Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 56)
Vlug gaf ze haar man een wenk, maar die scheen het niet te begrijpen. En toen nu de timmerman al met zgn schroefdraaier vooruit kwam, kon ze zich niet meer inhouden.
„Wacht even. —Oom zal eerst bidden, en Roosje zal er nog bij zijn." De vader knikte nu zgn broer toe en oom Johannes was dadelijk bereid.
Eerst zongen ze een psalm en dan begon oom Johannes te bidden, en terstond voelde Ombra zich naderen tot den heerlijken troon des eeuwigen Gods, en zag ze enkel glans van onbegrgpelgke wgsheid en hoorde ze den dreun van onbegrensde macht, en voelde ze zich klein worden, o zoo klein en nietig. En allen rondom haar werden klein en onvernuftig, beteekenislooze nietelingen, tegenover die ontzaglijke grootheid Gods, en oudei hen was zg de minste, en als 't even in haar sidderde, overviel haar de majesteit van Gods eeuwige liefde, alsof ze opgeheven werd in de eigen armen der barmhartigheid Gods. En ze zag al 't woelen en wroeten, al 't draven en slaven der menschenkinderen, al 't garen en sparen en kwisten, alle lijden en genieten op aarde, de weelde en ellende des levens, alles zag ze voorbg varen als een vluchtige, ijle nevel, als iets dat geen be teekenis had. Al 's werelds begeerlgkheid en al 's werelds schrik was niet meer dan een tegen een warme glasruit geasemde waasvlek, die even snel verdween als ze geworden was.
Maar Roosje zag ze als een jonk vrouw, als een koningin gekroond, omringd door engelen als haar dienaars in den jubelkring der eeuwig zaligen rondom den troon des Lams. Én zg zelf was daar zóó dicht bij, dat ze bijna Roosje's hand kon raken; slechts één schrede scheidde haar. En naast haar stond Wgnand, en oom Johannes, die, op één schrede na, Mina de hand kon reiken.
O, zg zag nu zoo klaar, hoe nabg al 't eeuwige, en hoe eeuwig ver weg al '• werelds vergankelijke was. En allen, die ze daar om den eeuwigen troon zag, ze wisten van geen leed, want het lijden dezer aarde was als een heer-Igke bloemtuil in hun handen, hemelsch van kleur en wonder lieflgk van geur, en als ze hun kostelijke bloemen beschouwden, roemden ze jubelend deonnaspeur-Igke en ondoorgrondelgke diepte der wgsheid en kennis Gods. En al die bloemen ....
„Ombral" 't Was Wgnand, die haar hand had gevat als om haar wakker te schudden; en als ze haar oogen opende, werd de baar al opgetild en alle aanwezigen waren gereed, om te volgen.
HOOFDSTUK XX.
Wat had moeder Ombra veel te doen met haar zeven kinderen; maar 't verschafte haar vreugde, want doorgaans waren ze allen gehoorzaam. En vooral de schranderheid en handigheid van haar eigen vier kwam haar al spoedig goed te stade in het uitvoeren van boodschappen en het verrichten van allerlei kleine werkjes voor de huishouding. De drie kinderen van Roosje stonden in verstandelijken aanleg merkbaar bg haar eigen ten achter, en zouden daardoor allicht van hun nichtjes te Igden hebben gehad, wanneer de teerhartige moeder haar niet steeds deed gevoelen, hoe ongelukkig die kindertjes zonder eigen moeder waren.
't Was daar een recht gezellig leven op de zoo aardig aangelegde tuinderg. Want hier werkte tweeërlei stuwkracht.
De moeder was zeer gevoelig voor allerlei aandoeningen, was spoedig bedroefd en spoedig bigde en ze huilde zoo luid als ze voor een half uur uitgelaten had gelachen. Ze leefde met al de kinderen mee alsof ze zelf een kind was; ze voelde al hun smarten en kende al hun vreugden O, die kinderen en haar moeder, die moeder en haar kinderen, wat ging er eenzelfde klop door al die harten.
Maar vader stond aan 't roer, stoer en sterk, 't oog onbeweeglgk gericht naar den steven. En of het scheepje over de vlakte dreef als een zwaan, stil en statig, of dat het hobbelde tegen winden golven, of voortgezweept werd door den storm, of her en der geslingerd — de schepelingen moehten lachen of huilen, hg stond steevast aan 't roer, den blik vooruit. kalm en met gezag zgn bevelen gevend.
't Was zgn dagelijksch werk, planten te leiden met het weergaloos geduld van den echten tuinman, en zoo leidde hg zijn vrouw en zijn kinderen.
Ombra voelde die leiding. Ze kende zich als een klimop, te slap om op eigen stam of tak te steunen, en gebogen hangend of plat liggend tegen den grond, zoodra ze zonder steun was. Doch ze voelde zich vastgehouden en opgericht, hoog opgroeiend naast hem als tegen een eik in zijn hechtste levenskracht.
O, wat was haar leven rgk naast hem, dien ze als haar meerdere zoo zeldzaam hoogachtte. Want aan hem kon ze niet denken, of ze dacht aan den geldzuchtigen tiran, den man van Roosje, Willem, die niets en niemand, ook zichzelf niet lief had, dan alleen maar 't geld.
En wat Wgnand was voor haar, dat was hg evenzeer voor de kinderen. Want hij wist het wel, dat zg met haar altijd eergevoelig toegeven de kinderen verkeerd zou leiden. En toch was hg niet streng. Wèl beslist, kalm en met geduld de jonge planten leidend.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's