Staat en Maatschappij.
Opleiding van leerkrachten.
Het Voorloopig Verslag (resultaat van het behandelde in de afdeelingen der Tweede Kamer) op de nieuwe Lager-Onderwijswet is verschenen. Het Iijvige Rapport, dat 46 bladzijden groot is, gaat vergezeld van 2 nota's: de een van den heer de Savornin Lohman, inhoudende enkele beschouwingen over de onderafdeelingen: „Van de scholen en van de kosten van het onderwgs" en voorts over de vraag: of het aan particuliere vereenigingen vrgstaat voor hunne scholen meer uit te geven dan zij uit de openbare kassen ontvangen; de andere van mr. Rutgers, betreffende: de voorziening in de behoefte aan schoollocaliteit der bqzondere scholen.
Het Rapport maakt op het eerste gezicht een gunstigen indruk. Achtereenvolgens behandelt het, het stelsel der wet, de waarborgen, den omvang en de indeeling van het onderwijs, de onderwijsbevoegdheid, de opleiding der leerkrachten, het schooltoezicht en tenslotte de kosten.
Nu het Verslag voor het einde des jaars hg de Kamer reeds inkwam, is het te verwachten, dat het antwoord van den Minister tegen begin Februari ver-Bchqnt. In dit geval kan de openbare behandeling zeker nog vóór het Paaschrecès worden tegemoet gezien.
Natuurlgk komen we op enkele belangrijke punten uit het verslag terug.
In verband met de plannen, die er in onze kringen bestaan, om tot de oprichting van een gereformeerde kweekschool te geraken, laten we reeds dadelgk hieronder volgen, wat het verslag over de, opleiding van leerkrachten" vermeldt. Over de beteekenis der zaak geven we op dit punt de opmerkingen woordelijk weer.
De commissie van rapporteurs schrijft: , .De voorstellen van den minister ten aanzien van de opleiding der onderwyzers werden over het algemeen toegejuicht. Sommige leden spraken echter de vrees uit, dat de plotselinge toename van het aantal kweekscholen gebrek aan personeel zal doen ontstaan en vroegen daarom, of het overgangstijdperk, gedurende hetwelk de normaallessen nog kunnen blijven bestaan, niet te kort is genomen. Vooral de bijzondere kweekscholen auUen waarschijnlijk moeilijkheden onder vinden. Dientengevolge zal men terugvallen in de fout der vroegere opleiding, die goo dikwqls was toevertrouwd aan personen met te engen gezichtskring, niet in staat om hun leerlingen de breede opleiding te geven, noodig om het onderwijs uit zqn sleurgang op te heffen. Dit is een der grootste gebreken van de tegenwoordige opleiding en dit gebrek is niet door verlenging van den duur van den opleidingscursus te verbeteren.. Het komt er op aan andere docenten te hebben en het ia te voorsien, dat het gebrek daaraan bg de vermeerdering van het aantal kweekscholen nog nqpender zal worden. In elk geval zal het gewenscht zqn, dat de minister zoekt naar een practisch systeem van verdeeling der kweekscholen over het land, opdat met een zoo gering mogelijk aantal in de behoeften kan worden voorzien; daardoor kan aan de bovenbedoelde beswaren zooveel mogelijk worden te gemoet ge komen. Ia dit verband merkten zij op, dat het minimum van tien leerlingen voor de eerste twee klassen van een kweekschool tezamen, zooals de minister op blz. 11, regel 12, der memorie van toelichting bepleit, te gering is en te gemakkelqk de gelegenheid voor het oprichten van bijzondere kweekscholen openstelt. Dit minimum zal noodzakelijk moeten worden verhoogd.
Sommige leden merkten op, dat zoowel het openbaar onderwgs zelf als de opleiding der openbare onderwgzers op het gebied van het godsdienstonderwgs en de ethische vakken ernstig te kort schieten. Hierin behoort verbetering te komen door bg de samenstelling van het leerplan der opleidingsinrichtingen meer ruimte voor deze onderdeelen van het onderwgs open te laten, al zal het wellicht met eenige moeilgkheden gepaard gaan. Het is gewenscht, dat bg het onderhavige wetsontwerp in deze leemte worde voorzien.
Verscheidene leden betuigden er hun instemming mede, dat de minister voor den onderbouw der eigenlgke vakschool een driejarigen cursus heeft gekozen, n.l. de hoogere burgerschool met driejarigen cursus of de driejarige U. L. O. school. Zg wenschten daarmede gelijk gesteld te worden de laagste drieklassen van een hoogere burgerschool met 5 jarigen cursus of van een gymnasium; dit ia van te meer belang, omdat de hoogere burgerscholen met driejarigen cursus bezig zgn te verdwijnen, Zg drongen er op aan, dat aan hun verlangen zal worden te gemoet gekomen. Ook zal het wenschelgk zgn in ds wet te bepalen, waaruit het met succes afloopen eener U. L. O - school kan blijken. Uit een verklaring van het hoofd dier school, of uit het bezit van het M. U, L, O.diploma, dat door de Vereeniging voor M. U. L. O. wordt uitgereikt? Overigens oordeelden zij een driejarigen cursus als onderbouw voldoende; met klem kwamen ïij op tegen het streven van sommigen om de opleiding van onderwijzers zoo hoog op te schroeven, dat ze te ver van hun leerlingen komen te staan. De opleiding behoeft niet „geleerd" te worden. .Geleerde" mannen en vrouwen zijn in de lagere school niet noodig en meer dan één voorbeeld werd aangehaald van eenvoudige onderwgzers, die niets van een geleerde hadden en toch van groot nut waren geweest voor da vorming en ontwikkeling van de jeugd en van zegenrgken invloed op hun omgeving.
