De zekerheid des geloofs.
IX.
Zoolang het leven in jonge, frissche kracht opbloeit, is er een sterke levensbeweging en levens-openbaring, zonder dat er nog veel reflectie en zelfbeschouwing is. Zoo was het in den eersten tijd der reformatie.
De waarheid van het Woord Gods was opnieuw gegrepen, op nieuwe wgze in het licht gesteld.
De ziel der kinderen Gods was, in gebondenheid aan Zgn Woord, vrg geworden van de dwingende en regelende tusschenkomst der Kerk.
De aanraking met den Vader in geloof was een vrucht der wedergeboorte; en de ziel der vromen vond God , sonder de bemiddeling van eenig schepsel."
In het geloof werd deze door genade herstelde verhouding gegrepen. En het was dit leven des geloofs, dat zich krachtig gelden deed. Daarin sprak zich uit het blij en rgk besef van de rgkste en hoogste gaven, die aan een schuldig zondaar kunnen geechonken worden in de rechtvaardigmaking, in zgn aanneming tot kind.
De kracht en frischheid van dit persoonlgk geloofsleven bezielde ganseh een geslacht, drukte ook haar stempel op de uitingen dergenen, die vorm gaven aan hetgeen leefde in veler ziel.
Zoo is bijv. hetgeen Calvgn zegt óók over het geloof, gekenmerkt door dat levende, directe, waarvan wg spreken.
Dat levende, dat óók een levend geloofsvertrouwen is, spreekt zich uit in het: „wg gelooven en wg belijden" der Nederl. geloofsbelgdenis.
De levende, onvervaarde kracht van zulk een blgmoedig geloof werd bewezen in den moed, waarmede zoovelen brandstapel en schavot trotseerden.
Doch straks komt de bergstroom in de vlakte; de onstuimigheid zijner kracht neemt af; kalmer gaan de wateren vlieten. En de stroom wordt breeder tevens.
Zoo werd allengs de overtuiging van het reformatorisch tijdperk gemeengoed in de Kerken der reformatie.
Wat leefde, 'en in levende belgdenis geformuleerd was, werd ook onderwezen aan de komende geslachten.
Wat op zijn levenskracht was getoetst door smaad en vervolging, werd rustig, ongestoord bezit van een geslacht, dat niet had geleden en gestreden om het zich te verwerven, maar het als een erfenis van de vaderen ontving.
Het behoeft dan ook niemand te verwonderen, dat de invloed van een dergelgken gang der dingen zich ook afspiegelt in de opvattingen aangaande het geloof.
De onderscheiding van kennis en vertrouwen, waarop wij in een vorig artikel wezen, werd gemakkelijk tot een scheiding, die niet zonder invloed bleef op de vraag naar de geloofsverzekerdheid.
Een geslacht groeide op, dat den strgd niet meer kende; de prikkel van de uitwendige aanvechting, het gevaar voor kerker en brandstapel was verdwenen.
De Kerk, ook in ons vaderland, kon rustig haar leven inrichten naar den eisch . harer belgdenis, naar uitwgzen van het Woord des Heeren Hetgeen zg ontvangen had en bezat aan inzicht in de waarheid Gods, werd na de Synode van Dordt en de beëindiging van de twisten met de Remonstranten, over het algemeen aanvaard.
Er was, om een in onzen tgd gangbaar woord te gebruiken, een „mentaliteit", die het toestemmen van de gereformeerde belgdenis gunstig was.
In denken en leven waren de gereformeerde beginselen doorgedrongen en bezonken.
Maar niet overal blééf de levens-bezieling, en niet allen, die er zich toe zetten, de gereformeerde beginselen te ontwikkelen op wetenschappelijke wgze, hebben aanstonds inzicht genoeg gehad in het geloofs-begrip van Calvgn, om de Ign te kunnen doortrekken gelgk hg haar was begonnen.
Ook hier was er een wederkeerige werking tusschen practgk en denken, een werking van de wetenschap op het geestelijk leven, en omgekeerd.
De waarheid Gods, zooals zg naar de beginselen der reformatie van Geneve werd verstaan, werd verkondigd in de kerken; de gereformeerde religie was de heerschende; de H. Schrift was op alle kansels, werd gelezen in tallooze woningen, werd geëerbiedigd als het Woord Gods.
Doch al was de algemeene geestesgesteldheid niet van dien aard, dat men van het Woord Gods vervreemd was, daaruit volgt nog niet, dat allen, die het hoorden en toestemden, ook oprechte geloovigen waren.
En naarmate de spontaniteit en jeugdige frischheid van het leven plaats maakte voor een rustiger gang, naarmate de traditie, het geijkte, het algemeen gangbare, het eigen-doorleefde, het in strijd veroverde en in gevaar te verdedigen geloofabezit ging vervangen, in die mate nam ook de kans toe, dat men zoeken ging naar kenteekenen, die allen twijfel zouden uitsluiten aangaande zijn' staat voor God; dat niet meer het krachtig kloppend geloofs-leven als vanzelf zijn aanwezigheid openbaarde, en zgn levensactie deed uitstralen, maar dat menigeen het noodig achtte, zichzelf den pols te voelen om te controleereu, of hg den klop van het leven nog wel bg zichzelf inderdaad kon waarnemen.
Wie in den kring van het Verbond behoorde, wie het teeken en zegel van den H. Doop had ontvangen, wie op belijdenis des geloofs tot het H. Avondmaal was toegelaten, werd onder de geloovigen gerekend.
Maar het spreekt vanzelf, en het bleef natuurlijk ook niet verborgen, dat veler „geloof" een louter verstandelijk weten en toestemmen werd van de waarheid van Gods Woord, dat het .historisch geloof ais surrogaat de plaats ging innemen van een levend, zaligmakend geloof.
