De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG

van de buitengewone Ledenvergadering van den Geref.Bond, op Donderdag 18 December 1919, in het gebouw voor K. en W. te Utrecht

13 minuten leestijd

van de buitengewone Ledenvergadering van den Geref. Bond, op Donderdag 18 December 1919, in het gebouw voor K. en W. te Utrecht.

(Slot)

In het referaat dat mr. Van Apeldoorn in de middagvergadering houdt, en waarvan wij toch ook een kort resumé zullen geven, gaat spr. zeer in den breede na den historischen oorsprong en het karakter van de thans uit 's Rijks kas genoten uitkeeringen, den toestand schetsend zooals die was voor en na de Reformatie en voor en na de Fransche Revolutie. Spreker komt daarbij tot de volgende conclusies:

Het standpunt dat de Overheid sinds 1796 innam ten opzichte van de religie, krachtens hetwelk zij geen partij meer koos in godsdienstzaken en dus de Gereformeerde gezindheid niet meer erkende als de ware, moest in de toepassing er toe leiden dat òf de goederen der geestelijke kantoren over de verschillende gezindheden werden verdeeld, òf dat de Overheid daaraan een andere bestemming gaf. Zij heeft het laatste gedaan. Dat was geen berooving van de Kerk. Die goederen toch waren geen eigendom van de Kerk, maar stichtingsgoederen. Door er een andere bestemming aan te geven, deed de Overheid niets anders dan gebruik maken van eene bevoegdheid, welke ook in vorige eeuwen de Overheid, met name de Gereformeerde Overheid na de Reformatie, wel had uitgeoefend.

Noch de Hervormde noch eenige andere Kerk kan hieraan ontleenen een recht op uitkeeringen uit 's Lands kas. Wie het tegenovergestelde wil volhouden, moet niet teruggaan slechts tot 1798 of 1808, maar tot de 16e eeuw en aan dei Katholieke Kerk toekennen een recht op vergoeding voor het gemis der inkomsten, welke oorspronkelijk zij alleen had genoten; en moet in het algemeen de Overheid verbonden achten tot herstel van alle gevolgen, voortvloeiende uit maatregelen waartoe in vroegere eeuwen hare voorgangster zich bevoegd geacht heeft, maar welke heden ten dage door sommigen worden afgekeurd.

Nadat de Staat aanvankelijk in 1798 had geproclameerd het beginsel dat voortaan iedere Kerk zelve moest voorzien in de kosten van haren eeredienst, is hij later daarop teruggekomen. Op grond van het belang van den godsdienst voor den Staat, om utiliteitsredenen dus, en niet op grond van verkregen rechten, heeft hij aan de onderscheidene gezindheden uitkeeringen uit 's Lands kas toegelegd. Op dezen grond steunt artikel 171 al. 1 onzer Grondwet.

Naar spr.'s meening bestaat er dus geen principieel verschil tusschen het eerste en het tweede lid van artikel 171; beide zijn uitvloeisel van het Voedsterheerschap van den Staat. Alleen in zooverre is er verschil dat de uitkeeringen krachtens het eerste lid zullen moeten plaats hebben, zoolang de Grondwet niet is gewijzigd. In die grondwetsbepaling vinden zij haar eenigen grond

Daarentegen kunnen de uitkeeringen krachtens het tweede lid van art 171 ieder oogenblik worden gestaakt. Want deze bepaling geeft de Regeering alleen eene bevoegdheid, maar schrijft haar niets gebiedend voor

Van deze bevoegdheid heeft de Regeering op zeer willekeurige wijze gebruik gemaakt. In de eerste plaats ontbreekt elke verhouding tusschen de bedragen, welke jaarlijks ten behoeve van de onderscheidene Kerken uit 's Lands kas worden betaald. Hij berekende dat de bijdrage voor de minstbedeelde Kerk 20 cent per lid bedroeg en voor de meestbedeelde f 5.-. Voorts zijn de uitkeeringen ten behoeve van enkele Kerken einde 1815 belangrijk verhoogd, bijv. die ten behoeve van tractementen van Katholieke geestelijken met meer dan 300 % terwijl de bijdragen ten behoeve van de tractementen van Remonstrantsche, Doopsgezinde en Hersteld Evangelisch Luthersche predikanten stationair zijn gebleven. Aan de Kerken, welke na 1815 zijn opgekomen, wordt alle Staatshulp onthouden. Behalve vele andere Kerken, ontvangen ook de Gereformeerde Kerken niets. Daarentegen ontvangt de Hervormde Kerk, die aan haar honderdduizenden leden verloren heeft, thans nog ongeveer 16% meer ten behoeve van hare predikanten dan in 1815.

