen genoeg doen, in eigen kracht, en daarom geen oog had voor den schadu w-dienst der offers, waarin het verzoenend werk van den beloofden Messias werd afgebeeld.
En nooit was in Israël de gerechtigheid des Heeren zonder Zijne ontferming; oordeel en genade gaan ook onder den vorm, waarin het genade-verbond vóór de komst van den Christus openbaar was, hand in hand. Ook in Israël is de wet niet zonder het evangelie.
Ja, het aanzijn v-an Israël op zichzelf reeds bewgst, dat ook hier het genadebetoon het eerste is, voorop gaat.
En in Jezus Christus, den Verlosser, in Wien alle beloften, aan de aartsvaders en aan Israël geschonken, haar vervulling hebben gevonden, is het ten eenenmale onmogelijk, een scheiding te maken tusschen gerechtigheid en genade.
In Zijn persoon en werk vallen ze samen; in Hem wordt èn de gerechtigheid des Vaders èn Zgne liefde op het duidelgkst openbaar.
De eisch èn de vloek der wet, ze zgn op den Christus aangekomen; Hij heeft ze op Zich genomen, ze gedragen. Het oordeel van den Heilige heeft Hem verteerd. De straf en de toorn Gods over de zonde hebben Hem aan het kruis gebracht.
En juist hierin is de volkomen openbaring der genade Gods. Want ia dezen weg is verzoening en vergeving bereid.
Hoe zou het nu anders kunnen dan dat wet en evangelie samengaan?
Gescheiden worden mogen zij niet. Waar dit geschiedt, is er aanstonds gevaar voor een verkeerde opvatting van het wezen des geloofs, voor een onjuiste althans zeer eenzgdige voorstelling van den weg der bekeering en ook vooreen verschuiven van de verhouding tusschen geloof en heils-zekerheid.
Niet enkel de wet. Maar evenmin het evangelie zonder de wet.
In den dienst van het Woord mag Eoomin het een als het ander worden gemist. Indien naast den souvereinen en onafwgsbaren eisch der wet Gods de lieflqke klank van het evangelie niet wordt gehoord, ontbreekt het evangelie; en wanneer niet nevens de belofte van het evangelie de eisch en de vloek der wet wordt vernomen, wordt aan de waarheid van Gods gerechtigheid tekort gedaan, en verliest de lieflijkheid van het evangelie grond en diepte.
Niet de wet uitsluitend. Wat heeft een zondaar aan de kennis van Gods wet en de erkentenis van Zijn souverein recht zonder meer? „Door de wet is de kennis der zonde, " Rom. 3vs. 20. De wet kan dus nimmer het geloof teweeg brengen.
Zoo is het ook gezien en gezegd door Calvgn.
Hij erkent, dat „het geloof iets vinden moet in het Woord Gods waarop het kan steunen en leunen. Wanneer ons geweten niet anders ziet dan verbolgenheid en wraak, hoe zou het niet beven en verschrikken ? Een God nu, voor wien het siddert, hoe zou het dien niet ontvlieden ? Maar het geloof moet God zoeken, niet voor Hem vlieden".
Of ook: het is ons niet te doen om de wet alleen, want zg kan ons de gerechtigheid niet aanbrengen; „terwgl zg den menseh zgne zonde aantoont, snijdt zg alle hoop op de zaligheid af".
Gods souverein recht om te eischen, een kennis van Zgn wil zonder meer kan men dus geen geloof noemen.
„Maar indien wg in plaats van „wil Gods", waarvan Gods Woord ons vaak en droeve bode en schrikwekkende tolk s, Zqne goedwilligheid en barmhartigheid stellen? Dan zouden wij zeker dichter gekomen zqn bq den eigen aard van het geloof. Want wij worden dan gelokt om God te zoeken, wanneer wq geleerd hebbeB, dat het heil ons big Hem is weggelegd; en dit wordt ons bevestigd, als Hij verklaart, dat Hg' onze zaligheid bezorgt en ter harte neemt. Daarom is de belofte der genade noodig, door welke ons betuigd wordt, dat Hij een genadig Vader is, bijaldien wg inders tot Hem niet kunnen naderen, en op de genade alleen het hart des menschen niet rusten kan".
„Het fondament des geloofs is de genadige belofte, omd*t het geloof eigenlijk daarin bestaat het begint eigenlijk bg Zgne belofte, het staat daarin, het eindigt daarin want het zoekt in God het leven, dat niet in geboden of in de aankondiging van straffen wordt gevonden, maar in de belofte der barmhartigheid, en dat in de genadige belofte Indien wij dus willen, dat het geloof niet wankele, moeten wg het doen steunen op de belofte der zaligheid".
Op deze wijze wordt de rechte verbinding gelegd tusschen wet en evangelie, tusschen oordeel en belofte.
Wie het evangelie losmaakt van de wet, en de belofte aanbiedt zonder van het oordeel te gewagen, doet tekort aan de souvereiniteit en het recht Gods. En hg loopt gevaar, de rechte basis voor bet geloof te verliezen.
Wet èn evangelie. De werkelijkheid van mijn zondaar-zijn berust niet enkel op mijü zonde gevoel, maar hierop, dat ik, gemeten aan den heiligen eisch van Gods wet, in ieder opzicht tekortschiet en schuldig sta.
En ook de werkelgkheid der verlossing, de blgdschap des heils staat of valt niet met mgu oogenblikkélgk gevoel daarvan. Want zij berust niet op dat gevoel, maar eenig en alleen op de belofte Gods, die aan een ieder, die gelooft, de weldaden van het genade-verbond toezegt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's