Stichtelijke overdenking.
......totdat Silo komt, en denzelven zullen de volkeren ' gehoorzaam zijn. | Hij bindt zijnen jongen ezel aan den wijnstok en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wascht zijn kleed in den wijn en zijn mantel in wijndruivenbloed. Hij is roodachtig van oogen door den wijn en wit van tanden door de melk. Gen. 49: lOb-12.
De komende Silo.
Wij treden een sterfkamer binnen. Vader Jacob ligt op z'n uiterste. Hij is aan 't eind van z'n pelgrimstocht en ziet in den geest de poorten van de eeuwige Godsstad geopend, waarbij z'n ziele opspringt van vreugde en z'n mond blijde uitroept: „op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere!"
Nog eenmaal roept hij zijn kinderen tezamen. En hij, die in droeve dagen wel eens zuchtend, met een gebroken hart, had uitgeroepen: als ik van kinderen beroofd ben, zoo ben ik beroofd" (Gen. 43:14b), mocht het voorrecht nu smaken ze allen rondom zijn bed te zien. Zoo had de Heere hem gezegend, ook al waren de dagen zyns levens kort geweest en vol onrust. De Heere kastijdt en straft Zijn kinderen wel, maar Hg vergeldt hen niet naar de veelheid hunner overtredingen !
Als priester en profeet zit vader Jacob daar nu op zijn legerstede temidden van zqn kroost. Hij gedenkt hun te zamen en ieder hunner persoonlijk, maar 't meest is zijn ziele bezig met de zaligheid welke hem wacht en den Zaligmaker die komt.
Zou Ruben, de eerstgeborene, de stamvader zgn van den Messias, die van ouds van God beloofd was aan de vaderen ?
Neen, vader Jacob ziet endere dingen aangaande z'n oudsten zoon. Heeft deze niet schrikkelqk gezondigd? Was de vader in hem niet droevig teleurgesteld? En ja, hg is de eerstgeborene en ook voor hem is nog een zegen weggelegd; als stamvader zou hg big ven bestaan onder zijne broederen, maar hg zou niet de voortreffelgke zijn. Zoo gedenkt de Heere de zonde en bezoekt Hg de ongerechtigheden Geen rechter, geen profeet of vorst is uit Ruben geboren. Geen pertoon van naam ia uit hem, den eerstgeborene, gesproten. Dathan en Abiram, die berucht werden vanwege hun goddelooze rebellie tegen Mozes, telt Ruben onder zijn nazaten !
Dan volgen Simeon en Levi in ouderdom. Ook zij zijn .Jacob een schande geweest. Driftig en wraakgierig hadden zg zich bezondigd tegenover de inwoners van Sichem en smarte hadden zij hun vader aangedaan in de zoo treurige geschiedenis met Jozef, hun broeder, dien zij haatten.
Hun zonden worden nu nog eens herdacht en gevloekt; en neen, ook zij zullen niet worden uitgeroeid, maar een ruime en vaste woonplaats zullen ze straks in KanaSn niet beërven. Ze zullen verstrooid worden onder de broederen. Simeons landpalen zouden zóó eng zijn, dat ze er eigenlijk allen niet konden wonen, zoodat velen elders een onderdak moesten zoeken. En immers de Levieten zouden heelemaal' geen eigen gebied hebben; ze zouden wonen in sommige steden, later nog tot een zegen voor hen gereserveerd, als dienstknechten der priesters.
Maar dan komt Juda aan de beurt. En o I door de oordeelen heen gedenkt de Heere Zijn verbond gestadig. Hg, de trouwe God, maakt Zijn beloftenissen niet te niet, ook al zijn de menschenkinderen te zamen afgeweken, doende wat kwaad is in Zijne heilige oogen.
Dat mag vader Jacob nu zien en uitspreken. Zijn oog schittert; Zijn hart verblijdt zich; Zgn mond opent zich en hg roept het met blijde zielsverrukking uit: „Juda, gg zgt het, u zullen uwe broeders loven".