Hierna beantwoordt spr. de vraag, welke de weg is ter verbetering.

Spr. verklaart zich geheel te scharen aan de zijde van hen, die van alle staatshulp aan de Kerk afkeerig zijn. De Kerk behoort niet te steunen op de Overheid, maar op de offervaardigheid harer leden. Het is der Kerk onwaardig, te worden onderhouden door het geld dat van staatswege wordt afgedwongen ook van hen, die van haar niet gediend zijn of zelfs vijandig tegenover haar staan. En juist om het geld van dezen schijnt het bij uitstel van staatshulp eigenlijk begonnen te zijn. Want, indien dat niet het geval is, waarom laat men dan elke Kerk niet zorgen voor zichzelf? Waarom moeten de bedragen van de leden der Kerk haar dan over den Rijksontvanger der belastingen bereiken? Kunnen de Kerken dan zelve niet zorgen voor de inning dier bgdragen?

Ook uit practisch oogpunt bestaan er bezwaren tegen subsidieering der Kerken uit 's Lands kas. De Staat zal, als hij alle Kerken wil ondersteunen, komen te staan voor de moeilgke vraag: wat is een Kerk ? Is iedere vereeniging, die een godsdienstig doel najaagt, een Kerk? Zoo ja, hoever strekt zich het begrip „godsdienstig doel" uit? Is de Protestantenbond een Kerk? En het Leger des Heils? Of eene vereeniging die spiritiatische séances organiseert? De Staatscommissie heeft getracht een grens te trekken, door voor staatshulp alleen in aanmerking te brengen de „thans bij de Regeering bekende gezindheden" en die welke door splitsing van die gezindheden zullen ontstaan. Maar dit leidt weer tot onbillijkheid. Er blijft dan bevoorrechting. Men sluit opnieuw opgekomen secten of Kerken uit, terwijl veelal juist daarin het godsdienstig leven het meest opgewekt is. Ook kan de vraag, of een Kerk al dan niet is ontstaan door splitsing van een bestaande Kerk, in de praktijk tot groote moeilijkheden aanleiding geven.

Spr. bestrijdt voorts de meening, dat er bij verbreking van den financieelen band tusschen Kerk en Staat rechtsgrond voor schadeloosstelling zou bestaan. De Staat die op gronden van doelmatigheid aan de Kerken zekere uitkeeringen heeft toegezegd, welke hij herroepelijk verklaarde, kan natuurlijk niet verplicht geacht worden tot schadeloosstelling, indien hij die uitkeeringen staakt. Verleent hij schadeloosstelling, dan is dat gunst, geen recht. Spr. meent echter dat er alle reden is om gevolg te geven aan den  raad eenige jaren geleden reeds door dr. Slotemaker de Bruine gegeven, om bij deze kwestie 't recht maar ter zijde te laten. Doet men dit, dan is natuurlijk een oplossing zeer wel mogelijk, indien de Staat er maar geld genoeg voorover heeft.

Aan twee eischen zal, zegt spr  moeten worden voldaan :1o. dat ook die Kerken, welke tot dusverre niets uit 's Lands kas ontvingen, in de uitkeering deelen ; 2o. dat de uitkeering aan de Kerken geschiede in evenredigheid van elks ledental.

Als norm voor de uitkeering zou men dan kunnen nemen het gemiddelde bedrag, dat thans de Kerken — alle tezamen genomen — jaarlijks per lid ontvangen. Dit bedrag, vermenigvuldigd met het cijfer 20 zou dan aan de verschillende Kerken per lid moeten worden uitgekeerd, zoodat alle Kerken op voet van gelijkheid worden behandeld.

Ten slotte vatte spr. zijn betoog samen in een IX-tal stellingen, welke wij vroeger reeds afdrukten.

Voor de gelegenheid om met den referent van gedachten te wisselen geven zich op de h.h. prof dr. H. H. Kuyper te Amsterdam, H. A. van de Westeringh te Veenendaal, ds. Vreugdenhil te Leerdam, Van der Kolk te Wierden, Bos te Baarn, Dijkstra te Utrecht, Van de Marel te Groot-Ammers en Hagen te Amsterdam.

Aangeden de bedenkingen van de heeren ds. Vreugdenhil en Bos echter reeds door anderen geopperd waren en de heer Van de Marel, voor hij aan het woord kwam, de vergadering verlaten moest, konden de namen van dezen aanstonds geschrapt worden. Het woord werd dus eerst gegeven aan prof. dr. H. H. Kuyper.

Prof. Kuyper verklaart met groote waardeering het referaat te hebben aangehoord.