Zou men, in de prediking, hiertegen niet waarschuwen? Zou er niet worden aangedrongen op waarachtige bekeering en verootmoediging. Zou de roeping van de dienaren des Woords niet zgn, op te wekken, aan te manen tot geloof, dat niet alleen in het algemeen de waarheid toestemt, maar haar ook persoonlgk omhelst en toepast?
Vele vrome predikers uit het midden der 17de eeuw hebben deze roeping beseft, en met ernst in dien geest gesproken. Maar zij hebben het historisch geloof, het met den wil aan de waarheid toestemmen, in vele gevallen toch beschouwd als een deel van het „oprecht geloof", zg het, dat er nog iets bij moest komen, om den geloovige de volle verzekerdheid des geloofs te doen ten deel vallen.
En de ontwikkeling, die de theologie in ons vaderland omstreeks het midden der 17de eeuw nam, heeft deze voorstelling in de hand gewerkt; eene voorstelling, die afweek van de oorspronkelgk-Calvinistische, en die aan een deel van het geestelgk leven haar eigen merk heeft ingedrukt.
De directe, practisch-religieuze beteekenis, die het geloof bij Calvgn had, kwam in meerdere of mindere mate op den achtergrond; het geloof verloor zgn direct karakter, en werd meer een overtuiging aangaande eene waarheid of de waarheid in het algemeen. Voor de persoonlgke toepassing en de persoonlijke verzekerdheid moest er dan in het subject nog iets anders bg-komen, dat niet in en met het geloof-zelf is gegeven.
Calvgn zegt van het geloof „dat het omkomt, als het hart niet veilig rust in Gods goedheid; het is dus niet een bloot erkennen van God of Gods waarachtigheid, ook zelfs niet een eenvoudig overtuigd zijn, dat God bestaat, dat Zgn Woord de waarheid is: maar een zekere kennis der goddelgke barmhartigheid, uit het evangelie ontvangen, die den vrede bg God en de rust des gewetens herstelt.
Maar deze opvatting heeft bij meer dan één godgeleerde plaats gemaakt voor de intellectualistische.
Zoo zegt bgv. Voetius dat de rechtvaardigmakende daad van het geloof is: „een overtuiging of zékere toestemming, dat Christus mgn Zaligmaker is, en God in Christus mgn God. Deze daad des geloofs nu is, eigenlgk en nauwkeurig gezegd, in het verstand, al geschiedt hg niet zonder een voorgaande wilsdaad."
Voor hem bestaat het geloof in een „generale kennis en wetenschap, tezamen met een particuliere toestenaming en verzekering, " die hierin gelegen is, „dat ik niet alleen weet en geloof, dat er een God is, maar dat hg mijn God is."
Er is, volgens deze opvatting, één moment in het geloof, dat betrekking heeft op een algemeene waarheid, en allerlei fundamenteele artikelen omvat, en daarnevens een ander moment, nl. van de toepassing en toeëigening van de algemeene waarheid; eerst waar dit moment er bij komt, is het geloofs vertrouwen geboren
Hier ligt dus gescheiden wat volgens de opvatting van Calvgn terecht als één en ondeelbaar in het geloof moet worden beschouwd.
„Geloof" wordt een verstandelgke zekerheid en een toestemmen van een algemeene waarheid. En de persoonlgke verzekerdheid, het besef van persoonlijk te deelen in hetgeen men in het algemeen toestemt, is niet met het geloof-zelf gegeven, doch moet getoetst aan allerlei kenteekenen, die al of niet in den , geloovige" worden gevonden.
Op deze wijze wordt het directe rapport met de heils-belofte, waarop volgens Calvgn het geloof zich richt, losgelaten, en het gevaar groot, dat men voor de heils-verzekerdheid uitsluitend zoeken gaat naar subjectieve kenmerken, die eigenlijk buiten het geloof omgaan.
Zoo zegt Voetius, in aansluiting aan zijne voorstelling van het geloof als een toestemming van algemeene waarheid, het volgende: „Dat gij vergeving van zonden hebt, staat niet in de H Schrift, want de naam van den geloovige komt daarin niet voor."
Voetius' antwoord hierop luidt dan: „Dat is ook niet noodig. Het staat er immers van ^lle geloovigen in het algemeen."
En op de vraag: moogt gij voor uielven zoodanig besluit (nl. dat gij vergeving van zonden hebt) daaruit wel wekken? is weer het antwoord: „ja, op deze manier: allen, die zich bekeeren, en van harte in Christus als hun Zaligmaker gelooven, die komen Hem toe en worden zalig.
Maar ik bekeer mij en geloof, ergo, enz.
Vraag: het eerste stuk staat in den Bijbel geschreven; waar staat het tweede?
Antw : in mijn eigen hart, daaruit moet ik zoeken, of ik waarlgk geloof, en niet uit den Bijbel."
Zóó wordt de zekerheid des geloofs niet iets directe, dat gegeven is in het geloovig zich verlaten op de genadige belofte Gods, maar zij wordt gezocht door middel van een zekere sluitrede, waardoor de „geloovige" op grond van Lótgoon hij in zichzelf vindt of meent waar te nemen, tot de conclusie meent gerechtigd te zgn, dat hg voor zi«h deel heeft aan de beloften Gods, en zich onder de uitverkorenen mag rekenen.
Zóó luidt deze „geestelgke sluitrede", gelgk Voetius haar noemt: „Allen, die in Christus gelooven, voor hen is Christus gestorven." De geloovige zegt: „ik geloof in Christus. Zoo volgt van zelf de conclusie: dus is Christus voor mij gestorven."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's