Wat mag het harte van Gods kinderen telkens gesterkt en bemoedigd worden door de ervaring, dat de Heere trouwe houdt tot in eeuwigheid. Hij zet Zijn werk voort en het verbond Zijns Vredes wankelt niet. Zelfs de hel kan dit niet verhinderen.
Van die genade en die trouwe Gods ie ook Juda weer een bewijs. En zgne broeders zullen hem loven.
Maar, 't gaat toch ten slotte niet om Juda. Heeft de Heere niet altijd gezegd: „Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijnentwil" ? En heeft de Heere niet alles gelegd in den Verbonds-Middelaar Jezus Christus ?
En daarom neen, hier zal geen vleesch roemen voor God. Ruben, de oudste, is niet degene die heil brengt. Ook Simeon en Levi niet. Maar als Juda dan komt, en vader Jacob roept bigde uit: , Juda, gg zijt het", dan moet het ook aanstonds uitkomen, dat het hier niet om Juda gaat, maar om den Silo, den Vredevorst, die uit Juda geboren zal worden.
De komende Vredevorst vraagt dan ook aanstonds onze aandacht, 't Gaat alles om Hem. En in den geest ziet vader Jacob Hem voor zich staan en hg ziet, dat Hg komt als een rustaanbrenger» als een Vredevorst en Zaligmaker, Wien de volkeren zullen gehoorzaam zijn.
Juda is de Koningsstam. Uit Juda zou geboren worden David, die Israël groot zou maken door de overwinning van zgne vijanden. En uit David zou Salomo geboren worden, die als een vredevorst zijn volk zou zegenen, terwijl de heidenen zouden komen om naar hem te vragen. Maar dan zou Davids troon maar een flauwe afschaduwing zgn van Jezus' heer-Igkheid en Salomo's vrederegeering, maar een zwak voorbeeld van^het heil, dat in Christus words toegezegd: aan allen die in Hem gelooven en Hem mogen eeren als hun Zaligmaker en Koning.
Den hoogsten vrede brengt Silo. Die ruste geeft Hij, welke alle verstand te boven gaat. Alles in de verzoening der zonden, waardoor Gods kindereu zich in een nieuwe betrekking tot God mogen weten te staan, wat vrede en zaligheid geeft voor allen die gelooven. En dan ziet vader Jacob met profetischen blik. 't Ia alsof hij Juda's glorie aanschouwt in Jeruzalem, de stad Davids, Wat eere en heerlgkheid! Maar over Juda heen ziet hg op Jeaus en over Jeruzalem heen ziet hij op den hemel der heerlijkheid, en in de verte hoort hij de jubels waarmee ze Jezus zullen groot maken, allen die Hem mogen kennen als hun Koning en Zaligmaker. En ja, Jezus is die jubels waard. Dat de volkeren Hem loven, dat de natiën Hem eeren. Want die Hem vinden, die vinden het leven, dat als een dierbare schat door Hem verworven is en nu gegeven wordt, om niet, aan degenen die Hem vreezen.
„Der grootheid Zijner heerschappij zal geep einde zgn", roept Jacob hier met andere woorden uit. En •— zegt men niet, dat het Christendom heeft afgedaan ? -Zal de plaats van Christus' Kerk niet spoedig woest en ledig gevonden worden ? Jaagt men om politieke belangen de evangeliedienaars niet weg uit de landen der heidenen en vallen de gekerstende naties niet af van Davids grooten Zoon ?
Maar ziet, dan kan Jacobs woord, als profeet door hem gesproken op zgn sterfbed, ons in deze bange tijden bemoedigen. Want Christus zal Koning zgn in der eeuwigheid en de volkeren zullen Hem gehoorzamen. Zijn Koninkrijk zal komen tot de uiterste einden der aarde. Ze zullen zich voor Hem buigen, die wonen aan de zee en ze zullen tot Hem vlieden, die wonen in de woestgnen.
En daarom, neen! niet den moed verloren in deae donkere dagen. De bede rijze op tot God: Uw Koninkrijk kome.