Ik ben het met de hoofdgedachte eens, zegt spr., en het is mijn ernstige overtuiging, dat het een zegen zal zijn voor de Hervormde Kerk, als zij niet meer steunt op den Staat.

Ik heb echter eenige bedenking naar aanleiding van het gesprokene omtrent de rechtskwestie, al spreek ik die bedenking aarzelend uit, omdat er wel eens wordt beweerd, dat wel de jurist, maar niet de theoloog de rechtskwestie juist kan beoordeelen.

Spr. zal echter de zaak bezien als kerkhistoricus, en stelt de vraag hoe de erhouding in de middeneeuwen was. De referent beperkt zich daarbij tot het binnenland, maar mijn studiën overschreden de grenzen. En dan constateer ik, dat 't b.v. in Zwitserland reeds vóór de Reformatie voorkwam, dat door de Overheid toezicht werd gehouden op het beheer der kerkelijke goederen.

Na de Reformatie treedt de Overheid in de Gereformeerde landen tegenover de kerkelgke goederen niet op als voortzetting der Roomsche hiërarchie, zooals

de referent beweert, maar als de representatie van het volk. En dat volk was de drager der Kerk. De kerkelgke stichtingen hadden een bepaalde bestemming, en daarmee had de Overheid te rekenen.

Er is geen nieuwe Kerk gekomen door de Reformatie. De Kerk bleef bestaan, de Kerk van Christus in ons vaderland. Doch door de Reformatie werd zij gezuiverd, gereformeerd.

Spr. miste nog een ander element in het betoog. In de eerste periode werden vele kerkelijke goederen — vooral voor oorlogsdoeleinden — genaast. Mijn indruk was steeds dat de Staten wel noodgedwongen tot die naasting overgingen, maar daardoor tevens een zedelijke verplichting op zich namen.

Zijn de besluiten van 1798 verdedigbaar? Had de regeering het recht, de kerkelijke goederen te naasten ? In de geestelijke kantoren zaten kerkelijke bezittingen. Het komt mij voor, een onrecht te zijn, dat al die goederen werden genationaliseerd. Het geld werd niet besteed voor de doeleinden, waarvoor het was bestemd, het kwam ten goede van het neutrale onderwijs.

Alles werd opgeslokt door den Staat, en zoo vraag ik, of er geen historische rechten bestaan, die een billijke uitkeering wettigen.

Voor de Kerken, waartoe ik behoor, zou ik het een dwaasheid achten, van den Staat iets te verlangen, doch daarom gaat het niet, want we staan hier op practisch terrein. Ik geloof echter, dat de Kerk, die zich losmaakt van de zilveren koorde, in haar offervaardigheid een gezegender steun zal vinden dan in de subsidies van den Staat.

De heer mr. Van Apeldoorn zegt in zijn antwoord, dat er blijkbaar een misverstand bestaat. Spr. heeft beweerd, dat de Overheid na de Reformatie de Roomsche hiërarchie is opgevolgd, doch niet, dat ze in haar plaats ia getreden.

Spr. bepaalde zich tot het binnenland, omdat men er met generaliseeren niet komt. Het moet een détailonderzoek zijn. En het is mij niet onbekend, dat er voorbeelden zijn van toezicht der Overheid op het kerkelijk beheer reeds voor de Reformatie in ons land.

Spr. vervolgt: Ik heb geen oogenblik beweerd, dat er een nieuwe Kerk was gekomen. De genaaste goederen werden bestemd voor oorlogsdoeleinden — zeker 1 Maar die oorlog diende immers tot behoud der Kerk.

Was de regeering in 1798 gerechtigd tot confiscatie? De Overheid stelt het publiek recht vast. En heeft die Overheid gefaald dan ziijn wij er niet voor verantwoordelijk. Gedane zaken nemen geen keer.

Was het onderwijs, door den Staat met het geconfisceerde geld gesteund, neutraal ? Het was niet godsdienstloos, en had toch nog wel een algemeen Christelijk doel.

Wanneer de referent prof. Kuyper beantwoord heeft, merkt de Voorzitter op dat het met het oog op den tijd nu noodig wordt aan distributie te denken en stelt daarom voor aan ieder der overige debaters 5 minuten tijd te geven, welk quantum niemand overschrijdt.

De heer Van de Westeringh heeft slechts enkele vragen, n.l. of het standpunt der Regeering in 1798 niet revolutionair is geweest, of de spreker wel genoegzaam in het oog heeft gehouden het burgerlijk recht dat van verjaring spreekt en hoe de referent bij het bespreken van den norm voor een eventueele uitkeering gekomen is aan het getal 20?