Andere leden wenschten echter een ruimer en beter opleiding dan door den Miinister wordt voorgesteld. Zij kwamen op tegen de benaming , geleerde" onderwgzere en merkten op, dat het niet hun bedoeling is geleerden te kweeken, maar wetenschappelqk gevormde mannen en vrouwen. Zg meenden, dat dezelfde algemeene ontwikkeling, dis voor anderen met meer wetenschappelgke beroepen noodig wordt geoordeeld, ook geëischt moet worden voor de aanstaande onderwijzers en onderwijzeressen. De eischen, in' het wetsontwerp gesteld, zijn ook in vergelgking met den thans bestaanden toestand te laag. De toekomstige onderwg zer met een vooropleiding van drie jaar en vijf jaar kweekschoolopleiding zal in de gewone lagere school, ook ten aanzien van de moderne talen eu de wiskunde, een bevoegdheid hebben, die de tegenwoordige onderwijzer slechts met 4 jaar vakschoolopleiding, 2 jaar hoofdacte cursus en 6—8 jaaraktenstudie kan bereiken, In het algemeen achtten zij de driejarige vooropleiding onvoldoende en wenschten zij een opleiding op de lagere school tot het 14de jaar, daarna onderwijs op een hoogere burgerscbooi met 5 jarigen cursus en tenslotte een vierjarige vakopleiding aan een kweekschool. De beroepskeuze kan dan tot het 19de jaar worden uitgesteld en op het 23ste jaar is do studie van den oüder«-gzer beëindigd. Sommige leden wenschten de opleiding op de hoogere burgerschool te doen aanvangen met den 12 jarigen leeftijd, alzoo in aansluiting aan den zesjarigen cursus der lagere school. Is dat geval heeft de beroepskeuze op het 17de jaar plaats en is de studie met het 21ste jaar beëindigd. De onderwgzer treedt na het genieten van dit onderwijs volledig bevoogd de school in, zoodat alle bijakten kunnen vervallen, ook voor het U. L. O, behalve wellicht de middelbare akten A. en K. Een groot voordeel daarvan zal ook gelegen zgn in het uitstellen van de beroepskeuze, Bq het onderwgs komt het meer dan bg enig ander vak aan op de persoonlijkheid van den onderwgzer. Een onderwijzer-tegen wil en dank is een beklagenswaardig wezen, zoowel voor zichzelf als voor de kinderen, die op zoo'n opvoeder zgn aangewezen. Daarom zouden de hier aan het woord zijnde leden in ieder geval de opleiding aan een hoogere burgerschool met 5 jarigen cursus als eisch willen handhaven; mocht men tegen de daardoor ontstane verlenging van den duur van de opleiding bezwaar hebben, dan zouden zij daaraan willen tegemoet komen door de practische opleiding aan de kweekschool b.v. tot 2 jaar in te krimpen.
Sommige leden merkten op, dat dit resultaat ook in het stelsel van den minister kan worden bereikt, mits bepaald wordt, dat het onderwgsdiploma, evenals de einddiploma's van gymnasium en hoogere burgerschool, toegang geeft tot een universiteit. Geeft de werkkring aan den onderwgzer geen bevrediging, !of blijkt hij daarvoor minder geschikt, jdan kan hij zonder al te groot bezwaar aan een universiteit een andere bevoegdheid trachten te verwerven.
Andere leden konden zich met deze beschouwing geenszins vereenigen, omdat zij de wetenschappelgke ontwikkeling, die een onderwijzer behoeft, niet voldoende achtten om daaraan deze rechten te verbinden. Ook vreesden zij, dat het gevolg daarvan zou zijn, dat velen van do goedkoope opleiding als onderwgzer gebruik zullen maken om de universiteiten te bereiken.
Sommige leden, die zich met de voorgestelde opleiding over het algemeen wel konden vereenigen, wenschten desniettemin de 5-jarig8 opleiding te splitsen in vier jaar theorie en éan jaar practijk. Wordt de theoretische opleiding met éen jaar verlengd, dan kan deze rustiger en dieper zijn. Na afloop daarvan kan dan in alle vakken, behalve paedagogiek, een examen worden afgelegd en kan de kweekeliog tot adspirant-onderwijzer worden bevorderd. Ook de practische ervaring zou er door worden gebaat, omdat de adspirant-onderwijzer er in het laatste jaar, ontslagen van de zorgen voor een omvangrijk examen, zijn volle aandacht aan zou kunnen wgden. De eene helft van den dag zou aan de school kunnen worden besteed, de andere helft aan studie van zielkunde en opvoedingsleer. Bovendien zal door de verkorting van den practischen leertgd meer plaats op de leerscholen beschikbaar komen, waarmede anders vermoedelijk op menige plaats moeilgkheden zullen worden ondervonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's