En het geloof wankele niet, daar Gods Woord eeuwig waar is en Zijn beloften niet falen kunnen. Als straks alle koninkrijken der aarde zullen zijn teniete gemaakt, dan zal het weerklinken bij bazuingeluid: de koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zgnen Christus en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid". Openb. 11:15.
Daarom werkt de Gemeente Gods ook voort, naar het bevel des Konings en de Kerk des Heeren hoopt op Zgn Woord, dat eeuwig zeker is!
Waarbij de rgkste zegeningen aan Christus' onderdanen worden toegezegd
Want we voelen dadelgk, dat in ons tekstwoord Oostersche beeldspraak wordt gebruikt, om van de geestelijke zegeningen te gewagen voor al degenen die in Juda's groeten Zoon hun Heiland en Zaligmaker mogen kennen.
Zeker, 't gaat allereerst over Juda. En er wordt gesproken van 't geen de stam van Juda in Kanaan ontvangen zou.
Bindt men gewoonlijk z'n ezel aan een paal, in Juda's landpalen zullen de wgnstokken zóó talrgk zijn, dat men z'n ezelin vastbinden zal aan de edelste ranken.
Wascht men gemeenlgk z'n kleed in water, in Juda's erve zal de wgn zóó overvloedig wezen, dat men z'n mantel reinigen kan in het donker-roode bloed der wgndruiven.
Worden gewoonlijk wgn en melk spaarsamelgk gedronken in tegenstelling met het water, in Juda kan men van den overvloed zooveel genieten, dat men roodachtig van ogen is door den wijn en de tanden wit zgn door de melk.
En die paradijsweelde wacht nu in Silo voor allen die Hem loven en Hem kennen als hun Borg en Zaligmaker.
Hier wordt de rust geschonken. De rust, waarvan Jezus spreekt, als Hg zegt: „Komt allen tot Mij die vermoeid en beladen zgt, en Ik zal u raste geven."
Hier wordt ook het vette van Zijn huis gesmaakt; daar Hij't is die roept: , 0 alle gij dorstigen, komt tot de wateren en gg die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wgn en melk. Hoort aandachtelijk naar Mg en eet het goede en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen." (Jes. 55.)
Wat is de mensch toch uit veel uitgevallen, door de zonde! Want als een paradgs-kind is hg geschapen en door zgn Goddelgken Schepper te midden van paradgs-weelde gezet.
Overvloed had de Heere hem toegedacht, ddar waar de rivieren vroolgk zongen in Edens hof.
Ma nu zoo arm* zoo «llendig; zoo naakt.
Maar ziet, in Juda's grooten Zoon; in den Silo, uit Juda geboren, zou Sion weer opnieuw vreugde bereid worden.
Bij Hem is de fontein des levens. , Zg worden dronken van de vettigheid uws Huizes en Gij drenkt ze uit de beek uwer wellusten", zegt de Psalmist, (Ps. 36.)
Kennen wg er iets van? O! het is geen wonder, dat een paradgskind in het midden van deze zondige wereld snakt naar verandering. God heeft hem voor al die ellende niet geschapen. Dat is het loon op de zonde geworden, helaas!
Maar wat is het nu diep ellendig, dat alom een zoeken van lotsverbetering is, buiten de vreeze van Gods Naam en buiten den Christus, in Wien alleen de ware rust en vrede is.
Weten wij reeds waarvan we uitgevallen zgn.
Ja?
Dan wenkt Bethlehems stal ons, om ons te verkondigen dat eeuwig wonder van Gods grondelooze genade, dat Hg Zijnen eenig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegeliijk die in Hem gelooft, weer gemaakt zal worden tot een paradijskind, met paradgs-weelde en - heerlgkheid, hier in aanvang en eenmaal daarboven in volmaaktheid.
Waartegenover staat een wegzinken buiten Christus, in steeds grooter ellende, om straks te beërven de buitenste duisternis, waar weening is en knersing der tanden en ook zelfs een druppel water niet zal geschonken worden om den dorst te lesschen.
„Hoe dierbaar is Uwe goedertierenheid, o Silo, dies de menschenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's