De heer Van der Kolk is het in breede trekken met den referent eens, maar wil herinneren hoe een oud document onder zijn oogen kwam, waarin het kerkbestuur van Wierden uitdrukkelijk het eigendomsrecht van zijn kerkelijke goederen constateerde.

En is alles recht, wat de Overheid beslist? Is het recht wat een communistische overheid decreteert? Bij onze actie moeten we niet vergeten, dat de historisch verkregen rechten diep bij ons volk zijn ingeworteld.

De heer Dijkstra is het niet eens met het betoog van den referent. De beslissing eener revolutionaire regeering kan Iijnrecht tegen ons Gereformeerd beginsel indruischen — moeten wij het dan maar „recht" noemen? Als de Hervormde Kerk geen recht heeft op den Dom, dan moet zij hem morgen aan de Roomschen teruggeven.

Het kan wijs beleid zijn, den band los te maken; maar daarmee geven wij onze rechten niet op, d. w. z. het is niet óns recht maar Christus' recht, waarvoor wij opkomen. Het is niet vol te houden, dat een Overheid beslist neutraal moet zijn, want dan zou zij zelfs een communistische sehool moeten dulden.

De heer Hagen: De Overheid heeft den plicht, de ware religie te beschermen. Ik vraag: Mag de waarheid zich aanpassen aan de revolutionaire idee?

Laten wij bovendien bedenken, hoe de scheiding de financiële  positie der Hervormde Kerk zal verzwakken. Laten wij de revolutionaire beginselen buiten de Kerk houden! En onze schuld doet Gods recht niet te niet,

Mr. V. Apeldoorn verklaart in zijn repliek, meer groote woorden dan argumenten te hebben vernomen. Zouden de opponenten nu waarlijk verlangen, dat de Overheid de ware religie bescherme ? Deze regeering, die zoo ongeveer voor de helft uit Roomsch-Katholieken bestaat, zal het niet doen. Zou een liberale regeering het doen? Of een sociaaldemocratische? Laat èn Staat èn Kerk zich elk bewegen op eigen terrein! Dat was ook de meening van Groen van Prinsterer. Er mag wel overleg zijn — natuurlijk! Maar de Staat kome niet op het terrein der Kerk.

Er is een tijd geweest, dat de regeering de ware Religie beschermde, maar Voetius was er niet op gesteld. De grondeigenaren van alle gezindten beriepen op plaatsen in Friesland de Gereformeerde predikanten en de Gereformeerde niet-landeigenaren hadden geen stem in het kapittel. Ongereformeerde predikanten werden gehandhaafd — zoo zag de bescherming er uit. We moeten voorzichtig zijn met onbekookte redeneeringen.

Een stem: De Staten Generaal verklaarden toch de ware Religie te beschermen ?

Mr. Van. Apeldoorn: Wij hebben geen Gereformeerde Overheid meer, en weet ge wel, wat aan die beseherming EOO al vastzat? Lees dan artikel 36 onzer geloofsbelijdenis ! De overheid was gehouden, de andere religies te vuur en te zwaard te verdelgen.

Den heer van de Westeringh antwoordt spreker dat wij ons hier niet bewegen op het terrein van het burgerlijk recht, maar op het terrein van publiek recht dat in de Grondwet is neergelegd. Van verjaring kan dan ook geen sprake zijn.

Spreker komt nog eens terug op het recht dat de Kerk op de goederen heet te bezitten. Hij zegt: dat recht moet bewezen worden. Als de Kerk werkelijk dat recht heeft dan moet dat z. i. geëerbiedigd. Spreker wil geen revolutiebeginselen, maar waarheid bovenal, en meent tenslotte, als we waarlijk gelooven in de kracht van Gods Koninkrijk, dat we dan ook gelooven dat de Kerk, als zij op eigen beenen loopt, veel meer zal bloeien dan wanneer zij steunt op staatshulp.

De Voorzitter zegt nu den geachten spreker, alsook degenen die met hem van gedachten gewisseld hebben, hartelijk dank voor hun betoog, en verzoekt hierna de. Remme de vergadering met dankzegging te sluiten.

De vergadering ging hierop uiteen onder den indruk, dat een belangrijk onderwerp door een der zake kundig man behandeld was, en doordrongen van de wenschelijkheid dat Staat en Kerk, als ieder een eigen roeping hebbend, zich ook beide zullen bewegen op eigen terrein. Bij al de moeilijkheden, die een practische oplossing van de finantieele kwestie met zich zal brengen, gelooven ook wij dat dit het beginsel is dat de Gereformeerde Bond vasthouden moet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's